De werken van Vondel. Deel 3. 1627-1640


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1929  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Geboortekrans
voor Iongkvrou Katarine van Wickevort.aant.aant.*

 
O kransken, uw geluck weeght over:vs. 1
 
Geensins om dat de goude lover
 
En zijde bloem u cieraat streckt:
 
Maar om dat ghy het hair bedeckt
5
Van d'eelste bloem der lentebloemen;
 
Om wie van haar geluck zou roemen
 
Dees hant, zoo 't Venus daar toe broght,
 
Dat zy dees bloem eens plucken moght,
 
Waar op een drom van vryers loncken.
10
Wat baat de bloem, dat zy blijf proncken
 
Vergeefs op haren groenen struick?
 
Men looft de dingen om 't gebruick.
 
Gepluckte roos kan 't hart verquicken,
 
Dat in zijn flaauwte scheen te sticken.
15
Wat 's aangenamer dan de lent?
[p. 500]
 
Doch eer men 't merckt loopt zy ten endt.
 
Wat baat de bloem den dauw te slorpen?
 
Zy is 't verwelcken onderworpen.
 
Bedocht dit schoone Katharijn,
20
Die, boven zon en zonneschijn,
 
Verblijt alle oogen, die haar minnen;
 
Zy zou haar al te schuwe zinnen,
 
Als een gezeggelicke Maaght,23
 
Op hem, die trouwe liefde draaght,
25
Eens zetten, en met gunstige ooren25
 
Naar zijn gebeên en klaghten hooren;
 
Eer haar de lentetijt ontschoot.
 
Wat eenzaam leeft is levend doot.