auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Hvigh de Groots verlossing.aant.*
Aan Mevrouvv Marie van Reigersbergh.
Gewelt van wallen, dubble gracht, vs. 1
Ontruste honden, wacht by wacht, 2
Beslage poorten, ysre boomen,
Geknars van slotwerck, breede stroomen,
5
En d'onvermurwde kastelein 5
Versekerden, op Loevestein, 6
Den Grooten Huigen, buiten duchten 7
Van in der eeuwigheit t'ontvlughten:
Ten waar sijn schrandre gemalin 9
10
En druckgenoot en kruisheldin 10
Een eerlijcke uitkoomst had gevonden, 11
En hem van 't lang verdriet ontbonden.
Sy sprack: mijn lief, mijn levens licht,
(De tranen stonden in 't gesicht)
15
Sal dees spelonck uw glans versmooren,
En is uw deught dit graf beschoren? 16
Helaas! maar 't is vergeefs gesuft. 17
Hier helpt geen kermen maar vernuft.
Mijn geest die sal wat groots besoecken. 19
20
Terstont verandert hy in boecken.
De schiltwacht draaght dien vetten buit
Op hare beê voor boecken uit.
Een vrouw belacht al die haar perssen 23
En laat hen op de tanden knarssen.
25
Een vrouw is duisent mannen t'ergh. 25
| | | |
O eeuwige eer van Reigersbergh,
De volgende eeuwen sullen spreken,
Hoe ghy den haat hebt uitgestreken. 28
Na datge op 't droef gevangenhuis,
30
Gelijck Marye neffens 't kruis
Vw bruigom, onder moordenaren 31
Gerekent, trooste heele jaren. 32
Soo liet de trouwe Michol eer 33
Haar liefsten schat met koorden neêr;
35
Toen Sauls zwaarden hem besetten, 35
Gelijck de jagers 't hart met netten.
Aldus wert Lynceus oock geredt
In sijn belegert bruiloftsbedt, 38
Toen soo veel ledekanten smoorden
40
In 't gruwlick bloedt der mannemoorden. 37-40
Vergun mijn luite datse speel 41
Het bergen van ons lantjuweel, 42
In 't onweêr, dat het roer vermande, 43
Toen 't groote schip vol stuurmans strande. 44
|
*Van 1632. Afgedrukt volgens Vondels Verscheide Gedichten 1644, blz. 172.
Onlangs (in Tijdschrift voor Taal en Letteren Julie 1929) werd opgemerkt, dat Vondel dit gedicht schreef onder de indruk van een der Oden van Horatius (Lib. III No. 16), die in de latere vertaling van Vondel zelf aldus begint: ‘Een koperen toren, massyve deuren, wreede schiltwachten van waeckende honden verzekerden d' opgeslote Danaë....’
vs. 1Gewelt van wallen: machtige wallen.
2Ontruste: verontrust; hier: waakzaam.
5onvermurwde: onvermurwbare; kastelein: slotvoogd, tevens gevangenbewaarder.
6versekeren: stevig ingesloten houden (vgl. in verzekerde bewaring).
7buiten duchten: zonder dat men behoefde te vrezen.
10kruisheldin: heldin te midden van al dit leed ( kruis).
16uw deught: aan uw voortreffelikheid.
17suffen: moedeloos, werkeloos blijven.
23perssen: in 't nauw brengen.
28den haat: uw haters; uitstrijken: bedriegen.
32troosten: moed in spreken.
33Michol: dochter van Saul, getrouwd met David (I Sam. XIX, 11-17).
37-40Lynceus: de man van Hypermnestra, een der vijftig dochters van Danaüs, die allen tegelijk getrouwd waren. Zij was de enige die haar man spaarde, toen de andere in de eerste bruiloftsnacht hun mannen ombrachten, waarvoor ze in de onderwereld gestraft werden (het vat der Danaïden).
41Vergun mij dat ik bezing ( spelen hier dus met vs. 42 als object).
42bergen: in veiligheid brengen, redden.
43onweêr: noodweer; vermande: vermeesterde hier: machteloos maakte.
44In de latere lezing: Toen 't groote schip van Hollant strande.
|
|