terug  begin  verder
[p. 261]

I.V. Vondels
Leeuwendalers. Lantspel.aant.aant.

PAX OPTIMA RERUM.

t'Amsterdam, Gedruckt by Jacob Lescaille.

Voor Abraham de Wees, Boeckverkooper op den Middeldam, in 't nieuwe Testament, in 't jaer M.D.C. XLVII.



illustratie

[p. 262]

VAN 1647. AFGEDRUKT NAAR DE TEKST VAN DE eerste uitgave (t'Amsterdam, Gedruckt by Jacob Lescaille. Voor Abraham de Wees, Boeckverkooper op den Middeldam, in 't nieuwe Testament, in 't jaer 1647), waarvan het titelblad hiervoor typografies is nagevolgd. Unger: Bibliographie, nr. 444.

Het Latijnse titel-motto betekent: Vrede is het hoogste goed.

[p. 263]

Den Heere Michiel le Blon, Agent der Kroone en Koninginne van Zweden,
By de doorluchtighste Majesteit van Groot Britanje.*

MYN HEER,

1 Dichters zijn niet deurgaens zulcke ongeluckige Waerzeggers, of menr. 1 2 ziet zomtijts, oock buiten alle hope, gebeuren het geen zy een goede wijl te 3 vore spelden. Dat getuight ons de profecy des Stroomgodts van de Maze,3 4 die, eenige jaren geleden, den Hollanderen dit voorzong:

5
Zoo wort met vier het eeuwigh vier gebluscht:
 
Zoo vreet de vlam des hemels taeie roe:
 
En HENRICK houdt de heirbaen van August,
 
En sluit de poort van 't gruwlijck oorloogh toe.

9 Dees vrolijcke dagh, dees gouden dagh is ten lange leste eens opgegaen. 10 Wy hooren de zilvere vredetrompet den VREDE inblazen. Wy beleven het10 11 geenwe naulix gelooven, namelijck het gewenschte einde des eeuwigen 12 oorlooghs, die den ganschen weereltkloot met zich omtrock, en in een12 13 gedurige bloetkoortse en onruste hielt. Prins VREDERYCK HENRICK heeft13 14 zijnen naem met de daet, en alle zijne oorlooghstriomfen, en laurieren met14 15 eenen eenigen Vredetriomf, en den gezegenden olijftack gekroont, en ons 16 den Vrede, zijnen lesten adem, tot een geluckigh testament nagelaten. Hier-16 17 om magh de Hollantsche Melcker, in de schaduwe des beukebooms gedoken,17 18 den hemel en hem wel ter eere zingen:

[p. 264]
 
O Maetelief, ick hou gewis een Godt,
20
Een Godtheit, holp ons aen dit vreedzaem lot.20
 
Ick wil hem oock opoffren mijn gedachten,21
 
En lam en vaers, het puick der kudde, slaghten;
 
Dewijl hy my laet weiden zoo gerust,
 
En spelen wat mijn hart begeert, en lust.19-2424

25 Wy mosten dan mede op het spoor van Virgilius (die in 't geruste bezit van 26 zijn hoeve en lantgoet herstelt, Augustus aldus met Herderszangen eerde)26 27 den Hoogen mogenden Heeren Staten, d'assche van den Nassauschen27 28 Vredehelt, uit Keizerlijcken stamme, WILLEM, zijnen eenigen zone, Prince 29 van Oranje, en onze Burgemeesteren, die getrouwe Vredevaderen, dit 30 Lantspel toespelen, het welck wy uwe E. opdragen, die een rechtschapen30-31 31 Neêrlanders aert, uit den bloeienden welstant der Nederlanderen niet dan 32 blyschap kunt scheppen, en wiens onbloedigh ampt eigentlijck bestaet in32 33 Vrede tusschen drie en vier Kroonen aen te voeden en t'onderhouden, en33 34 Koningkrijcken door zachte zijde banden van vrientschap en eendraght 35 onderling te verbinden. Heerlijcke pallaizen zijn zelfs Koningen en hun35 36 Gezanten en Agenten zoo aengenaem niet, of het lust hun zomtijts, ten36 37 platten lande, by simpele herders en ackerluiden, zich te vermeiden, en37 38 hoffelijcke grootsheit en pracht voor kleenheit en eenvouwigheit te ver-38 39 wisselen. Ghy naemt, om u zomtijts van gewightige bekommeringen wat 40 t'ontlasten, altijt geenen lust in historischilderyen van Vorsten, Vorstelijcke40 41 personaedjen, en trotse hofgebouwen, maer oock dickwils in kunstige 42 lantschappen, dorpen, en gehuchten, van boeren en herderen bewoont; 43 en zaeght 'er met genoegen zelfs de Goden uit den hemel, in de gedaente 44 van sterflijcke menschen, den stockouden Filemon en Baucis, onder hun 45 rieten dack vergasten, hun schamele hut in eenen rijcken tempel, hen beide45 46 in boomen veranderen. Hierom durven wy den Heer Agent te vrypostiger46 47 ditmael aen den boerendisch noodigen, op natuurlijck veltgewas, in teene 48 korfkens, houte nappen, en aerdewerck aengerecht. Uwe goetrontheit en48 49 rustigheit zal ons open hart aenzien, dat zich en anderen, op dit gezegende49 50 vredefeest wenscht, uit danckbaerheit voor zulck een onuitsprekelijcke

[p. 265]

51 deught en hemelsche weldaet, te verquicken, en in het groen spelen te voeren,51 52 zonder gal, zonder erghwaen, zonder de helderheit van dien schoonen zomer-52 53 schen zonneschijn, en dat zuivere hemelblaeuw met een allerminste neveltje 54 te rimpelen en misverwen. Honighbyen zullen uit deze bloemen niet dan54 55 honigh en nekter zuigen. Indien by ongeval een spinnekop hier venijn uit55 56 trecke; het komt by haren aert, niet by de bloem toe. De Voorredenaer zal het56 57 wit van dit werck ontvouwen. Wie hier te diep in verzinckt, en neuswijs, in57 58 alle personaedjen vaerzen en woorden, geheimenissen zoeckt, zalze 'r niet58 59 visschen. Wy hebben slechts eenige verwen en geuren, die ons voornemen 60 dienen konden, uitgezocht, en onder een gemengt, en het beloop van oorloge 61 en vredehandel aldus in het klein ten ruighsten ontworpen, om alle hatelijck-61-62 62 heit te schuwen; anders had men de bloem van deze verzieringe netter op de 63 zaeck zelf konnen passen. D'aeloutheit getuight nergens dat de Heidenen63 64 Pan, maerwel Diane, menschen opofferden. Evenwel brengen wy Pan op het 65 tooneel; eensdeels dewijl de veerijckheit der Nederlanden een Veegodtheit 66 vereischt; anderdeels om iet grooters aen te wijzen, 't welk van het Heiden-66 67 dom door dien zeltzamen afgodt uitgebeelt wert. Want die vervloeckte af-67 68 godery, en het menighvouwdigh verdeelen van het enckele en eenige Wezen 69 der Godtheit in ontelbare bygoden, ter zijde gestelt, zoo schilderde Pan haer69 70 wat groots en waerachtighs voor d'oogen. Pan is in het Grieksch AL gezeit,70 71 en de natuurwijze Heidenen wouden door zijn beelt de geheele Natuur, of71 72 liever de Godtheit, die zich in alle schepselen uitstort, uitbeelden. Zijn boven- 73 ste deel vertoont den hemel; zijn onderlijf en ruige bocksvoeten, het aert- 74 rijck met zijn ruighte, en bosschaedjen, en boomen, en steenklippen. De74 75 roode troni betekent het vier, dat om hooge zweeft: de horens op het75 76 voorhooft, de maen: de lange baert, de zon met hare stralen: de gespickelde 77 huit om het lijf geslagen, de starren: de gekringkelde wichelstock in d'eene77 78 hant, het ronde jaer, 't welck zijn begin aen het einde knoopt: het speel- 79 tuigh van zeven ongelijke fluiten aen een gekleeft, de zeven dwaelstarren79

[p. 266]

80 en het goddelijck muzijck der overeenstemmende hemelklooten. Zy wouden80 81 met Pan het zelve zeggen, dat Anchises geest tegens Eneas zeide:81

 
Een innevloeiend Geest voedt hemel, aerde en zee,
 
De klare zon en maen, en alle sterren meê.
 
Een eenigh Geest, gestort door 's weerelts lijf en leden,
85
Beweeght dit groot gevaert, van boven tot beneden.82-85

86 In zulck eenen zin, en niet anders moet men vatten deze woorden van 87 eenen anderen Poeet:87

 
Al wat ghy ziet, in 't lang en breê,
 
Is Godt, het zy dan lucht, of zee.

90 D'allerootmoedighste en wijste Filosoof, die in den derden hemel, ja in90 91 den Paradijze, ter schole voer, pooghde zelf den bygeloovigen Atheneren91 92 den waerachtigen Godt, in wien wy leven en zweven, levendigh in te92-93 93 boezemen door het opschrift van hun eigen altaer, DEN ONBEKENDEN93 94 GODT toegewijdt. Het zal den Agent gelieven onze onnozele tooneelschil-94 95 dery aldus of andersins een luttel te helpen ontschuldigen, nu wy, naer den95 96 aert der weelige Poëzye en hare vryheit, onder de schors van een ver-96-97 97 ziersel, toeleggen, om jeught en burgery by deze gelegenheit vermakelijck 98 te stichten, niemant t'ontstichten, met dit Lantspel, dat niet te plat en98 99 plomp van toon moet vallen, nochte hooger dan zijn behoorlijcke maet99 100 rijzen, en welcks onbebloet tooneel doorgaens vast en stil staet: gelijck100 101 het Spel oock niet bloot behoorde te wezen van gezonde leeringen en101 102 zeden, en die beide van outs her gepreze eigendommen, de Herkennisse102 103 en den Overgangk, hier van zwaricheit en verlegenheit in blyschap en 104 geluck, het welck uwe E. in zijn doorluchtigh Agentschap toegewenscht 105 wort van

106 Uwe E. dienstschuldige

107 JOOST VAN DEN VONDEL.

[p. 267]

Inhoudt.

1 Toen de Leeuwendalers, door vrede en voorspoet verwaent en baldadigr. 1 2 geworden, op de feestspelen van vee-en-jaghtgod Pan de groote lant- 3 maeltijt hielden, gebeurde het datze, al beschoncken, en droncken, van3 4 woorden tot vuisten, en messen quamen. Waerandier, Helt genoemt, om4 5 zijn sterckheit, en vromicheit, een zoon des Woudtgodts; en Duinrijck,5 6 een zoon van Pan, zich midden onder het gevecht werpende, om onheil 7 te verhoeden, en hevigen te scheiden, lieten 'er onnozelijck hun leven.7 8 Woudt- en Veegoden hierom gestoort, plaegden het lantschap, dat sedert8 9 noit rust hadde: want Zuidtzy en Noortzy bleven door haet en nijt ge- 10 deelt, en beschadighden, en quetsten elckandere dagelijcks; de Zuidtzijde10 11 onder Lantskroon; de Noortzijde onder Volckaert, en zijn Medeheem- 12 raden. Godelieve, Waerandiers weduwe, was op haer mans lijck overleden, 13 en had eenen zoon nagelaten, Adelaert genoemt, dien Lantskroon aen- 14 nam, en opvoedde. Vredegunt, Duinrijcks zwangere weduwe, wert ge- 15 dwongen met Kommerijn, wiens man onnozelijck neergeleit was, in duin15 16 te vluchten, gelijck meer andere vrouwen; daerze van een schoone dochter 17 beviel, en op haer verscheiden leggende, Kommerijn, wiens borsten zy17 18 gezogen hadde, haren merckring gaf, en belofte van haer nam, dat ze18 19 het kint, alzoo zy voor vergift vreesde [want men uit boosheit Duinrijcks 20 bloet zocht te vernielen] zoude onbekent op Heemraet Volckaerts werf20 21 te vondeling leggen, en des zelfs herkomste twintigh jaren verbergen. 22 Aldus wert dit kint, met een bloetroos op den arm geboren, in de hage22 23 gevonden, Hageroos hier naer geheeten, en Grooten Vrerick overgelevert,23 24 die het zorghvuldigh opvoedde. Kommerijn uit haer armoetje geschupt,24 25 en hier langer geen heil te gemoet ziende, vertrock naer een vreemt ge-25-26 26 west, daerze zich armelijck en eerlijck beholp. Verscheide voorspoken 27 van aenstaende zwaricheden, en een vreesselijcke staertstar voor haer 28 vertreck opkomende, en de lantzaten dreigende, beweegden hen raet te28 29 vragen by Velleede, Priesterin en Waerzeghster van Pan, die jaerlijcks 30 eenen jongeling, ten gezetten dage wettigh by keur en lot getrocken,30

[p. 268]

31 eischte, om tot een zoenoffer der gequetste Godtheit gestelt te werden 32 ten doele des Wildemans, hun van Pan opgezonden: en hoewel men onder-32 33 tusschen dickwils by Velleede om een uitkomst aenhielt; zy troosteze33 34 niet dan met dubbelzinnigh antwoort. Na twintigh jaren keerde Kommerijn, 35 oudt en arm, weder, op het verschijnen van Vredegunt, haer radende den35 36 schuilhoeck der ballingschappe, oock door tweedracht en oproer gesteurt,36 37 te verlaten, en het vaderlant en d'oude buurt te bezoecken, daerze heur 38 geluck zou vinden. Zy quam 'er dan juist ten zelven dage, dat het bloedigh 39 lot op Adelaert viel, en hy na vele moeite ten doele des Wildemans gestelt 40 wert. Hageroos uit minne, en door Adelaerts langdurige gedienstigheit 41 bewogen [te meer, alzoo hy haer, effen te voren op de jaght, des schoffeer-41-42 42 ders handen ontweldighde] boodt zich aen voor hem te sterven; maer 43 Pan verschenen, schutte dien scheut, en schortte het offer, niet zonder een43 44 duistre uitspraeck, waer over d'omstanders verbaest stonden. Kommerijn,44 45 op dit gerucht aenkomende, en hoorende den naem van Vredegunt noemen, 46 geraeckte in gespreck met hun, broght de gelegenheit der geboorte van46 47 Hageroos aen den dagh, en wert voor haer getrouwicheit beloont. Toen 48 zagh men den dagh door het orakel, sloot het huwelijck van Adelaert en48 49 Hageroos, beide uit Ackergoden gesproten; en vereenighde en verzoende 50 in dit paer Zuidtzijde en Noortzijde. Lantskroon kende de Noortzijde van50-51 51 Leeuwendael voor een VRYHEIT op zich zelve. Men verwelkomde en om- 52 helsde malkandere van wederzijde, en hier op ging de bruiloft in.52

53Het tooneel vertoont Leeuwendael. De Rey bestaet uit Leeuwendalers.

[p. 269]

Personaedjen.

KOMMERYN. Vredegunts minnemoeder.r. 1

BLINDE WOUTER. Roeper, en bode.2

ADELAERT. Lantskroons voesterkint.

HAGEROOS. Groote Vrericks voesterkint.

REY VAN LEEUWENDALERS.

HEEREMAN. Heemraet van de Zuidtzijde.6

VOLCKAERT. Heemraet van de Noortzijde.

LANTSKROON. Heerschappen.

VRERICK. Heerschappen.

WARNER. Huismans.10-11

GOVAERT. Huismans.

VELLEEDE. Priesterin en Waerzeggerin van Pan.12

DE WILDEMAN.

PAN. Vee-en-jaghtgodt.

[p. 270]

J.V. Vondels
Leeuwendalers. Lantspel.

Voorredenaer.
 
Schoon nu alle personaedjenvs. 1
 
Ree staen, om op dees stellaedjen,2
 
Op dit groene speeltooneel,
 
In dit boere lantprieel,
5
Uit te komen, en uw ooren
 
Haere rol te laten hooren;
 
Noch zent my Taelleie hier7
 
Eerst vooruit ('t is haer manier)8
 
Om onze Aemstelnymf te groeten,9
10
En met reden te gemoeten;10
 
Want zy niet begrijpt, noch weet
 
Hoe Melpomens Treurpoëet,12
 
In Taelleies dienst getreden,
 
Dorpen kiest voor groote steden;
15
Mangelt al de pracht van 't hof15
 
Voor een stulp, en ackerstof;16
 
Leiendack voor riete daken;
 
Tabberts, die van purper blaecken,18
 
Voor een ruwe huismans py;19
20
Koningklijcke leckerny
 
Voor wat melcks, en rogge korsten;
 
Koningen en rijcke Vorsten
 
Voor een' lantman, slecht genoegh;23
 
Scepters voor een schup en ploegh;
[p. 271]
25
Kroonen, trots om op te roemen,
 
Voor een krans van boterbloemen;
 
Treurzang voor een boereliet
 
Op een fluit, of herdersriet.
 
Goelijke Aemsteljoffer, luister,29
30
Zaeghtghe Apollo niet zoo duister30
 
Schuilen in een' herdersrock,
 
Met een' hazelaeren stock,
 
En een' staf de schapen drijven?
 
Lees dan wat al d'Ouden schrijven.
35
Zaeghtghe Paris, en Adoon,35
 
Elck een Koningskint en zoon,
 
Niet op 't velt de harten winnen
 
Van hun Nymfen en Godinnen?
 
'k Gaef den Dichter ongelijck.39
40
Maer de stadt is nu te rijck40
 
Om een Lantspel te begapen,41
 
En een dorp, vol herdersknapen.
 
Herdersspelen, het is nacht,43
 
Roept de Heere- en Keizersgracht.
45
Wegh met herderinne, en boeren.
 
Legh ons marmersteene vloeren.
 
Treck de gevels hemelhoogh:
 
Trots van buiten in het oogh.
 
Bouw de zalen trots van binnen,
50
Dat een storremleêr de spinnen
 
Daer bestorme, reis op reis.50-51
 
Kleet den wandt van 't graftpallais52
 
In tapijt: ontzie geen kosten.
 
Dat de schoorsteen met haer posten54
55
Vry van louter marmer glimm'.
 
Dat de stoep by trappen klimm',56
 
Als een troon, en kunst van leunen57
 
Onzen Adel ondersteunen.58
[p. 272]
 
Dat de rijckdom, vol ontzagh,59
60
Door een ysre trali lach',60
 
En beschimpe een' kermiskinckel,61
 
Die hier kraem en poppewinckel62
 
Komt bekijcken uit het groen;63
 
En verbaest om 't nieuw fatsoen,64
65
Stockstijf staet en gaept daer buiten,
 
En vergeet zijn' mont te sluiten.
 
Zacht Mejoffer, niet te prat:67
 
Amsterdam is tot een stadt
 
Uit de groene zo gewassen,69
70
Uit haer veen, en visschersplassen.
 
Laeck den huisman niet te veel.
 
Rome roept met luider keel:72
 
'k Haelde voortijts met genoegen
 
Burgemeesters van de ploegen:74
75
Die in dorp en acker school,
 
Klom op 't gouden Kapitool.
 
Hooptghe, als Rome, noch wat verders?77
 
Danck den hemel: danck uw Herders,
 
GROOTEN VRERICK, Vooght van 't lant:79
80
Danck der landen rechte hant,80
 
Ons Stadthuis met al zijn Heeren,
 
Die het zwijn des oorlooghs keeren,82
 
Dat de weerelt ommewroet,
 
Zat en dol van menschenbloet.
85
Maer wie zal de paiskroon spannen85
 
Onder ons doorluchte mannen,
 
Vredevaders, nimmer moe?
 
Zingze prijs en eere toe.
 
Noem nu elck een' lantbeschermer,
90
Waert een beelt van gout, of marmer,89-90
[p. 273]
 
By 't gekroonde wapenkruis,91
 
Midden voor ons nieuw stadthuis;92
 
Dat gebouwt op die pylaren,93
 
D'eeuwigheit, ontelbre jaren,
95
Kan verduren, zonder last,
 
Schoon de Nijt hier tegens bast.96
 
Laet den Dichter dan geleiden
 
Door de Nederlantsche weiden
 
Met een Lantspel deze vreught;99
100
Dat u toone, hoe de Deught
 
Zoo van hooge als lage Heeren
 
Haere rol in boerekleeren
 
Uitvoer' met een boeretael;
 
Hoe dit kleine Leeuwendael
105
Durf heel Neerlant overschreeuwen,105
 
Dat met wapenen, vol leeuwen,106
 
(Nu getoomt, en mack, en tam)
 
Brullende te velde quam.
 
LANTSKROON houde 't woort van Spanje.109
110
VRERICK ga hier voor Oranje;
 
Heereman van genen kant,
 
Volckaert hier, voor Staet van 't lant,112
 
Dat gereten aen twee deelen,
 
Zuidt- en Noortzy hoort krackeelen.
115
Zie eens hoe een Wildeman
 
U wat groots verbeelden kan,116
 
En den oorloogh weet te schilderen,
 
Daer de menschen door verwilderen,
 
En alle ackers, wilt en woest,
120
Maejen eenen jammeroegst.120
 
Zie wat Wildaert u kan dwingen,121
 
Die de bloem der Jongelingen
 
Jaerlicks eischt, en helt op helt
 
Deerlijck schiet, en nedervelt,124
[p. 274]
125
Eer in 't loof van Haegsche linden125
 
Wy door Godt een uitkomst vinden,
 
Die partyen, korts zoo schuw,127
 
In een paer te gader huw'.
 
Leen dan leerzaem ons uw zinnen,129
130
Want men gaet de rol beginnen:130
 
Looptze op uw genoegen af,
 
Danck den Dichter, dieze gaf.
TEKSTKRITIEK: r. 16 Testament hebben de volgende uitgaven; alleen de oudste heeft testement.

*Michiel Le Blon: zie over hem Dl. 3, blz. 486 en Dl. 4, blz. 587.
r. 1niet deurgaens: niet altijd.
3spelden: voorspelden, verkondigden. De stroomgod van de Maas is aan het woord in de Stedekroon van Frederik Hendrik, Vondel's gedicht van 1632 (Dl. 3, blz. 384-386: daar vindt men de aangehaalde regels, met de verklaring, op blz. 386). Daar werd dus de toekomstige vrede reeds voorspeld.
10inblazen: met trompetgeschal het begin verkondigen.
12den ganschen weereltkloot: de strijd werd ook met Spanjaarden en Portugezen gevoerd in de Indiese en Amerikaanse wateren.
13bloetkoortse: deze samenstelling, die in het Ned. Wdb. ontbreekt, moet blijkens het verband met ‘oorlog’ betekenen: een bloeddorstige opwinding.
14naem: nl. Vrederyck: rijk aan vrede.
16zijnen lesten adem: als daad van zijn laatste levensdagen.
17Melcker: in herderspoëzie de veeboer, als verpersoonliking van het Hollandse arbeidende volk (zie ook Dl. 2, blz. 764, vs. 47 en 792, vs. 648).
20holp: hielp.
21opoffren: wijden.
19-24Vertaling van Vergilius' ‘herderskout’ (Bucolica, Ecl. 1, vs. 6-10), waar de herder Tityrus deze woorden zegt.
24spelen: in de latere prozavertaling: op de herderspijp spelen.
26hoeve: synoniem van lantgoet (zie blz. 160).
27Hoogen mogenden (machtige): opzettelike ontbinding van de gewone titel: Hoogmogende.
30-31toespelen: voorspelen, voor hen bestemmen; een rechtschapen Neêrlanders aert: als rechtgeaard Nederlander.
32onbloedigh ampt: als Agent van Zweden te Londen.
33drie en vier Kroonen: Zweden, Noorwegen en Denemarken tegenover de Engelse, Schotse, Ierse en Franse van de Engelse koningen (vgl. Dl. 4, blz. 587); aen te voeden: te kweken, te bevorderen.
35Heerlijcke: vorstelike; pallaizen: deze vorm ook in Voorrede, vs. 52.
36Agenten: vertegenwoordigers bij een vreemde regering. Die titel droeg Le Blon.
37simpele: eenvoudige; zich vermeiden (met hypercorrecte d): zich vermaken, zich ontspannen.
38hoffelijcke: aan het hof eigen; grootsheit: voornaamheid.
40altijt geenen: niet altijd.
45vergasten: als gasten bezoeken. Het verhaal van Zeus en Hermes, die het oude echtpaar Philemon en Baucis bezochten, komt voor bij Ovidius: Metamorphosen VIII, 621-vlg.
46vrypostiger: vrijmoediger.
48aengerecht: opgedist; goetrontheit: openhartige vriendelikheid.
49rustigheit: flinkheid, doortastendheid; ons open hart: ongeveinsdheid, argeloosheid. Vergelijk r. 52 zonder gal, zonder erghwaen; (Ned. Wdb. XI, 523); aenzien: oog hebben voor, in aanmerking nemen.
51deught: synoniem van weldaet; te verquicken: te verbinden met wenscht (50); in het groen: in een landelike omgeving; spelen te voeren (causatief van spelen varen): te doen genieten.
52gal: boosaardigheid; erghwaen: verkeerde bedoeling.
54misverwen: een onaangename, hate-like kleur te geven.
55Spreekwoord, berustend op een oud volksgeloof, dat de spin gif zoog uit de bloemen, door Maerlant aldus uitgedrukt: ‘Die bie trect honech uter brame, dats der coppen onbequame’. Vondel doelt hier op beoordelaars, die zouden menen dat hij als Katholiek eigenlik meer sympathie moest tonen voor de Zuidzijde en Spanje, dan voor de Noordzijde.
56by: door; komt toe: wordt veroorzaakt.
57wit: doel, bedoeling; neuswijs: eigenwijs.
58geheimenissen: geheime bedoelingen.
61-62ten ruighsten ontworpen: in het ruw, slechts in het algemeen geschetst; hatelijckheit: aanstotelikheid; de bloem van deze verzieringe: deze dichterlike verbeelding; netter: nauwkeuriger.
63passen op: laten slaan op, toepasselik maken op; D'aeloutheit: de klassieke Oudheid.
66iet: iets; aen: door.
67zeltzamen: biezondere.
69ter zijde gestelt: daargelaten (absolute constructie).
70is gezeit: betekent. Wat hier over Pan gezegd wordt, is ontleend aan de Iconologia van Cesare Ripa, vertaald door D.P. Pers (Amsterdam 1644), blz. 600 (zie de Aant. achterin dit deel).
71natuurwijze: die zich in de studie van de natuur verdiept hadden, de filosofen.
74ruighte: struikgewas; steenklippen: rotsen.
75troni: gelaat (niet in ongunstige zin).
77gekringkelde: kromme, gebogen.
79fluiten: rieten pijpjes, van ongelijke lengte.
80het goddelijck muzijck der hemelklooten: de harmonie der sferen, de geluiden die volgens de Pythagoreïese leer voortgebracht werden door de bewegende hemelbollen (hemelklooten).
81het zelve: het zelfde; Anchises is de vader van Eneas, die hem als geest verschijnt (Aeneïs VI, vs. 724-727, waarvan Vondel later een andere vertaling gaf).
82-85In Vondel's prozavertaling luidt deze plaats: ‘voor eerst voedt een invloeiende Geest hemel, aerde en zee, en zon en maen en starren; en een eenige Geest, den leden ingestort, beweeght het geheele gevaert der weerelt, en mengt zich in dat groote lichaem’.
87eenen anderen Poeet: Lucanus: Phars. IX, vs. 652: ‘Juppiter est quodcunque vides, quodcunque moveris’.
90Paulus. Vgl. II Corinth. XII, vs. 3-4.
91zelf: zelfs.
92-93levendigh in te boezemen: een levend besef te geven (van de ware God).
93Zie dit verhaal in Handelingen, XVII, 23.
94den Agent: de aangesproken persoon; onnozele: eenvoudige, onschadelike.
95andersins: op andere wijze; ontschuldigen: verontschuldigen.
96-97weelige: fantasierijke; onder de schors van een verziersel: onder de bedekking van een verdichte geschiedenis; toeleggen: ons er op toeleggen, de bedoeling hebben; vermakelijck: door een aantrekkelike stof.
98plat: alledaags.
99plomp: ruw, onbeschaafd.
100onbebloet: niet bloedig; doorgaens: voortdurend.
101bloot: ontbloot.
102eigendommen: eigenschappen (van het drama, volgens de leer der Ouden); Herkennisse: (Lat. agnitio), die hier in 't slottoneel voorkomt, en de Overgangk (peripetia). Vgl. hiervoor het Berecht van Vondel's Jeptha.
r. 1Leeuwendalers: Noord- en Zuid-Nederlanders, aldus genoemd naar de leeuw in het wapen (Ned. Wdb. VIII, 1372); verwaent: overmoedig.
3al: geheel.
4Waerandier: genoemd naar de vele waranden d.i. bosrijke streken, in Zuid-Nederland, is de vertegenwoordiger van de Spaanse Nederlanden, gelijk Duinrijck die van het Noorden.
5vromicheit: dapperheid.
7hevigen: verwoede strijders; onnozelijck: buiten hun schuld.
8gestoort: verstoord.
10beschadighden: brachten schade toe.
15wiens: bij Vondel ook vrouwelik gebruikt; ook in r. 17; neergeleit: gedood.
17op haer verscheiden leggende: op sterven liggende.
18merckring: zegelring met wapen (een konijn, vgl. vs. 1973).
20bloet: geslacht.
22bloetroos: een soort moedervlek (Hd. Blutrose, vgl. Ned. Wdb. II, 2873).
23overgelevert: overgedragen.
24uit haer armoetje geschupt: uit haar armoedige, schamele inboedel verdreven.
25-26een vreemt gewest: Duitsland: zie vs. 112 en 1900; daer: waar: zich beholp: in haar levensonderhoud voorzag; voorspoken: (noodlottige) voortekenen.
28opkomende: aan de hemel verrijzende; beweegden: in Vondel's taal ook zwak gebruikt.
30gezetten: vastgestelde; by keur en lot getrocken: door loting uitgekozen (vgl. vs. 55).
32ten doele: als doel, mikpunt; hun opgezonden: op hen afgezonden.
33aenhielt: aandrong.
35op het verschijnen van: na een (geest)verschijning van; zie vs. 1903.
36oock door tweedracht en oproer gesteurt: in beroering gebracht. Dit kan slaan op de dertigjarige oorlog.
41-42effen: even, juist; schoffeerder: onteerder; ontweldighde: met geweld ontrukte.
43schutte dien scheut: hield dat schot tegen; schortte: belette.
44verbaest: ontsteld.
46gelegenheit: omstandigheden.
48den dagh door het orakel: licht, klaarheid in de orakelspreuk.
50-51kende voor: erkende als; Vryheit: vrije staat.
52ging in: begon.
r. 1Kommeryn: deze naam herinnert zowel aan het Mnl. commeere (Fr. commère): doopmoeder, als aan kommer (vgl. vs. 130-131).
2Roeper: omroeper, afroeper (Mnl. Wdb. VI, 1532).
6Heemraet: lid van de dorpsraad (vgl. vs. 462).
10-11Huismans: boeren.
12Velleede: deze naam ontleende Vondel aan Tacitus (Historiae 4, 61, 65; 5, 22, 24 en Germania, 8). Zie over de andere personen de aantekeningen achter in dit deel.
vs. 1personaedjen: de dj in dit woord had in Vondel's tijd waarschijnlik reeds de klankwaarde van de Franse g.
2stellaedjen: de dichter stelt het voor alsof zijn Lantspel gespeeld wordt op een geïmproviseerd toneel op het platte land; vgl. groene in vs. 3 en lantprieel (prieel: lusthof) in vs. 4.
7Taelleie: Thalia, de Muze van het blijspel en het herdersdicht.
8't is haer manier: in de 17e eeuw werden, in navolging van de rederijkersgewoonte, de spelen vaak van een proloog voorzien, b.v. de spelen van Coster. Men denke ook aan Hooft's Warenar, die een klassiek voorbeeld daarin volgt.
9Aemstelnymf: de Stedemaagd, die de Amsterdamse burgerij vertegenwoordigt.
10met reden te gemoeten: met een toespraak tegemoet te treden; in dit verband: om ons te verantwoorden.
12Melpomens Treurpoëet: Vondel, die tot nu toe slechts treurspelen schreef (Melpomene is de Muze van het treurspel).
15Mangelt: ruilt.
16ackerstof: onderwerp aan het landleven ontleend.
18blaecken: schitteren.
19huismans py: boerekiel.
23slecht genoegh: zeer eenvoudig.
29Goelijke: bekoorlike.
30duister: onherkenbaar vermomd als herder. Bij Homerus (Ilias II) weidt hij als herder de kudden van Admetos en Laomedon.
35Paris beminde als herder de veldnimf Oenone (vgl. Deel 4, 344); Adoon: Adonis werd bemind door de godin Aphrodite.
39Als ook de dichters van de Oudheid niet dergelijke stof gekozen hadden, dan zou ik de dichter (Vondel), die dit onderwerp gaat behandelen, ongelijk geven.
40De volgende woorden geven de tegenwerping van de Amsteljoffer, die op de deftige grachten woont (vs. 44).
41begapen: met open mond, met naieve verbazing aan te zien (vgl. vs. 65-66).
43het is nacht: daarmee is het voorgoed gedaan, die zijn uit de mode (vgl. Lucifer, vs. 360).
50-51Zodat een hoge ladder nodig is om het spinrag weg te vegen.
52't graftpallais: het herehuis aan de voorname grachten.
54posten: steunzuilen.
56by trappen klimm': met trappen omhoog ga (nl. de toegang tot de hoofddeur) als naar een troon.
57kunst van leunen: kunstig gesmede leuningen.
58Adel: de koopmansaristokratie van de regenten.
59de rijckdom: de rijken; vol ontzagh: ontzag inboezemend.
60een ysre trali: de tralies van de benedenvensters.
61kermiskinckel: boerelummel, die in de stad kermis komt houden.
62poppewinckel: snuisterijen.
63uit het groen: uit zijn landelik dorp.
64't nieuw fatsoen: die nieuwmodiese produkten.
67prat: hooghartig.
69zo: zode, nl. van het weiland.
72luider: Datief-vorm na met.
74Burgemeesters: consuls. Zinspeling op het bekende verhaal van L. Quintus Cincinnatus, de oud-consul, die in 458 v. Chr. van de ploeg weggeroepen werd tot het dictatorschap op het Capitool.
77wat verders: een grote toekomst voor uw stad.
79Grooten Vrerick: Frederik Hendrik, die overleden was, toen Vondel de Opdracht schreef, leefde waarschijnlik nog, toen V. dit vers schreef; Vooght: bestuurder.
80rechte hant: rechterhand.
82het zwijn des oorlooghs (klassieke beeldspraak), Lat. sus belli: de verwoestende oorlog. De Amsterdamse regenten drongen sterk aan op het sluiten van de vrede.
85de paiskroon spannen: letterlik: de vredeskrans ombinden, d.w.z. de vrede tot stand brengen.
89-90beschermer en marmer staan in Vondel's taal als rijmklanken dichter bij elkaar dan nu beelt: standbeeld.
91't gekroonde wapenkruis: het wapen van A. met de drie kruisen en de keizerskroon.
92ons nieuw stadthuis: V. zag dat in zijn verbeelding al verrezen. In Jan. 1648 werden de eerste heipalen geslagen.
93die pylaren: E. Verwijs dacht hierbij aan de heipalen, maar Vondel doelt op de Vredevaders (87); anders zou het geaccentueerde die misplaatst zijn.
96de Nijt: allen die Amsterdam zijn roem misgunnen.
99deze vreught (geleiden): leiding, uiting geven aan deze vreugde.
105Durf: durft; overschreeuwen: zich luide laten horen, zodat het overal weerklinkt.
106vol leeuwen: verschillende provincies hadden een leeuw in hun wapen; vandaar Leeuwendaal. Tegelijk zinspeling op hun dapperheid.
109houde 't woort van: voere het woord voor, vertegenwoordige; synoniem met ga hier voor (110).
112Staet: de (Generale) Staten.
116verbeelden: afbeelden, vertonen.
120Brengen, in plaats van vruchten, slechts ellende voort; oegst (zonder g gesproken) rijmt dus op woest.
121Wildaert: de Wildeman (115) als verpersoonliking van de oorlog.
124Deerlijck: jammerlik.
125Haegsche linden: (woordspeling met haag: heg, dus: landelike en) de linden van 't Haagse Voorhout, d.w.z. de zetel van het stadhouderlik hof.
127korts: onlangs; schuw: van elkaar afkerig.
129leerzaem: leergraag; uw zinnen: uw aandacht.
130de rol: het spel (eigenlik: de tekst van het spel).
terug  begin  verder