auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Bede voor het Waelen Weeshvisaant.*
t'Amsterdam,
Aen alle Christenen.
Och laet uw mededoogen straelen
Op dees van elck vergete schaer,
Op 't arme Weeshuis van de Waelen,
Wiens last noch aengroeit jaer op jaer, vs. 4
5
Wanneer 't ontfangt met open armen
Die arm zijn zonder hunne schuld,
De Weeskens, die om nooddruft kermen;
En voed hen op met groot geduld
In tucht en eerelijcke zeden.
10
Wie zietze zonder schreien aen?
Heeft Christus arm voor ons geleden,
Wie kan voorby dees kribben gaen
En stallen, zonder met de Wijzen 12-13
Te offeren een luttel goud,
15
Om 't naeckt en hongrigh kind te spijzen,
Dat in dit Bethlehem verkoud? 16
Ay zorght niet, dat de schatten mindren, 17
Die ghy aen God op woecker geeft, 18
Door vreemde en ouderlooze kindren.
20
Gedenckt dat God hun vader leeft,
Die in uw weldaed word geprezen
En 't goed dat nimmer zal vergaen.
De zuyvre Godsdienst is den Weezen
In hun ellende by te staen. 23-24
|
*Van 1634. Afgedrukt volgens de tekst van de eerste uitgave in plano (hg. 230 mM., br. 142 mM.). Unger: Bibliographie, Nr. 213.
Het gedicht is door Nachtegaal met het penseel geschreven op een bord, dat nog in het gebouw op de Vijzelgracht bewaard wordt.
Tot de bouw van dit Weeshuis werd in 1631 besloten. De 29ste Mei werd de eerste vergadering der Regenten gehouden in het nieuwe gebouw en de 1ste Julie werd het voor de wezen geopend. Omstreeks deze tijd zal het gedicht geschreven zijn.
vs. 4aengroeit: aan zal groeien.
12-13kribben en stallen: zinspeling op het Christuskind en de Drie Koningen, die als een van de drie geschenken goud aanboden.
16verkoud: koud wordt, koude lijdt.
17zorght niet: weest niet bezorgd.
23-24Verkorte tekst van Jacob, I, 27.
|
|