auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| |
Vyfde bedryf.
FARAO. IOSEF. IUDAS. REY.
1315
Na dat ick u geluck gewenscht heb, koom ick meê
Begroeten uw gemael, die haer geslacht alree 1316
Door zulcke swagers ziet in naem en glans vermeeren. 1317
Men kan uw deughden niet met dancks genoegh vereeren.
'k Bezit in vreê dit Rijck, dat door u veiligh is.
1320
Egypten weet u danck voor zijn behoudenis,
En ick voor mijne rust. Ghy zijt mijn vast betrouwen,
En d'eenige oirzaeck, dat men d'ackers hoopt te bouwen,
Die anders zouden woest en ledigh staen: dies wy
V eeren willen, met die eer en lof, dat ghy,
1325
Na d'Asiaensche wijse, om uwe braeve daeden,
Gezet word in den Stier, in 't veld dat overlaeden 1326
Van schoone starren staet, op dat men aen uw deughd
En groote weldaed denck: gelijckze noch met vreughd
Aen Mesors vader zelf den ouden Hammon dincken, 1329
1330
Zoo dickmael zy by 't Rams gestarrent hem zien blincken.
| | | |
Grootmogende Monarch, 'k heb van uw majesteit
Genoten zoo veel goeds, en gunst en waerdigheid,
Dat ick uw gaven wil veel liever zien besnoeien,
Dan dat die in getal vermeerderen en groeien:
1335
Nochtans word hartelijck dees bede aen u verzocht,
Dat vader, met mijn' broers, oock herwaert komen moght
Vit Syrien: zy hoên het vee, om van te leven.
Ontrent de stad, wiens naem de zon haer heeft gegeven, 1338
Daer leit een grasrijck land, dat op zijn weiden roemt,
1340
En Gozen word geheel Egypten door genoemt.
Dit land werd noit gebruickt van uwen onderzaeten,
Om datze onlustigh zijn tot vee, en 't weiden haeten. 1342
Indien men ons geslacht die lege beemden gun,
'k Blijf borge, dat het den Egyptenaer en hun
1345
Tot voordeel strecken zal. Het geen wy u vertoogen, 1345
Dat bidden zylien meê, ter aerde neer gebogen.
Dat God den koning van Egypten lange spaer!
Staet op, het grasrijck land dat schenck ick u, om daer
Te zaemen neer te slaen. De wagens, om te gader 1349
1350
Te voeren 't huisgezin en uwen ouden vader, 1350
En spijze dieghe tot de reis hoeft voor een wijl, 1351
En 't edelst dat 'er wast aen onzen grooten Nijl,
Die zijn den ouden man geschoncken na uw wenschen.
Vergunme dan oock dit, dat deze vrye menschen
1355
(Die ghy hier voor u ziet, en zich gewillighlijck
Begeven onder u) doch nimmermeer in 't Rijck 1356
Gedwongen werden, om van hun godsdienstigheden, 1357
Geërft van hand tot hand, noch van hun wet en zeden,
En overoud gebruick te wijcken eenen voet:
1360
En als 't hun elders lust te trecken; 't zy het doet
De zwaerigheid, die hen in 't einde moght beloopen; 1361
Of dat zy elderwaert op yet wat beters hopen; 1362
| | | |
Dat niemant hen belet te volgen hunne zucht.
Zoo waerlijck hebb' dit land altijd gezonde lucht: 1364
1365
Zoo waerlijck hou de Nijl zijn peil in 't overvloeien:
En dat het Rijck in tal van kindren aen magh groeien,
En nimmermeer zijn' staf ontwring uw oud geslacht. 1367
Ick zweere by den God, die 't al heeft in zijn maght,
En alle ding bestiert, en zet daer voor te pande 1369
1370
Mijn hoofd en erfgenaem, dat binnen dezen lande 1370
't Hebreeusche volck altijd zal blijven by zijn wet, 1371
En trecken waer 't zich lust in vrede en onverlet. 1372
Indien mijn nazaet koom dien hoogen eed t'ontwyen, 1373
Zoo moet de Nijl, in bloed verkeert, na zee toe tyen 1374
1375
Met ongestuimigheid; en aerde en water meê
Van wormen grimmelen; en pest 't vergiftight vee 1376
Vernielen; kruid en gras verdorren, 't zaed verzengen;
De kaele boomen loof noch vrucht te voorschijn brengen;
De menschen met gezwel en zweeren zijn bevleckt;
1380
Met helsche duisternis het aerdrijck overdeckt;
De nachten zonder dagh vervolgen op malkandren; 1381
De huizen kinderloos hun vreughd in rouw verandren.
Is dat noch niet genoegh, dat dan de zoute sprinck 1383
Geen strand en kenne, en al mijn volck te hoop verdrinck. 1384
1385
O rijck Egypten, 't zal u tot veel winst gedyen,
Dat ghy 't Hebreeusche volck, in dees benaeude tyen,
In uwen schoot ontfangt: want alzoo lang ghy tracht
Te koesteren dit vroom godvruchtige geslacht,
En uitverkoren volck, zult ghy in glori bloeien,
1390
En boven uwen wensch u alles toe zal vloeien,
Natuur u staen ten dienst. De tijd zal komen, dat
De koningen des Nijls, zoo rijck van naem als schat,
Zich zullen in verbond met ons geslacht begeven,
| | | |
En een Egyptse vrouw, op Isrels troon geheven, 1394
1395
Zal baeren eenen zoon, die Israel regeer.
Daer tegens zullen dan in Faroos Rijcken weêr
Verplaetzelingen uit Hebreeuschen stamme komen 1397
Bewoonen nieuwe steên. Wanneer, tot troost der vromen,
De vader van den vrede en van Godvruchtigheid,
1400
En 's weerelds heiland, lang verkondight en voorseit,
Vit 's hemels schoot gedaelt, op aerde koomt verschijnen,
Zal hy, na zijne vlught door wouden en woestijnen, 1402
Hier in zijn ballingschap huisvesting zoecken gaen.
Hy zal Egyptenaers en mijn Hebreen doen staen 1404
1405
Op eenerhande wet; den godesdienst vermengen,
En leerenze op een wijs Gode eer en offer brengen. 1406
Laet ons dat groot geluck doch meê deelachtigh zijn.
Een heiligh hemelsch vier, hetwelck den zonneschijn
In klaerheid overtreft, bestraele deze landen,
1410
En doe der Mooren hart tot God in yver branden.
EYNDE.
|
1317swagers wordt gebruikt voor alle aangehuwde familie.
1326Gezet word in den Stier: een plaats krijgt in het sterrebeeld de Stier, waar hij na zijn dood vereerd zal worden. Op dat gebruik wordt ook gewezen in de Hippolytus.
1329Mesor: de reeds vroeger (vs. 975) genoemde oude koning van Egypte: dincken: in het rijm gebruikte bijvorm voor dencken (vgl. bringen naast brengen).
1338nl. Heliopolis, de zonnestad.
1342onlustigh tot vee: niet geneigd tot veeteelt.
1345u vertoogen: oorspr. vertonen, dus: onder uw aandacht brengen.
1349neer te slaen: u te vestigen.
1350't huisgezin: daaronder zijn alle huisgenoten, ook de dienaren, begrepen.
1351voor een wijl: gedurende enige tijd.
1356zich begeven onder u: uw onderdanen worden.
1357godsdienstigheden: de uitoefening van hun godsdienst.
1361zwaerigheid: moeielikheden; beloopen: overvallen.
1362elderwaert: ergens anders heen; in dit verband: elders.
TEKSTKRITIEK: vs. 1365, de oude uitgave heeft achter Nijl een komma.
1364Zoo waerlijck...: bekrachtigingsformule (vgl. het eedsformulier), die reeds vooruitloopt op de eed die Pharao zal zweren (vs. 1368). In het Latijn: Ita, gevolgd door een conjunctief.
1367Onderwerp blijft: het Rijck: uw oud geslacht onttroont (Latijn: et sceptra numquam posteris abeant tuis).
1369ding had oudtijds een meervoudsvorm gelijk aan het enkelvoud.
1370erfgenaem: in het Lat. het meervoud: nepotes; dus: en (het leven van) mijn nakomelingen.
1371wet heeft hier nog de oude betekenis van: geloof.
1372Het reflexieve zich in plaats van hem is een Latinisme; onverlet: ongehinderd.
1373ontwyen: ontwijden, d.i. schenden.
1374moet: moge. De volgende verzen (tot 1384) zijn verwensingen, voor het geval van eedschending. Deze straffen zullen inderdaad, als de ‘zeven plagen’, later volgen; tyen: trekken, stromen.
1376wormen: monsters, ongedierte; grimmelen: wemelen.
1381vervolgen op: opvolgen.
1383sprinck: springvloed uit zee.
1394een Egyptse vrouw: de echtgenote van Salomo.
1397Verplaetzelingen: landverhuizers.
1402zijne vlught: als pasgeborene, met Jozef en Maria.
1404doen staen op eenerhande wet: een grondslag doen vinden in eenzelfde geloof (Latijn: leges communes ponet).
1406één wijs: dezelfde wijze.
|
|