auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
Aan de Beeck, op de Hofstee van Laurens Baack.aant.*
Doorluchte Beeck, van bloeiend loof bedeckt, vs. 1
Die menighmael verstreckt
Een spiegel voor de fiere Katarijn, 3
5
Ontschuilt, en zingt op uwen waterval,
| | | |
Wanneer 't bekoorde en vrolick pluimgediert 7
Doorluchte Beeck, wel waarom ruischtge niet
10
Haar voor met eenigh liet,
Waar door zy wert gebetert en gesticht, 11
Om langer niet zoo licht 12
De vierge beê der genen af te slaan,
Die na haar hylick staan? 14
15
Wat draaghtse toch op jeught en schoonheit roem?
Wat stoftze van een bloem, 16
Die open luickt met 's levens dageraat,
En 's middaghs weêr vergaat?
De tijt is snel, 't onzeker leven kort.
Vergangkelick is Venus en haar vrucht: 21
Men grijptze maar ter vlught, 22
En d'ouderdom met naberouw verrascht
25
D'oogappel straalt niet eeuwigh klaar en hel.
De rimpel kreuckt het vel,
Dat voor een wijl gespannen stond en glat.
Met vlecken, en de pruick met sneeuw belaên, 29
Wat vrolickheit men dan aan andren ziet 31
Dat streckt tot meer verdriet;
Vermits men zich zoo reuckeloos en zot
Verstack van 't zoet genot 34
35
Der jonckheit, die bepaalt, als in een punt, 35
Wel is zy wijs, die haren tijt gebruickt, 37
En voor den hagel duickt. 38
|
*Van 1632? Afgedrukt volgens de tekst van Vondels Verscheide Gedichten 1644, blz. 192.
In het opschrift: Hofstee: buitenplaats, nml. Scheibeek bij Beverwijk (vgl. Beeckzang aen Katharine, deel 2, blz. 816), waar Vondel een welkome gast was (vgl. het Danckdicht aen Iacob Baeck).
vs. 1Doorluchte: doorlicht, doorschijnend (woordspeling met doorlucht: voornaam).
3fiere: omdat zij, over de dertig jaar, nog onverloofd was.
7bekoorde (nml. door haar zang): meegesleepte.
11wert (conj. praes): zou worden; gesticht: gestemd.
14hylick: de oude Hollandse vorm van huwelik.
16stoftze van: verheft ze zich op; een bloem: haar jeugd en schoonheid.
20roosekrans: symbool van de liefde.
21haer vrucht: wat ze te genieten geeft.
22ter vlught: in 't voorbijgaan.
28wittigheit: blankheid; beklat (deelw.).
31aan anderen: die hun geluk in de liefde gevonden hebben.
34Verstack van: beroofde van.
35bepaalt, als in een punt: afgeperkt, beperkt tot een kort tijdsbestek.
38voor den hagel: voordat de ouderdom (als een hagelbui) de schoonheid te niet doet; duickt: bukt, zich gewonnen geeft.
|
|