terug  begin  verder
[p. 554]

[Byschriften op de twalef maenden]aant.



illustratie
Vondels bijschriften bij Sandrart's maanden
Verkleining van de oorspronkelike druk, in het bezit van 't Prentenkabinet


[p. 555]



illustratie
LOUMAENT
Prent van Jer. Falck naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 556]

Byschriften op de twalef maenden,
Opgehangen te Mvnchen, in de galerye zijner Doorlvchtigheit Van Baiere, En geschildert door Ioachime Sandrart.*

Loumaent.
 
De grootvaêr Loumaent duikt en krimpt in bonte vellen.vs. 1
 
Zijn rug bevriest tot ys: van vore brant zijn scheen.
 
De handen schijnen loot. hoe sidderen zijn leên!
 
Terwijl de Noortvorst weet de watren te beknellen.4
5
Wien 't lust, dat die ten ys met sleên om snippen vaar;5
 
't Is best dat grootvaêr t'huis den disch en haart bewaar.6
Sprokelmaent.
 
De Sprokelmaent braveert, en schaft patrijs-pasteien,7
 
En lamsbout, en kalkoen, en rundervleesch, en speck:
 
Dees wapenen den buick met voorraat, voor gebreck,
10
Nu Vastenavont hem noch gunt zijn volle weien.10
 
Al brast en zwelgt de buick; vergeef het hem dees reis:
 
Want veertigh dagen visch valt lastig voor zijn vleisch.12
[p. 557]



illustratie
SPROKELMAENT
Prent van Th. Matham naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 558]



illustratie
LENTEMAENT
Prent van Jer. Falck naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 559]



illustratie
GRASMAENT
Prent van Suyderhoeff naar de schilderij van Sandrart


[p. 560]
Lentemaent.
 
De sture Lentemaent betoomt het vleesch met visschen,13
 
En leeft by schelvisch, zalm, en krabbe, en kabbeljaeu,
15
By zeehaan, oester, schol, en mossel; en word flaeuw.
 
Nu breng hem wat toeback: hy kan dien roock niet missen.16
 
Hy loost, terwijl het stormt op zee, door deze pijp,
 
Zijn slijm, en waterzucht. vergeef hem dit vergrijp.
Grasmaent.
 
De blijde Grasmaent voegt een muts met groene pluimen,
20
Het vrolick grasgroen kleet, de bloemkorf, tulp, en luit.
 
De huisman jaaght de koe in 't gras, den koestal uit,21
 
En melckt en karnt: 't is tijt de stat, om 't velt, te ruimen,22
 
Om bloemhof en om bron, om lusthof en prieel.
 
De Lente noot de jeught: de Winter heeft zijn deel.24
Bloeimaent.
25
De jongkvrouw Bloeimaent schijnt het hart der jeugt te blaken,
 
Doch niet door blaauw gewaat, of bloemen, schoon van glans,
 
En tulpen, die zy hecht aan haren rijcken krans;
 
Maar door de bloem, waer me zy verft haar mont, en kaken.
 
Ick zie aspergh, en roos: 'k hoor gondelzangk, en snaar.29
30
De Tweling kust sijn broêr; de jeugt de bloem van 't jaar.30
Zomermaent.
 
Bedaaghde Zomermaent, men laat geen schaap verlegen;31
 
Indien het gaat vermast, zoo neem het op uw schoot:32
 
Maar scheert ghy 't om de wol, zoo scheer het niet te bloot,
 
En wasch het wit, als sneeuw, dat u de hemel zegen.
35
Drijf, vroeg en spa, de kudde in 't velt, en naar het hock:
 
Zy loont u met haar melck, en spier, en ruige lock.36
[p. 561]



illustratie
BLOEIMAENT
Prent van Suyderhoeff naar de schilderij van Sandrart


[p. 562]



illustratie
ZOMERMAENT
Prent van Suyderhoeff naar de schilderij van Sandrart


[p. 563]



illustratie
HOIMAENT
Prent van R.A. Persyn naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 564]
Hoimaent.
 
De Hoimaent voegt het geel en goutgeel, licht van ploien,
 
Haar hant de hark, waar me zy 't hoy vast ommewerpt,38
 
't Welk droogt, terwijl de Zon haar stralen wet en scherpt.
40
De zeissen girst door 't gras: de huismans naarstigh hoien,40
 
En 's weimans valk, om hoogh, den reiger grijpt, en bijt.41
 
Een ieder vlamt op winst: om winst is al de strijt.
Oegstmaent.
 
O Oegstmaent, 't ga u wel, daar, met gestroopten armen,
 
En naakt in 't hemt, ghy 't mes gaat drijven in den oegst.
45
Zoo wort de zeissen niet gegeten van den roest.45
 
Maar om uw' ouderdom moet zich mijn hart erbarmen.
 
Nu bint de schoof, la op, en voer haar naar de schuur.
 
Hoe zweet ghy om den kost! het zalig broot valt zuur.48
Herfstmaent.
 
De Herfstmaent gaat te merckt, op dat de huik haar passe,49
50
Daar deze tafel draaght de bloemkool, en meloen,
 
En druif, en abrikoos, en appel, en pompoen.
 
Zy pickt vast vijgen uyt, en leitze in haar kabasse.52
 
De Hartogh jaaght en schiet de harten, in 't verschiet.53
 
Onnozel hart, zie toe: ghy loopt in uw verdriet.
Wijnmaent.
55
De wijngaart krult om 't hooft van Wijnmaent, schier verdronken.55
 
Hy puiloogt vast op 't vat, waar by zijn blijschap zwoer.56
 
Hoe zwilt zijn druif! wie perst de druif in parlemoer?57
 
Hem past dat panters vel en 't root. Wien hoor ick ronken?58
 
De Farheer, in 't verschiet, danst voor de Duitsche bruit.59
60
Zijn gulle geest houdt maat op zackpijp, en op fluit.60
[p. 565]



illustratie
OEGSTMAENT
Prent van Suyderhoeff naar de schilderij van Sandrart


[p. 566]



illustratie
HERFSTMAENT
Prent van C. van Dalen naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 567]



illustratie
WIJNMAENT
Prent van R.A. Persyn naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 568]
Slaghtmaent.
 
De moede jager keert: hy heeft den haas gevangen,
 
En draaght hem op den rugh, op zy het teêr gebeent
 
Van mees en vink, en voort wat Slaghtmaent hem verleent.
 
Noch snoft zijn hazewint eens om, met groot verlangen.64
65
Stockou ziet, in 't verschiet, de wilde zwijnejaght.65
 
Al wat men jaaght in 't wilt, dat wort te Hoof geacht.66
Wintermaent.
 
Hoe treurt de Wintermaent, gelijck een weeuw, in rouwe
 
Gedompelt over 't hooft. haar kaars en glas gaan uit.68
 
Het doots-hooft spelt de doot, die 's levens draeiboom sluit.69
70
d'Onvruchtbre winter slacht een dootsche weduwvrouwe,70
 
Die noch kastanjen braat: haar almanack rolt af.71
 
Wat is een weeuw? een schim; met eenen voet in 't graf.

Hecht aen deze Maenden den Dagh en Nacht, voor den zelven Heere geschildert.aant.

De Dagh.
 
O Schoonste jongelingk, uw blonde locken zwaien
 
Om 't hooft, en in den hals, en geven eenen glans.
75
U voeght het sneeuwit kleet, uw hooft die blijde krans;
 
Uw eene hant de torts. de zonnebloemen draeien
 
In d'andre hant zich om, en volgen 't lieve licht.
 
Ghy zijt de Dagh, of voert den Dagh in uw gezicht.
De Nacht.
 
Bruinette, ick zal my aan uw schoonheit niet vergapen.79
80
Uw krans van mankop sluit om 't suizebollend hooft.80
 
De zwartheit van uw kleet geen licht van starren dooft,
 
De kloot uw elboogh stut. uw oogen moeten slapen.82
 
Twee kinders, van den slaap verwonnen, en verkracht,83
 
De nachtuil en de muis verbeelden my den Nacht.84
[p. 569]



illustratie
SLAGHTMAENT
Prent van R.A. Persyn naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 570]



illustratie
WINTERMAENT
Prent van A. Haelwech naar de schilderij van J. Sandrart


*Van 1643. Afgedrukt volgens de tekst van de uitgave in plano, verkleind gereproduceerd op de voorvorige bladzij. (Unger: Bibliographie, nr. 737).
Sandrart schilderde op bestelling van keurvorst Maximiliaan van Beieren, regerend vorst van 1598-1651, de Twaalf Maanden en de allegoriese voorstelling van Dag en Nacht, nu in de galerij te Schleiszheim. De opdracht werd gegeven in 1637; Januarie, Maart, Junie en Julie zijn gedateerd op 1642; April, November en Desember op 1643. De 15de Desember 1643 waren de Twaalf Maanden voltooid. Vondel's bijschriften bij de schilderijen zullen ook van 1643 zijn; ze werden reeds in 1644 herdrukt in Verscheide Gedichten. De kopergravures, werk van niet minder dan zes Hollandsche meesters in hun vak, werden gesneden en uitgegeven te Amsterdam. Op de eerste en laatste maand bevindt zich de jaartekening: 1645. Ze verschenen de eerste maal met Latijnse onderschriften in verzen van Caspar van Baerle.
vs. 1duikt en krimpt in bonte vellen: hult zich in zijn bontpels en heeft het dan nog koud.
4de Noortvorst: de uit het Noorden komende koude.
5dat die: laat hij; om snippen vaar: uitgaan om snippen te vangen.
6bewaar: blijve bij.
7Sprokelmaent: Mnl. sporkel of sporkelmaent, van onzekere oorsprong, is een oude naam voor Februarie (zie Mnl. Wdb. VII, 1784); braveert: pronkt.
10zijn volle weien: volop te genieten.
12lastig: bezwarend, kwellend.
13sture: gure (vgl. stuurs).
16toeback: Engelse vorm naast tabak. Blijkens het verband werd daaraan geneeskracht toegeschreven.
21huisman: boer.
22om 't velt te ruimen: voor het veld te verlaten.
24heeft zijn deel: heeft gehad wat hem toekomt.
29gondelzangk en snaar: muziek en zang in de gondel, op de achtergrond afgebeeld.
30De Tweling: in deze maand komt de zon in het sterrebeeld de Tweeling; de bloem van 't jaar: de liefste meisjes. Op de prent ziet men twee elkaar kussende engeltjes.
31verlegen: in verlegenheid (door de te zware vacht).
32vermast: zwaar beladen (met wol).
36spier: vlees; lock: wol.
38vast: voortdurend.
40zeissen: oude vorm voor zeis; girst: klanknabootsend woord, dat het Ned. Wdb. IV, 2389, het eerst bij Vondel vermeldt; vgl. Hierusalem Verwoest, vs. 235.
41weiman: jager.
45gegeten van: verteerd door.
48het zalig broot valt zuur: het eerlik verdiende brood wordt met inspanning verworven.
49huik: losse mantel zonder mouwen, van lichte stof ter bescherming van de kleren, aan een ronde kap op 't hoofd bevestigd (zie de prent, en de beschrijving in Ned. Wdb. VI, 1220); de betekenis van op dat is mij, in dit verband, niet duidelik; mogelik heeft het hier nog de oude betekenis: indien.
52vast: intussen; kabasse: rieten mand (op de prent afgebeeld; Ned. Wdb. VII, 783).
53De Hartogh: hier in 't algemeen: de edelman (klankspeling met harten). Zie de achtergrond op de prent.
55wijngaart: wingerd(rank); verdronken: door wijn beneveld.
56puiloogt vast: staart voortdurend met uitpuilende ogen; waar by zijn blijschap zwoer: waarvan hij, in zijn vreugderoes, onafscheidelik was.
57parlemoer: drinkhoren, uit parelmoer op de prent afgebeeld (zie twee plaatsen in Ned. Wdb. XII, 473).
58panters vel: als de traditionele bedekking van Bacchus; 't root: het rood opgeblazen gezicht; Wien hoor ick ronken? d.i. hoor ik hem daar al niet ronken?
59Farheer: naar Hd. Pfarrer, dus: protestants geestelike. Waarschijnlik is de man met de baard bedoeld, die men op de achtergrond aandachtig ziet kijken naar het vat waarin de wijn bereid wordt; danst voor de Duitsche bruit: zinspeling op de bekende uitdrukking: ‘de bruid waarom gedanst wordt’, d.i. de zaak waar 't om te doen is. Vgl. bij Vondel: ‘de Bruyt daer 't al om danste’ (Dl. 1, blz. 273, vs. 74) en Ned. Wdb. III, 1624. Met de Duitsche bruit is dus het Rijnwijnvat bedoeld. In het laatste vers is dan aangeduid dat zijn vrolikheid maat weet te houden.
60gulle: vrolike; zackpijp: doedelzak.
64snoft om: snuffelt rond.
65Stockou: de burcht, in bezit van Sandrart, die men op de prent in de verte ziet.
66geacht: op prijs gesteld.
68glas: zandglas, als tijdmeter.
69draeiboom: boom waarmee een weide of een weg afgesloten werd.
70slacht: gelijkt; dootsche: somber gestemde, maar ook: de dood nabij zijnde.
71haar almanack rolt af: haar leven spoedt ten einde. Het Ned. Wdb. noemt alleen deze plaats, en vergelijkt een andere plaats, waar Vondel spreekt van het afrollen van de levensrol (I, 1296).

79Bruinette: afgeleid van bruin, in de oude betekenis van donker, zwart.
80mankop: papaver, als slaapwekkend middel; vandaar: suizebollend.
82kloot: aardbol.
83van: door; verkracht: krachteloos geworden.
84verbeelden my: zijn voor mij symbolen van.
terug  begin  verder