auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Lycksang over Dionys Vos
aen Caspar van Baerle.aant.*
Ostendent terris hunc tantum Fata. Virg.
Nu helpme 't rouwkleed dragen, 4
Sijn vaders waerdste soon.
Die goudbloem leyt vertreden,
En van den struyck gesneden,
In 't vrolijckst van haer lent.
10
Wat gaet het Noodlot over, 10
Van Phebus lauwer schent? 11-12
Of trof hem 't heyloos weder,
Om dat de Sweedsche veder 14
15
Sijn hand was toebetrouwt;
Die, swanger van history,
| | | |
Beschrijven sou met goud? 18
20
Dat hem de Teems quam vryen? 20
In onsen Fredricx laersen,
Als in triomf voorheen? 22-24
Ghy burreghwals meerminnen,
Besluyt een treurverbond: 27
Bestroyt het lijck met reucken,
En weeft een pel van spreucken, 29
30
Gevloeyt uit sijnen mond.
En traenen van uw oogen: 31-32
Misschien of dit verlicht 33
Soo veel bedruckte vrinden
35
En geesten, die hem minden, 35
En schencken dit gedicht:
Al leyt hier 't lijf begraeven;
40
Sijn boven 't graf gevaeren,
By d'uytgeleerde schaeren, 41
|
*Van 1633. Afgedrukt volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (hg. 405 mM., br. 123 mM.). Unger: Bibliographie nr. 211.
Het motto uit Vergilius' Aeneïs IV, vs. 869, betekent in Vondels vertaling: ‘Het noodlot zal de wereld deze telg slechts laten zien, en niet gedoogen, dat ze langer bloeye’. Het citaat is toepasselik, omdat het de twintigjarige Claudius Marcellus geldt, die plotseling stierf tot grote droefheid van het ganse Romeinse volk. Op deze plaats van Vergilius laat Anchises, de vader van Aeneas, bij diens bezoek aan de onderwereld, het nageslacht aan zijn oog voorbijtrekken.
Dionys, de begaafde zoon van de hoogleraar Gerardus Vossius, werd in 1612 te Dordrecht geboren en ontwikkelde zich reeds jong tot een geleerde van naam, zodat hem ook uit het buitenland schitterende aanbiedingen bereikten. Hij stierf de 25ste Oktober 1633.
vs. 2-3Als Hoogleraar aan de Doorluchtige Schole.
4helpme: mogelik ten gevolge van deze aansporing dichtte Van Baerle een Latijnse lijkzang ( Poëmata II, blz. 182).
10Wat bezielt het Noodlot? ( Ned. Wdb. XI, 1691). Noodlot is, als te heidens, in de latere uitgaven veranderd in sterflot (vgl. de aantekening bij Gysbreght, vs. 326).
11-12de beste lover van Phebus lauwer: het beste blad uit Apollo's lauwerkrans: de meest belovende jonge geleerde.
14de Sweedsche veder: hem was door de Zweden opgedragen de geschiedenis van Gustaaf Adolf te schrijven. Juist voordat hij ziek werd, zou hij naar Zweden gereisd zijn om bouwstoffen te verzamelen.
18met goud: met gouden letters, voortreffelik.
20Dat hem uit Engeland aanbiedingen gedaan werden.
22-24Dat hij de triumfen van Frederik Hendrik zou bezingen.
27Besluyt: sluit ( Ned Wdb. II, 2049). Sluit u aaneen om de dode te betreuren.
31-32medoogen en traenen: tranen van medelijden,
33Misschien of: mogelik dat.
35geesten: vernuften, geleerden.
41uytgeleerde: die hun leertijd in dit aardse leven volbracht hebben.
|
|