auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller en J.F.M. Sterck
bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Tweede deel 1620-1627. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Beeckzang aen Katharine.aant.aant.*
Wycker Bietje, die by 't Beeckje vs. 1
Nestelt, en geeft menigh steeckje
Die uw honigh komt te dicht; 3
Wacker Nymfje, die zoo klaartjes
5
Met uw ooghjes op de blaartjes
Flickert, blickert, straalt, en licht;
Zegh my, meisje, die zoo netjes
Poezelachtigh zijt, en vetjes,
Levend, helder, wel gedaan; 7-9
10
Waar van mooghje zoo wel tieren,
Daar al d'andere, arme dieren, 11
Bleeck en treurigh quijnen gaan?
Eetje slaatje met een eitje?
Drinckje niet dan schapeweitje? 14
15
Pluckje moesjen uit den tuin? 15
Backje struifjes van de kruitjes?
Treckje heen, na zomerbuitjes,
Om lamprey en knijn, in duin? 18
Slaapje op dons van witte zwaantjes?
20
Leckje muskadelle traantjes? 20
Houje een ongemeenen stijl? 21
Leghje in schim van koele boompjes? 22
Droomje daar geen andre droompjes
Als van suicker, uit Brezijl? 24
| | | |
25
Zwemje in lachjes, en genughjes?
Leeft uw geest in zoete kluchjes?
Springt uw zieltjen in uw lijf?
Erfje niet als heil, en zegen?
Benje juist van pas geregen,
30
Niet te los, noch niet te stijf?
Zegh het toch uw medemeisjes,
Vol zwaarmoedige gepeisjes, vs. 32
Heel uw speelnoots algelijck. 33
Redt die diertjes van haar teering. 34
35
Onderkruip den Haes zijn neering, 35
En wort dockter van de Wijck.
|
*Waarschijnlik van 1626/7, 'n tijd na 't verschijnen van 't bundeltje, waarin de drie vroegere gedichtjes aan de Baeckjens zijn opgenomen (zie blz. 497-vlgg.).
Afgedrukt volgens de oudst bekende uitgave in I.V. Vondels Verscheide Gedichten, t'Aemsteldam, Gedrukt by Iacob Lescaille. Voor Ioost Hartgers.... in 't jaar CIƆIƆCXLIV (= 1644). Blz. 359.
vs. 1Bijtje van de (Bever)wijk, die bij 't beekje van ‘Scheybeek’.... (zie blz. 488).
3Die: aan alwie; te dicht: te na.
7-9Deze verzen schertsen met de mooie, maar toch wel 'n weinig welige vormen van 't meisje.
11Terwijl al de anderen, arme meisjes.... ( dier voor meisje, zie Dl. 1, blz. 144 aant. op vs. 80).
14schapeweitje: schapemelkje ( wei eigelik de zoete lichte vloeistof die na de kaasbereiding van de melk overblijft).
18lamprey: lampreel, jong konijn.
20Likje - laat je op je tong druppelen - 't sap van muskadeldruiven?
21Vin je 't min mee te doen met de grote hoop?
24uit Brezijl: uit Brazilië, waar de fijne rietsuiker vandaan kwam. Zinspeling op de suikerhandel van haar vader.
TEKSTKRITIEK: vs. 32, de oude uitgave heeft achter gepeisjes 'n punt.
vs. 32Die, wel anders dan gij, zwaarmoedig en peinzende schijnen.
33Genees je speelnootjes allemaal.
34Red die meisjes van haar kwijning.
35Onderkruip dokter De Haes z'n praktijk.
|
|