auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
Trovringk van Pieter Willemsz. Hooft, en Cornelia de Vries.aant.*
Geen dartel wicht, met vlammestoker, vs. 1
Met taeien boogh, en schichtekoker,
Heeft Hooft in 't hart geraackt,
5
Maar 't eerbaar aanschijn van Corneli,
Daar roode roos en blancke leli
In toonen, aan de jeught,
Hoe schoonheit voeght by deught. 8
Het kuische vier der blakende oogen
10
Verstreckten fackel, pijl en bogen: 10
| | | |
Ontstack zijn vroom gemoet.
De brant hem minnetaal deed spreecken.
Hy viel aan 't vleien en aan 't smeecken. 14
Om winnen 't hartkasteel.
Hier was de Kuischeit in belegen. 17
Sy wert bestormt langs steile wegen:
20
Had kracht, als een granaat.
Zy wist geen raat om 't vier te lessen, 21
En vont gevaar door zoo veel bressen: 22
Vit hoop niet, maar om d'eer. 24
25
Hy badse: lief, genoegh gevochten:
't Is best een nut verdragh gevlochten,
Aan my, uw wettigh Hooft. 28
In't endt haar boezems vorst ontdoide,
30
En al die fiere moedt verstroide. 30
Sy trat den helt te moet,
Behoudens lijf en goet. 32
Toen zaghze wat de ziel betovert,
En hoe 't geluck haar had verovert, 34
35
En, onder Hoofts vooghdy,
Gehult tot heerschappy. 36
|
*Van 1631. Afgedrukt volgens de tekst van Vondels Verscheide Gedichten, 1644, blz. 336. In het opschrift staat foutief: Cornelia Vries.
Pieter Willemsz. Hooft, weduwnaar, ondertrouwde 13 Oktober 1631 te Amsterdam met Neeltgen Pietersdr. de Vries, weduwe van Willem Backer.
vs. 1vlammestoker: hier waarschijnlik: fakkel (vgl. vs. 10).
8voeght by: bij haar gepaard gaat met.
10Verstreckten: deed dienst als.
14vleien is synoniem met smeecken.
17belegen: belegerd. Vgl. voor dit beeld Vondel's Stryd of kamp tusschen kuyscheyd en geylheyd (Dl. 2, blz. 489).
19elcke vryers praat: elk woord van de minnaar.
22vont gevaar: liep gevaar.
24Niet uit hoop op overwinning, maar om een eervolle overgave te kunnen bedingen.
28wettigh: wettelik erkend; Hooft: woordspeling.
30verstroide: verstrooide zich.
32Behoudens lijf en goet: op voorwaarde dat zij leven en goed zou mogen behouden, gelijk een vijand die zich met ere overgeeft (vgl. vs. 24).
36Gehult tot heerschappy: gekroond als heerseres.
|
|