auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | | | | | |
De Mvsch van Svzanne Bartelot.
uit Baerles Latijn vertaalt.aant.*
Muschken, voesterkint, te minne vs. 1
By de minnelijcke Maaghdt,
Vleiertje van uw vriendinne;
Die uw gild den krans ontdraaght 4
5
En hoe kleen, in wetenschappen
Baas en overvlieger zijt, 6
En met tjilpen, hupplen, trappen,
Boertigh picken alletijdt 8
Vw Suzanne kunt verquicken,
10
En doen lachen; en nu stout
In de pruick op 't hooft koomt picken 11
En haar met de tuitjes houdt: 12
Dan van daar om laagh komt vliegen
15
Armen, die het sneeuw bedriegen;
En van daar op 't hagelwit
Van haar borsjes alle beide
Speelen loopt, en zoeckt'er rust
Op Cupidoos rechte weide, 19
20
't Lockaas van den lieven lust:
O mijn Musch, hoe hooge sprongen
Doet uw luck: wat lof verdooft 21-22
Vwen lof, altijt gesongen
Van 't onsterffelicke Hoofdt. 24
| | | |
25
Zeghme toch, wat jaghtgodinnen,
Boschgod, Pales, of wat Pan, 26
Of wat Goyer, ruigh van zinnen, 27
Die de nesjes steuren kan,
V verkocht ter goeder uuren 29
30
Aan de tangre Bartelot,30
Om in spijt van uw gebuuren, 31
Vogelnest en musschepot, 32
Tot haar boezem in te sluipen?
Of nu d'een nu d'andre knie
35
Te genaken? of te kruipen
Langs dees hant, en dan langs die?
't Lichaam te betreên, waar 't schoon is,
Met uw korte pootjes? ach,
40
Noch Menalkas beuren magh. 40
Zedigh durftge 't bexken stippen
In den onbevleckten mondt,
En ontwijt de maaghdelippen,
Zonder vleck, en zonder wont:
45
En ghy zuight 'er, en ghy leckt 'er
Lecker spoghjen, en ghy drinckt
Honighdaauw, en wijn, ja neckter, 47
En al wat men zoeters schinckt.
Op de schouders laatge u dragen,
50
En schijnt Isis zelf alree, 50
En wat meer, naar uw behagen,
Als de maaght en moeder meê:
En ghy tjillept haar in d'ooren:
En hoe heet en geil van min, 54
55
Nochtans luistert (kan men 't hooren) 55
Ghy haar schaamte en kuischeit in:
En ghy kust het roode koontje,
Daar een hoveling op vlamt, 58
Of een trots Bewintheers zoontje: 59
| | | |
60
En geen klaauwtje 't kaaxke schramt. 60
Ghy belonckt haar heldre lonckers, 61
Spiegelt daar u zelven in,
En verbaast door veel geflonckers 63
Wort ontvonckt door eige min.
65
Ghy ziet hier vol wonderheden 65
't Glazen huis aen reis op reis,
't Hof der drie Bevallickheden,
Dat u streckt een braaf paleis: 68
Daar Pyraam, Catul, Leander, 69
70
Die in zee zonck, of Achil,
Schoone Faon, d'een by d'ander 71
Wel in herrebergen wil. 72
Op het nette parlesnoer, 74
75
Picktge t'elckens, treê by trede,
In de perlen, die een boer
Op den oever heeft gevonden
Van Hydasp, den kostlen vliet, 78
Of een slaaf uit Indus gronden
80
Vischt, en zijnen meester biedt.
Komt de honger u bekooren,
Zoo verteert uw hart, van spijt,
Om dat ghy zoo lang verlooren 83
In de harde steentjes bijt;
85
Om datze u te leure stellen.
't Missen van uw onderstaan 86
Geeft u oirzaack u te quellen,
En ghy vlieght 'er af, en aan.
En ghy wiltze t'elckens hebben,
90
En ghy wiltze weder niet,
En ghy grijptze met de nebben, 91
En verpicktze, van verdriet. 92
Kleur en ronde uw oogen rooven. 93
| | | |
Dat ge brein hebt van een musch.
Ghy durft wel op 't schaamroot laken,
Dat het reine bed bespreet,
Springen, en de koets genaken, 99
100
Daar zich Bartelotte ontkleedt:
Daar de zon zal onderduicken, 101
En haar beentjes kruissen koomt,
En het licht der oogjes luicken;
Daarze zoo genoeghlijck droomt;
105
Daarze van den zachten wieger 105
Opschiet, in de ledekant,
En den tjilper en den vlieger
Naar zich lockt, met mont, en hant.
Leestze rijmen van omhelzen, 109
110
Minnebrief, of deftigh dicht, 110
En het bloedigh spel van Velzen, 111
Daar heur vaders geest in licht;
Dan schijnt ghy den zin te vatten.
Maar uw wieckjes schud ghy meest,
115
En verkiest de zy' der Katten,
Als zy Batoos treurspel leest.
'k Zie nu treuren droef en druckigh
D'arent van den godt Iupijn.
't Kleene Muschken is geluckigh,
120
By dat groote vogels zijn. 120
Zou Iupijn, die 't al doet trillen,
En de rotzen breeckt, als glas,
Nu niet om zijn scepter willen 123
Dat hy oock een Muschken was,
125
En den hemel moght verruilen,
Voor de kamer van dit slot, 126
Daar mijn muschken in magh schuilen
Febus wenscht een musch te wezen,
130
Wou dees Dafne met hem door: 130
Peleus zoon, in musch verrezen, 131
| | | |
Nam 'er geen Brizeis voor. 132
Paris quam in musscheveeren,
Zoo hy die Helene kreegh.
135
Mars zou in een musch verkeeren,
Zoo dees Venus voor hem neegh.
Flakkus wou een musch gelijcken, 137
Gal uit musschenoogen kijcken, 139
140
Had hij deel aan dees Lykoor:
En Tibul met musschevloglen 141
Stella (onder andre voglen) 143
145
Elck van hun wenscht in een muschken
Te verandren zijne jeughdt,
Om een byslaap, om een kusken
Van die Maaght, om al die vreughdt.
Aexters, groene papegaeien,
150
Hanen van uitheemschen slagh,
Tortelduiven, paauwen, kraeien,
Treurt, zoo treuren helpen magh:
Watervogels, en faizanten,
En ghy al die in de kouw, 154
155
Zonder hoop, van allen kanten
Zit betralyt, maackt nu rouw;
Die u moet met water lyen, 157
En met haver wort geloont;
Daar ons muschken, t'allen tyen,
160
Huis en hof en burgh bewoont;
Vry en vranck op ley en panne,
Spitze en steile toorens zweeft,
Tot vertreck en wooning heeft: 164
165
En zich mest met lekkernyen,
Daar men Ioffrouws tafel deckt;
En laat d'arent dat benyen,
En de duif, die Venus treckt. 168
| | | |
Muschken, schrander, gaauw en aardigh, 169
Maken u de starren waardigh,
Daar men u een plaats bereit.
Ghy bestiert, dat nimmer faalde,
Overkunstigh, na als voor,
175
Met uw bexken Ioffrouws naalde,
'k Ga in uw geleertheit weien. 177
'k Zie wat Bartelot beschickt,
Die ghy wercken helpt en neien, 179
180
Als zy hemde of neusdoeck stickt.
Huif en sluier helptge zoomen, 181
Die Thalas zijn Cinxia 182
Zou vereeren, om te komen
Aan haar gunst en haar gena.
185
Gaat de jongkvrouw zich onthullen, 185
Ghy ontspelt haar huive knap. 186
's Morgens vlijtge pruick, en krullen,
Kemt heur hair, en zet heur kap.
Wat magh nu Arachne weven? 189
190
Pallas, die de wolle spint,
Moet het met haar schietspoel geven, 191
Nu een musch d'olijfkroon wint. 192
Peneloop, hoe kan ick prijzen, 193
Dat ghy uw tapyten neit? 194
195
't Muschken laat zich onderwijzen.
Zie eens, hoe 't borduurt en breit.
Geestigh Muschken, puick van geesjes, 197
Koning, Professoor, en Drost, 198
Kroon van uws gelijcke beesjes,
200
Kleene najer om den kost;
| | | |
Geestiger dan alle musjes;
Die, te Muiden op het slot,
Kunt voltojen alle lusjes, 203
Vreught en troost van Bartelot:
205
Die uw dichter niet verlegen
Laat, maar rijcke stof bestelt, 206
Zoo hy met noch meerder zegen
Vwen roem op maat vermelt.
'k Most uw tjilpen dus verbreien,
210
En wat kunst uw naalde ons gaf.
'k Sal uw uitvaart gaan beschreien;
En dit snijden op uw graf:
Hier leit een musch, Suzannes tijdverdrijf, en bel. 213
Suzan, het tijdverdrijf der musch, acht dit voor spel. 214
|
TEKSTKRITIEK: vs. 7, de komma achter trappen ontbreekt in de uitgave van 1644.
*Van 1636. Afgedrukt volgens de tekst van Vondels Verscheide Gedichten, 1644, blz. 365. De Latijnse tekst van Barlaeus ( Poëmata II, blz. 331) werd gedicht einde Mei 1636.
Susanna Bartelotti, de voordochter van Mevrouw Hooft, bezat een tamme mus, die de Latinisten Barlaeus en Plemp aanleiding gaf om Catullus na te volgen, die de mus van Lesbia bezongen had. Het overladen renaissance-produkt van de eerste werd door Vondel in luchtig-sierlike verzen vertaald.
vs. 1te minne: ter opkweking (vgl. te min besteet in d'Inwyding der Doorluchtige Schole, vs. 6).
4Die de kroon spant boven al uw mede-vogels.
6overvlieger: die boven allen uitmunt.
12met de tuitjes: bij haar lokken.
19rechte: ware; dus: waar Cupido volop geniet.
21-22wat is uw geluk nu gestegen.
24Dit slaat op Hooft's gedicht over hetzelfde onderwerp Op de musch van Oreade (ed. Stoett I, blz. 314-315), dat in Junie of begin Julie 1636 geschreven werd. Daardoor werd Vondel's vertaling waarschijnlik uitgelokt.
TEKSTKRITIEK: vs. 27, de komma achter zinnen ontbreekt in de uitgave van 1644.
26Pales: een akkergodheid.
27Goyer: Gooi-bewoner; ruigh: ruw.
29ter goeder uuren: tot uw geluk.
30tangre: slanke, bevallige.
31in spijt van: de naijver opwekkende van.
32musschepot: een stenen pot of bloempot, aan een muur of boom gehangen, opdat de mussen er in zouden komen wonen. In deze betekenis nog te Antwerpen gebruikelik ( Antw. Idioticon).
39Adonis: een schone jongeling.
40Menalkas: aan Vergilius ontleende naam voor de herder-minnaar in de Arkadiese poëzie; beuren: te beurt vallen.
47neckter: verzwakte vorm van nectar.
50Isis, de ‘maaght en moeder’ (52) was een oorspronkelik Egyptiese godin, later in 't Romeinse rijk vereerd, wier beeld in optochten rondgedragen werd.
54En hoe gij ook zelf in in liefde ontbrandt.
58op vlamt: vurig naar verlangt.
59een trots Bewintheers zoontje: een trotse rijke koopmanszoon ( Bewintheer: Bewindhebber van de O.I. Compagnie).
60't kaaxke: het wangetje.
65vol wonderheden zal weer behoren bij 't Glazen huis (het oog): vol van bewonderenswaardige dingen of: vol wonderen (bij Hooft: wonderlijkheden in die zin).
69Pyraam: Pyramus, de minnaar van Thisbe; Catullus, die Lesbia bezong; Leander, de minnaar van Hero.
71Phaon, de minnaar van Sappho.
78Hydasp: de fabulosus Hydaspes, waar Horatius van spreekt, een rivier in Indië (nu Sine-Aba) ; kostlen (Mnl. costel): kostbaar; in dit verband: rijk.
92verpicktze: pikt ze weer weg.
93ronde: rondheid; rooven: bekoren.
105van den zachten wieger: uit de slaap?
109rijmen van omhelzen: minnepoëzie (van Hooft).
111Hooft's Geeraert van Velsen.
120Vergeleken met de toestand van grote vogels.
123om zijn scepter: hij zou er zijn scepter voor willen afstaan.
126dit slot: het Muiderslot.
130Daphne: de nymf die Apollo ontvluchtte; met hem door: met hem meegaan.
131Peleus zoon: Achilles.
132Brizeis: de schone slavin die hem ontnomen was.
137Flakkus: Horatius, die Lydia bezong.
139Gal: de dichter Gallus, die Lykoris beminde.
141Tibul: de dichter Tibullus, de minnaar van Delia.
143Stella: Latijns dichter, die onder Domitianus leefde en enkele vogelminnarijen bezong.
144Hyas: de dochter van Atlas (Ovidius' Fasti V, 170).
157u moet lyen: moet tevreden zijn, u behelpen met.
164vertreck: plaats om te schuilen, zich op te houden.
168die Venus treckt: die voor Venus' wagen gespannen is.
173-176Van dezelfde kunstjes spreekt Hooft in een ander gedichtje: t'Zaemenspraek tusschen Oreade en de musch (ed. Stoett I, 315, vs. 7-vlg.).
177geleertheit slaat op wat de mus geleerd heeft, op de dressuur; weien in: mij verlustigen in.
179neien (met ai-klank): naaien.
182Thalas: Thalassio, een oude Romeinse huweliksgod, aangeroepen als Thalasse; Cinxia: aldus werd Juno genoemd, als huweliksgodin.
185onthullen: het kapsel losmaken.
189magh: kan; Arachne: een Lydiese jonkvrouw, die van Athene de weefkunst geleerd had en haar later zelfs tot een wedstrijd durfde uitdagen.
191Moet het geven (synoniem met: het spel geven, of: het verloren geven; Ned. Wdb. IV, 1940): zich gewonnen geven, onderdoen voor.
192olijfkroon: krans van olijftakken; gewoonlik vredessymbool, hier van de overwinning.
193Peneloop: Penelope, de vrouw van Odysseus, die jarenlang weefde om door een list de vrijers te weren.
197Geestigh: verstandig; geesjes: vernuften; boven alle vernuften uitmuntend.
198Professoor (met accent op de slotlettergreep, naar analogie van het meervoud).
203Kunt voltojen alle lusjes: kunt genieten zoveel als ge wilt.
214acht dit voor spel: beschouwt dit als een spelletje.
|
|