De werken van Vondel. Deel 4. 1640-1645


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, J.F.M. Sterck en C.G.N. de Vooys


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn. en L. Simons (eds), De werken van Vondel. Vierde deel 1640-1645. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1930  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 554]

[Byschriften op de twalef maenden]aant.



illustratie

Vondels bijschriften bij Sandrart's maanden
Verkleining van de oorspronkelike druk, in het bezit van 't Prentenkabinet


[p. 555]



illustratie

LOUMAENT
Prent van Jer. Falck naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 556]

Byschriften op de twalef maenden,
Opgehangen te Mvnchen, in de galerye zijner Doorlvchtigheit Van Baiere, En geschildert door Ioachime Sandrart.*

Loumaent.
 
De grootvaêr Loumaent duikt en krimpt in bonte vellen.vs. 1
 
Zijn rug bevriest tot ys: van vore brant zijn scheen.
 
De handen schijnen loot. hoe sidderen zijn leên!
 
Terwijl de Noortvorst weet de watren te beknellen.4
5
Wien 't lust, dat die ten ys met sleên om snippen vaar;5
 
't Is best dat grootvaêr t'huis den disch en haart bewaar.6
Sprokelmaent.
 
De Sprokelmaent braveert, en schaft patrijs-pasteien,7
 
En lamsbout, en kalkoen, en rundervleesch, en speck:
 
Dees wapenen den buick met voorraat, voor gebreck,
10
Nu Vastenavont hem noch gunt zijn volle weien.10
 
Al brast en zwelgt de buick; vergeef het hem dees reis:
 
Want veertigh dagen visch valt lastig voor zijn vleisch.12
[p. 557]



illustratie

SPROKELMAENT
Prent van Th. Matham naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 558]



illustratie

LENTEMAENT
Prent van Jer. Falck naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 559]



illustratie

GRASMAENT
Prent van Suyderhoeff naar de schilderij van Sandrart


[p. 560]
Lentemaent.
 
De sture Lentemaent betoomt het vleesch met visschen,13
 
En leeft by schelvisch, zalm, en krabbe, en kabbeljaeu,
15
By zeehaan, oester, schol, en mossel; en word flaeuw.
 
Nu breng hem wat toeback: hy kan dien roock niet missen.16
 
Hy loost, terwijl het stormt op zee, door deze pijp,
 
Zijn slijm, en waterzucht. vergeef hem dit vergrijp.
Grasmaent.
 
De blijde Grasmaent voegt een muts met groene pluimen,
20
Het vrolick grasgroen kleet, de bloemkorf, tulp, en luit.
 
De huisman jaaght de koe in 't gras, den koestal uit,21
 
En melckt en karnt: 't is tijt de stat, om 't velt, te ruimen,22
 
Om bloemhof en om bron, om lusthof en prieel.
 
De Lente noot de jeught: de Winter heeft zijn deel.24
Bloeimaent.
25
De jongkvrouw Bloeimaent schijnt het hart der jeugt te blaken,
 
Doch niet door blaauw gewaat, of bloemen, schoon van glans,
 
En tulpen, die zy hecht aan haren rijcken krans;
 
Maar door de bloem, waer me zy verft haar mont, en kaken.
 
Ick zie aspergh, en roos: 'k hoor gondelzangk, en snaar.29
30
De Tweling kust sijn broêr; de jeugt de bloem van 't jaar.30
Zomermaent.
 
Bedaaghde Zomermaent, men laat geen schaap verlegen;31
 
Indien het gaat vermast, zoo neem het op uw schoot:32
 
Maar scheert ghy 't om de wol, zoo scheer het niet te bloot,
 
En wasch het wit, als sneeuw, dat u de hemel zegen.
35
Drijf, vroeg en spa, de kudde in 't velt, en naar het hock:
 
Zy loont u met haar melck, en spier, en ruige lock.36
[p. 561]



illustratie

BLOEIMAENT
Prent van Suyderhoeff naar de schilderij van Sandrart


[p. 562]



illustratie

ZOMERMAENT
Prent van Suyderhoeff naar de schilderij van Sandrart


[p. 563]



illustratie

HOIMAENT
Prent van R.A. Persyn naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 564]
Hoimaent.
 
De Hoimaent voegt het geel en goutgeel, licht van ploien,
 
Haar hant de hark, waar me zy 't hoy vast ommewerpt,38
 
't Welk droogt, terwijl de Zon haar stralen wet en scherpt.
40
De zeissen girst door 't gras: de huismans naarstigh hoien,40
 
En 's weimans valk, om hoogh, den reiger grijpt, en bijt.41
 
Een ieder vlamt op winst: om winst is al de strijt.
Oegstmaent.
 
O Oegstmaent, 't ga u wel, daar, met gestroopten armen,
 
En naakt in 't hemt, ghy 't mes gaat drijven in den oegst.
45
Zoo wort de zeissen niet gegeten van den roest.45
 
Maar om uw' ouderdom moet zich mijn hart erbarmen.
 
Nu bint de schoof, la op, en voer haar naar de schuur.
 
Hoe zweet ghy om den kost! het zalig broot valt zuur.48
Herfstmaent.
 
De Herfstmaent gaat te merckt, op dat de huik haar passe,49
50
Daar deze tafel draaght de bloemkool, en meloen,
 
En druif, en abrikoos, en appel, en pompoen.
 
Zy pickt vast vijgen uyt, en leitze in haar kabasse.52
 
De Hartogh jaaght en schiet de harten, in 't verschiet.53
 
Onnozel hart, zie toe: ghy loopt in uw verdriet.
Wijnmaent.
55
De wijngaart krult om 't hooft van Wijnmaent, schier verdronken.55
 
Hy puiloogt vast op 't vat, waar by zijn blijschap zwoer.56
 
Hoe zwilt zijn druif! wie perst de druif in parlemoer?57
 
Hem past dat panters vel en 't root. Wien hoor ick ronken?58
 
De Farheer, in 't verschiet, danst voor de Duitsche bruit.59
60
Zijn gulle geest houdt maat op zackpijp, en op fluit.60
[p. 565]



illustratie

OEGSTMAENT
Prent van Suyderhoeff naar de schilderij van Sandrart


[p. 566]



illustratie

HERFSTMAENT
Prent van C. van Dalen naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 567]



illustratie

WIJNMAENT
Prent van R.A. Persyn naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 568]
Slaghtmaent.
 
De moede jager keert: hy heeft den haas gevangen,
 
En draaght hem op den rugh, op zy het teêr gebeent
 
Van mees en vink, en voort wat Slaghtmaent hem verleent.
 
Noch snoft zijn hazewint eens om, met groot verlangen.64
65
Stockou ziet, in 't verschiet, de wilde zwijnejaght.65
 
Al wat men jaaght in 't wilt, dat wort te Hoof geacht.66
Wintermaent.
 
Hoe treurt de Wintermaent, gelijck een weeuw, in rouwe
 
Gedompelt over 't hooft. haar kaars en glas gaan uit.68
 
Het doots-hooft spelt de doot, die 's levens draeiboom sluit.69
70
d'Onvruchtbre winter slacht een dootsche weduwvrouwe,70
 
Die noch kastanjen braat: haar almanack rolt af.71
 
Wat is een weeuw? een schim; met eenen voet in 't graf.

Hecht aen deze Maenden den Dagh en Nacht, voor den zelven Heere geschildert.aant.

De Dagh.
 
O Schoonste jongelingk, uw blonde locken zwaien
 
Om 't hooft, en in den hals, en geven eenen glans.
75
U voeght het sneeuwit kleet, uw hooft die blijde krans;
 
Uw eene hant de torts. de zonnebloemen draeien
 
In d'andre hant zich om, en volgen 't lieve licht.
 
Ghy zijt de Dagh, of voert den Dagh in uw gezicht.
De Nacht.
 
Bruinette, ick zal my aan uw schoonheit niet vergapen.79
80
Uw krans van mankop sluit om 't suizebollend hooft.80
 
De zwartheit van uw kleet geen licht van starren dooft,
 
De kloot uw elboogh stut. uw oogen moeten slapen.82
 
Twee kinders, van den slaap verwonnen, en verkracht,83
 
De nachtuil en de muis verbeelden my den Nacht.84
[p. 569]



illustratie

SLAGHTMAENT
Prent van R.A. Persyn naar de schilderij van J. Sandrart


[p. 570]



illustratie

WINTERMAENT
Prent van A. Haelwech naar de schilderij van J. Sandrart