De werken van Vondel. Deel 3. 1627-1640


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 488]

De Mvsch van Svzanne Bartelot.
uit Baerles Latijn vertaalt.aant.*

 
Muschken, voesterkint, te minnevs. 1
 
By de minnelijcke Maaghdt,
 
Vleiertje van uw vriendinne;
 
Die uw gild den krans ontdraaght4
5
En hoe kleen, in wetenschappen
 
Baas en overvlieger zijt,6
 
En met tjilpen, hupplen, trappen,
 
Boertigh picken alletijdt8
 
Vw Suzanne kunt verquicken,
10
En doen lachen; en nu stout
 
In de pruick op 't hooft koomt picken11
 
En haar met de tuitjes houdt:12
 
Dan van daar om laagh komt vliegen
 
En op neck of armen zit,
15
Armen, die het sneeuw bedriegen;
 
En van daar op 't hagelwit
 
Van haar borsjes alle beide
 
Speelen loopt, en zoeckt'er rust
 
Op Cupidoos rechte weide,19
20
't Lockaas van den lieven lust:
 
O mijn Musch, hoe hooge sprongen
 
Doet uw luck: wat lof verdooft21-22
 
Vwen lof, altijt gesongen
 
Van 't onsterffelicke Hoofdt.24
[p. 489]
25
Zeghme toch, wat jaghtgodinnen,
 
Boschgod, Pales, of wat Pan,26
 
Of wat Goyer, ruigh van zinnen,27
 
Die de nesjes steuren kan,
 
V verkocht ter goeder uuren29
30
Aan de tangre Bartelot,30
 
Om in spijt van uw gebuuren,31
 
Vogelnest en musschepot,32
 
Tot haar boezem in te sluipen?
 
Of nu d'een nu d'andre knie
35
Te genaken? of te kruipen
 
Langs dees hant, en dan langs die?
 
't Lichaam te betreên, waar 't schoon is,
 
Met uw korte pootjes? ach,
 
Een genade, die Adonis39
40
Noch Menalkas beuren magh.40
 
Zedigh durftge 't bexken stippen
 
In den onbevleckten mondt,
 
En ontwijt de maaghdelippen,
 
Zonder vleck, en zonder wont:
45
En ghy zuight 'er, en ghy leckt 'er
 
Lecker spoghjen, en ghy drinckt
 
Honighdaauw, en wijn, ja neckter,47
 
En al wat men zoeters schinckt.
 
Op de schouders laatge u dragen,
50
En schijnt Isis zelf alree,50
 
En wat meer, naar uw behagen,
 
Als de maaght en moeder meê:
 
En ghy tjillept haar in d'ooren:
 
En hoe heet en geil van min,54
55
Nochtans luistert (kan men 't hooren)55
 
Ghy haar schaamte en kuischeit in:
 
En ghy kust het roode koontje,
 
Daar een hoveling op vlamt,58
 
Of een trots Bewintheers zoontje:59
[p. 490]
60
En geen klaauwtje 't kaaxke schramt.60
 
Ghy belonckt haar heldre lonckers,61
 
Spiegelt daar u zelven in,
 
En verbaast door veel geflonckers63
 
Wort ontvonckt door eige min.
65
Ghy ziet hier vol wonderheden65
 
't Glazen huis aen reis op reis,
 
't Hof der drie Bevallickheden,
 
Dat u streckt een braaf paleis:68
 
Daar Pyraam, Catul, Leander,69
70
Die in zee zonck, of Achil,
 
Schoone Faon, d'een by d'ander71
 
Wel in herrebergen wil.72
 
Huppelende wel te vrede
 
Op het nette parlesnoer,74
75
Picktge t'elckens, treê by trede,
 
In de perlen, die een boer
 
Op den oever heeft gevonden
 
Van Hydasp, den kostlen vliet,78
 
Of een slaaf uit Indus gronden
80
Vischt, en zijnen meester biedt.
 
Komt de honger u bekooren,
 
Zoo verteert uw hart, van spijt,
 
Om dat ghy zoo lang verlooren83
 
In de harde steentjes bijt;
85
Om datze u te leure stellen.
 
't Missen van uw onderstaan86
 
Geeft u oirzaack u te quellen,
 
En ghy vlieght 'er af, en aan.
 
En ghy wiltze t'elckens hebben,
90
En ghy wiltze weder niet,
 
En ghy grijptze met de nebben,91
 
En verpicktze, van verdriet.92
 
Kleur en ronde uw oogen rooven.93
 
Vw onnozelheid aldus94
[p. 491]
95
Doet Suzanneke gelooven
 
Dat ge brein hebt van een musch.
 
Ghy durft wel op 't schaamroot laken,
 
Dat het reine bed bespreet,
 
Springen, en de koets genaken,99
100
Daar zich Bartelotte ontkleedt:
 
Daar de zon zal onderduicken,101
 
En haar beentjes kruissen koomt,
 
En het licht der oogjes luicken;
 
Daarze zoo genoeghlijck droomt;
105
Daarze van den zachten wieger105
 
Opschiet, in de ledekant,
 
En den tjilper en den vlieger
 
Naar zich lockt, met mont, en hant.
 
Leestze rijmen van omhelzen,109
110
Minnebrief, of deftigh dicht,110
 
En het bloedigh spel van Velzen,111
 
Daar heur vaders geest in licht;
 
Dan schijnt ghy den zin te vatten.
 
Maar uw wieckjes schud ghy meest,
115
En verkiest de zy' der Katten,
 
Als zy Batoos treurspel leest.
 
'k Zie nu treuren droef en druckigh
 
D'arent van den godt Iupijn.
 
't Kleene Muschken is geluckigh,
120
By dat groote vogels zijn.120
 
Zou Iupijn, die 't al doet trillen,
 
En de rotzen breeckt, als glas,
 
Nu niet om zijn scepter willen123
 
Dat hy oock een Muschken was,
125
En den hemel moght verruilen,
 
Voor de kamer van dit slot,126
 
Daar mijn muschken in magh schuilen
 
By de blanke Bartelot.
 
Febus wenscht een musch te wezen,
130
Wou dees Dafne met hem door:130
 
Peleus zoon, in musch verrezen,131
[p. 492]
 
Nam 'er geen Brizeis voor.132
 
Paris quam in musscheveeren,
 
Zoo hy die Helene kreegh.
135
Mars zou in een musch verkeeren,
 
Zoo dees Venus voor hem neegh.
 
Flakkus wou een musch gelijcken,137
 
Gaf dees Lydia gehoor:
 
Gal uit musschenoogen kijcken,139
140
Had hij deel aan dees Lykoor:
 
En Tibul met musschevloglen141
 
Vloogh by dese Delia:
 
Stella (onder andre voglen)143
 
Snorde deze Hyas na.144
145
Elck van hun wenscht in een muschken
 
Te verandren zijne jeughdt,
 
Om een byslaap, om een kusken
 
Van die Maaght, om al die vreughdt.
 
Aexters, groene papegaeien,
150
Hanen van uitheemschen slagh,
 
Tortelduiven, paauwen, kraeien,
 
Treurt, zoo treuren helpen magh:
 
Watervogels, en faizanten,
 
En ghy al die in de kouw,154
155
Zonder hoop, van allen kanten
 
Zit betralyt, maackt nu rouw;
 
Die u moet met water lyen,157
 
En met haver wort geloont;
 
Daar ons muschken, t'allen tyen,
160
Huis en hof en burgh bewoont;
 
Vry en vranck op ley en panne,
 
Spitze en steile toorens zweeft,
 
En de kamer van Suzanne
 
Tot vertreck en wooning heeft:164
165
En zich mest met lekkernyen,
 
Daar men Ioffrouws tafel deckt;
 
En laat d'arent dat benyen,
 
En de duif, die Venus treckt.168
[p. 493]
 
Muschken, schrander, gaauw en aardigh,169
170
Vw vernuft en snedigheit
 
Maken u de starren waardigh,
 
Daar men u een plaats bereit.
 
Ghy bestiert, dat nimmer faalde,
 
Overkunstigh, na als voor,
175
Met uw bexken Ioffrouws naalde,
 
En treckt gaauw de draatjes door.173-176176
 
'k Ga in uw geleertheit weien.177
 
'k Zie wat Bartelot beschickt,
 
Die ghy wercken helpt en neien,179
180
Als zy hemde of neusdoeck stickt.
 
Huif en sluier helptge zoomen,181
 
Die Thalas zijn Cinxia182
 
Zou vereeren, om te komen
 
Aan haar gunst en haar gena.
185
Gaat de jongkvrouw zich onthullen,185
 
Ghy ontspelt haar huive knap.186
 
's Morgens vlijtge pruick, en krullen,
 
Kemt heur hair, en zet heur kap.
 
Wat magh nu Arachne weven?189
190
Pallas, die de wolle spint,
 
Moet het met haar schietspoel geven,191
 
Nu een musch d'olijfkroon wint.192
 
Peneloop, hoe kan ick prijzen,193
 
Dat ghy uw tapyten neit?194
195
't Muschken laat zich onderwijzen.
 
Zie eens, hoe 't borduurt en breit.
 
Geestigh Muschken, puick van geesjes,197
 
Koning, Professoor, en Drost,198
 
Kroon van uws gelijcke beesjes,
200
Kleene najer om den kost;
[p. 494]
 
Geestiger dan alle musjes;
 
Die, te Muiden op het slot,
 
Kunt voltojen alle lusjes,203
 
Vreught en troost van Bartelot:
205
Die uw dichter niet verlegen
 
Laat, maar rijcke stof bestelt,206
 
Zoo hy met noch meerder zegen
 
Vwen roem op maat vermelt.
 
'k Most uw tjilpen dus verbreien,
210
En wat kunst uw naalde ons gaf.
 
'k Sal uw uitvaart gaan beschreien;
 
En dit snijden op uw graf:
 
Hier leit een musch, Suzannes tijdverdrijf, en bel.213
 
Suzan, het tijdverdrijf der musch, acht dit voor spel.214