De werken van Vondel. Deel 3. 1627-1640


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Aan de Beeck, op de Hofstee van Laurens Baack.aant.*

 
Doorluchte Beeck, van bloeiend loof bedeckt,vs. 1
 
Die menighmael verstreckt
 
Een spiegel voor de fiere Katarijn,3
 
Daar zy den zonneschijn4
5
Ontschuilt, en zingt op uwen waterval,
[p. 389]
 
Met liefelijck geschal;
 
Wanneer 't bekoorde en vrolick pluimgediert7
 
Daar onder tiereliert:
 
Doorluchte Beeck, wel waarom ruischtge niet
10
Haar voor met eenigh liet,
 
Waar door zy wert gebetert en gesticht,11
 
Om langer niet zoo licht12
 
De vierge beê der genen af te slaan,
 
Die na haar hylick staan?14
15
Wat draaghtse toch op jeught en schoonheit roem?
 
Wat stoftze van een bloem,16
 
Die open luickt met 's levens dageraat,
 
En 's middaghs weêr vergaat?
 
De tijt is snel, 't onzeker leven kort.
20
De roozekrans verdort.20
 
Vergangkelick is Venus en haar vrucht:21
 
Men grijptze maar ter vlught,22
 
En d'ouderdom met naberouw verrascht
 
Al wie niet toe en tast.
25
D'oogappel straalt niet eeuwigh klaar en hel.
 
De rimpel kreuckt het vel,
 
Dat voor een wijl gespannen stond en glat.
 
De wittigheit beklat28
 
Met vlecken, en de pruick met sneeuw belaên,29
30
Geen vryers locken aan.
 
Wat vrolickheit men dan aan andren ziet31
 
Dat streckt tot meer verdriet;
 
Vermits men zich zoo reuckeloos en zot
 
Verstack van 't zoet genot34
35
Der jonckheit, die bepaalt, als in een punt,35
 
Natuur ons had gegunt.
 
Wel is zy wijs, die haren tijt gebruickt,37
 
En voor den hagel duickt.38