auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Aen de Lasteraers van de Academi.aant.*
Verbiet de lieden het toonneel, vs. 1
Soo loopter seven mael soo veel,
't Verboden wilmen allermeest,
En tegenstreven noopt den geest.
5
Wie dan den Yver blusschen wil, 5
Sie door de vingers, en swygh stil: 6
Want wort ghy op uw seer geraeckt,
Soo denck: ick heb'ter na gemaeckt.
|
*Van 1630? Afgedrukt volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (hg. 160 m.M., br. 120 m.M.). Unger: Bibliographie, nr. 723. Ook voorin de uitgave van Coster's Iphigenia (1630); vandaar dat het wel eens aan Coster toegeschreven is. Het is intussen stellig van Vondel, want de dichter nam het op in zijn bundel van 1644 en van 1650 (vgl. Unger's opstel in de Nederl. Spectator 1883, no. 17).
vs. 1In de zesde uitgave van de Iphigenia (1630) bespotte Coster de predikanten: ‘hartelijcke bedanckende deze voorsz. gestoorde uylskuyckens dat se alle de werelt met haer roepen en krijten so gaende gemaekt hebben, dat de speelplaets te enghe om de aenschouwers te vatten, ende de bus te kleen was om de penninghen te vergaren’; toonneel: in Vondel's schrijfwijze opzettelik in verband gebracht met tonen.
5den Yver: zie de aant. bij de Academie-vraag.
6Sie door de vingers: hier in de oorspronkelike betekenis: terwijl men toekijkt, de schijn aannemen alsof men niets ziet.
|
|