Van 1654. Afgedrukt naar de eerste uitgave te Amsterdam, bij Abraham de Wees, den bekenden boekverkooper op den Middeldam, in 't Nieuwe Testament (Unger, Bibliogr. nr. 515) en dus waarschijnlijk gedrukt bij de Wees' gewonen drukker Dominicus vander Stichel (Unger, ib. blz. 89).
Het motto 'Praecipitemque immani turbine adegit' is ontleend aan Virgilius' Aeneïs, VI, 594, in Vondels vertaling: ‘d'Almaghtige Vader.... dreef hem met eenen vreesselijcken dwarrelwint, dat hij tuimelde’.
De titelprent, die de eerste uitgaven siert, werd blijkbaar ontworpen op Vondels tekst (en niet andersom), waarvan ze, wat de ontknooping der tragedie betreft, een synthetische illustratie geeft (zie vs. 1746-74, 1849-1936). Zoowel de halvemaanvorm van Lucifers benden als het driekantig heir van Michaël zijn aangeduid. Buiten het organisch verband van deze legerscharen zien we Michaël met zijn schubbig pantser (vs. 1737) en schittrend harrenas (1901), den gloet des blixems in de hant (1752) en den diamanten schilt (1910); en daaronder Lucifer, die van zijn wagen (1782), met Leeuw en feilen Draeck bespannen (1784, 1918), de heirbijl in de vuist, de scheemrende rondas (1788) met helm en hooft (1915) naar beneden valt. Ook het aanhangsel van het treurspel: de verdrijving van Adam en Eva uit het Paradijs (vs. 2020-2184) is onderaan afgebeeld.
De prent, die ongesigneerd bleef, is waarschijnlijk ontworpen en gesneden door Salomon Saverij (Savry), die ook de titelprenten van Vondels Amsteldamsche Hecuba (Deel 2, blz. 532) en van Palamades (ib. blz. 617) graveerde. Deze Salomon (1594-1664) behoorde tot het uitgebreide kunstenaarsgeslacht van Doopsgezinde Z.-Nederlandsche afkomst, dat den dichter ook na zijn bekeering bleef vereeren. Het Schouwburghoofd Jan Vos, die een raren ‘dans van Engelen’ als naspel van Lucifer ontwierp (Unger, 1654-55, blz. 266), schreef op de titelprent een soort reklame-gedicht, opgenomen in Apollo's Harp van 1658. Zie verder: Lucifer in Zwolsche Herdrukken (1928) blz. 143.

1 Gelyck de Goddelycke Majesteit in een ongenaeckbaer licht gezeten is; 2 zoo zit oock de weereltsche Mogentheit, die haer licht uit Godt schept, enr. 2 3 de Godtheit afbeelt, in haren glans verheerlyckt: maer gelyck de Godtheit,3-4 4 of liever opperste Goetheit, den allerminsten en ootmoedigen, met den toe- 5 gangk tot haren troon, begenadight; zoo gewaerdight de tydelycke Mogent- 6 heit oock den allerkleensten dat hy zich eerbiedigh voor hare voeten ver- 7 nedere. Op deze hoop verstout zich myne Zanggodin, van verre, aen uwe7 8 Keizerlycke Majesteit op te offeren dit treurspel van Lucifer, wiens styl wel8 9 ryckelyck de deftigheit en statigheit vereischt, waer van de Poëet spreeckt:9
13 Doch wat aen de vereischte hooghdraventheit des styls ontbreeckt, dat zal1313-14 14 de tooneelstof, titel, en naem, en doorluchtigheit des persoons vergoeden, 15 die hier, ten spiegel van alle ondanckbare staetzuchtigen, zyn treurtooneel,15-16
16 den hemel, bekleet, waer uit hy, die zich vermat aen Godts zyde te zitten, 17 en Gode gelyck te worden, verstooten, en rechtvaerdighlyck ter eeuwige 18 duisternisse verdoemt wert. Op dit rampzalige voorbeelt van Lucifer, den 19 Aertsëngel, en eerst heerlycksten boven alle Engelen, volghden sedert, by- 20 kans alle eeuwen door, de wederspannige geweldenaers, waer van oude en20-21 21 jonge historien getuigen, en toonen hoe gewelt, doortraptheit, en listige 22 aenslagen der ongerechtigen, met glimp en schyn van wettigheit vermomt, 23 ydel en krachteloos zyn, zoo lang Godts Voorzienigheit de geheilighde 24 Maghten en Stammen hanthaeft, tot rust en veiligheit van allerhande Staten,24 25 die, zonder een wettigh Opperhooft, in geene burgerlycke gemeenschap 26 kunnen bestaen: waerom Godts Orakel zelf, den menschelycken geslachte26 27 ten beste, deze Mogentheit, als zyn eige, in eenen adem, bevestight, ge-27-29 28 biedende Gode en den Keizer elck hun recht te geven. Christenryck door- 29 gaends, gelyck een schip in de wilde zee, aen alle kanten, en tegenwoordigh 30 van Turck en Tarter, bestormt, en in noot van schipbreucke, vereischt ten30 31 hooghste deze eendraghtige eerbiedigheit tot het Keizerdom, om den alge-31 32 meenen erfvyant des Christen naems te stuiten, en den Rycksbodem en zyne32 33 grenzen, tegens den inbreuck der woeste volcken, te veiligen, en te stercken;33 34 waerom Godt te dancken is, dat het hem beliefde 't Gezagh en de Kroon des 35 H. Roomschen Rycks, voor 's Vaders overlyden, op den jongsten Rycksdagh, 36 in den zone, FERDINANDUS DEN VIERDEN, te verzekeren; een36 37 zegen, waerop zoo vele volcken moet dragen, en de tooneeltrompet van3737-39 38 onze Nederduitsche Zanggodinne te moediger, voor den troon van Hoogh-38 39 duitschlant, den overwonnen Lucifer, in Michaëls triomfstaetsi ommevoert.
UWE KEIZERLYCKE
MAJESTEITS
allerootmoedighste dienaer
J.V. VONDEL.
1 Hier wort u, om uwen kunst-yver weder t'ontsteken, en uwen geestr. 1 2 teffens te stichten, en te verquicken, het heiligh treurtooneel, dat den hemel 3 afbeelt, opgeschoven. De groote Aertsengelen, Lucifer, en Michaël, elck3 4 met hunne aenhangelingen van wederzyde gesterckt, komen de stellaedje4-5 5 stoffeeren, en hun rollen spelen. Het tooneel en de personaedjen zyn zeker 6 zoodanigh, en zoo heerlyck, datze eenen heerlycker styl vereischen, en6 7 hooger laerzen dan ick haer weet aen te trecken. Niemant, die de spraeck77-8 8 van d'onfeilbare orakelen des goddelycken Geests verstaet, zal oordeelen 9 dat wy een gedichtsel van Salmoneus bybrengen, die midden in Elis, Jupyn,9 10 op zynen wagen en metale brugh, braveerende, en met een brandende10 11 fackel den blixem en donder nabootsende, van den donder geslagen wert: 12 nochte wy vernieuwen hier geen gryze fabel van den Reuzenstryt, onder12 13 wiens schorsse de Poëzy haere toehoorders reuckelooze verwaentheit, en13 14 godtlooze kerckschenderyen zocht te verleeren, en natuurkennis in te boe- 15 zemen; namelyck, dat lucht, en winden, in den hollen buick en het zwavel- 16 achtige ingewant der aerde, besloten, by wylen ademtoght zoeckende, met 17 gewelt van geborste steenrotsen, smoock, en roock, en vlammen, en aerdt-17 18 bevingen, en schrickelyck geluit, uitbersten, en hemelhoogh opgestegen, 19 in het neêrstorten, den gront van lant en zee met assche en steenen be-19-20 20 stulpen, en ophoopen. Onder de Profeten verzekeren ons van den afval
21 des Aertsengels, en zynen aenhang, Izaïas, en Ezechiël; by den Euangelist, 22 Christus, het allerwaerachtighste orakel, ons met eene stem uit den hemel22 23 bevolen te hooren; en endelyck Judas Thaddeus, zyn getrouwe Apostel; 24 welcker spreucken waerdigh zyn in eeuwigh diamant, en waerdiger in onze 25 harten geprint te worden. Izaïas roept: O Lucifer, die vroegh opgingt, hoe25 26 zytghe ter aerde geploft? die de volcken quetste, in uw harte spraeckt: Ick wil 27 in den hemel stygen, mynen stoel boven Godts gestarnte verheffen, op den 28 bergh des verhondts aen de noortzyde zitten. Ick wil boven de hooge wolcken 29 steigeren, den Allerhooghsten gelyck worden: maer ghy zult ter helle toe, in 30 den poel des afgronts, vernedert worden. Godt spreeckt door Ezechiël aldus:30 31 Ghy zyt een uitgedruckte gelyckenis, vol wysheit, en volkomen schoon. Ghy 32 waert, in de weelde van Godts paradys, bekleet met allerhande kostelycke 33 steenen, sardis, en topazen, en jaspis, en chrizoliten, en onix, en beril, safier, 34 en karbonkel, en smaragden: gout was uw cieraet. Op den dagh uwer schep- 35 pinge waren uwe schalmeien vaerdigh. Ghy breide u uit, gelyck een beschadu- 36 wende Cherubyn, en ick zette u op Godts bergh. Ghy wandelde midden onder 37 de blakende steenen. Ghy waert volschapen in uwen tredt, van den dage uwer 38 scheppinge aen, tot dat men u op boosheit betrapte. Beide deze spreucken 39 zyn, naer den letterlycken zin, d'een van den Koning van Babilon, d'ander 40 van den Koning van Tyrus te verstaen, die, by Lucifer, in hunne heerlyck- 41 heit en hooghmoet, geleken, bestraft en gedreight worden. JESUS Christus 42 ziet mede op den val van den weerspannigen Lucifer, daer hy zeght: Ick zagh42-3 43 den Satan, gelyck eenen blixem, uit den hemel vallen, en Thaddeus ontvout 44 den afval der Engelen, en hun misdaet, en de straf daer op gevolght, zonder 45 eenige bewimpelinge, beknopt op deze wyze: Doch hy beeft de Engelen, 46 die hunne hoogheit niet bewaerden, maer hun behuizinge verlieten, met eeuwige46 47 banden van duisternisse, tegens het oordeel des grooten Godts bewaert. Wy47 48 stuiten dan met deze goude spreucken, en inzonderheit met Judas Thaddeus, 49 leerling en afgezant des hemelschen Leeraers, en Konings aller Koningen,49 50 gelyck op eenen diamanten schilt, alle de pylen der ongeloovigen, die de 51 zekerheit van der Geesten afval zouden durven in twyfel trecken. Behalve 52 dit onderstut ons ten overvloet doorgaends d'eendraghtige en eerwaer-52
53 dighste aeloutheit der godtvruchtige Outvaderen, die in den gront dezer53 54 geschiedenisse overeenstemmen: doch om de Kunstgenooten niet op te 55 houden, zullenwe ons met drie plaetsen genoegen; d'eerste getrocken uit55 56 den heiligen Cypriaen, Bisschop en Martelaer te Karthago, daer hy schrijft:56 57 Hy, die te vore door een Engelsche Majesteit ondersteunt, Gode aengenaem57 58 en waert was, borst, toen hy den mensch naer Godts beelt geschapen zagh,58 59 door eenen boosaerdigen naeryver uit, hem door ingeven van dien naeryver59 60 niet eer ten val brengende, voor dat by zelf door dien naeryver ter neêr gestort 61 lagh, gevangen eer hy ving, bedorven was eer hy hem bedorf; terwyl hy, van61 62 Nydigheit aengeprickelt, den mensche van de genade der onsterfelyckheit, hem 63 geschoncken, beroofde, en zelf oock verloor het gene hy te vore hadde. De 64 groote Gregorius bestelt ons de tweede spreuck: Dees afvallige Engel, ge-64-65 65 schapen om boven d'andere regementen der Engelen uit te blincken, is door zyn 66 hoovaerdy zulx ter neder gestort, dat hy nu de heerschappye der stantvastige66 67 Engelen onderworpen blyft. Het derde en leste bewys scheppen wy uit de 68 predikatien van den honighvloeienden Bernardus: Schuwt de hoovaerdy:68 69 ick bidde u schuwtze toch. d'oirsprong van alle overtredinge is hoovaerdy, die 70 Lucifer zelf, klaerder dan alle starren uitblinckende, met een eeuwige duister- 71 nisse heeft verdonckert. zy heeft niet alleen eenen Engel, maer den oppersten 72 van alle Engelen in eenen Duivel verandert. De Hoovaerdy en Nydigheit, 73 twee oirzaecken of aenstokers van dezen afgrysselycken brant van twee- 74 draght en oorloge hebben wy uitgedruckt, onder het gespan van twee be-75 75 starnde dieren, den Leeuw, en den Draeck, die voor Lucifers oorloghswagen 76 gespannen, hem tegens Godt en Michaël aenvoeren; aengezien deze dieren 77 twee zinnebeelden van deze hooftgebreken verstrecken: want de Leeuw, 78 der dieren Koning, gemoedight door zyne krachten, acht uit verwaentheit78 79 niemant boven zich zelven; en de Nydigheit quetst met hare tong den 80 benyden van verre, gelyck de Draeck, met het schieten van zyn vergift, 81 zynen vyant van verre quetst. Sint Augustyn, deze twee hooftgebreken81 82 Lucifer toe-eigenende, maelt ons den aert der zelve levendigh af, en zeit
83 dat de Hoovaerdy is een liefde tot zyn eige grootsheit; maer de Nydigheit83 84 een haetster van een anders geluck: waer uit klaer genoegh blyckt wat hier 85 uit geboren wort: want een iegelyck, zeit hy, die zyn eige grootsheit bemint, 86 benyt zyns gelycken, naerdienze met hem gelyckstaen; of benyt zynen 87 minder, op dat die hem niet gelyck werde; of die grooter zyn dan hy, om 88 datze boven hem staen. Nu dewyl de dieren zelf van verdoemde Geesten 89 misbruickt en bezeten worden, gelyck in den aenvang de Paradysslang, en89 90 in de heileeuwe de zwynskudden, die met een groot gedruis in zee stortten;90 91 en dewyl de gestarnten aen den hemel zelfs by dieren afgetekent, oock by91 92 de Profeten gedacht worden; gelyck de Pleiades of Zevenstar, en Arcturus,92-4 93 Orion, en Lucifer, zoo gelieve het u de weeligheit en leerzaemheit der 94 tooneelpoëzye te vergeven, dat de rampzalige Geesten zich op ons tooneel 95 hier mede wapenen, en verweeren: want den helschen gedroghten niets95 96 eigener is dan slimme treken, en het misbruick der schepselen, en ele-96 97 menten, tot afbreuck van d'eere en den naem des Allerhooghsten, zoo 98 verre hy dit gehengt. Sint Jan, in zyne Openbaringe, beelt de hemelsche98 99 geheimenissen, en den stryt in den hemel, door den Draeck uit, wiens staert 100 nasleepte het derde deel der starren, by de Godtgeleerden op d'afvallige100 101 Engelen geduit; waerom men in Poëzye de gebloemde wyze van spreken101 102 niet al te neuswys behoort te ziften, nochte naer de scherpzinnigheit der102 103 schoollessen te regelen. Oock moeten wy onderscheiden de tweederhande 104 personaedjen, die dit tooneel betreden, namelyck quaetwillige en goede 105 Engelen, die een ieder hun eige rol speelen; gelyck Cicero en de voeghe-105 106 lyckheit zelf ons elcke persoonaedje, naer heuren staet en aert, leeren 107 uitbeelden. Ondertusschen ontkennen wy geensins dat heilige stof den 108 tooneeldichter nauwer verbint, en intoomt dan weereltsche historien, of108 109 Heidensche verziersels; onaengezien d'oude en befaemde hantvest der109 110 Poëzye, by Horatius Flakkus, in zyne Dichtkunste, met deze vaerzen uit-110 111 gedruckt:
114 Doch hier dient inzonderheit aengetekent hoe wy, om den naeryver der 115 hooghmoedige en nydige Geesten te heftiger t'ontsteken, den Engelen de 116 geheimenis van het toekomende menschworden des Woorts, door den
117 Aertsëngel Gabriël, Gezant en Geheimenistolck der Godtheit, eenighzins117 118 ontdecken; hier in [onder verbeteringe] volgende, niet het gevoelen der118-19 119 meesten, maer zommiger Godtgeleerden, naerdien dit ons treurtafereel 120 rycker stof en luister byzet; zonder dat wy evenwel, in dit punt, noch in 121 andere omstandigheden van oirzaken, tyt, plaetse, en wyze [waer van wy 122 ons dienden, om dit Treurspel krachtiger, heerlycker, gevoeghelycker en 123 leerzamer uit te voeren;] de rechtzinnige waerheit opzettelyck willen in123 124 het licht staen, of iet, naer ons eige vonden, en goetduncken, vast stellen. 125 Sint Pauwels, Godts geheimenisschryver aen de Hebreen, verheft zelf,125125-35 126 benydenswaerdigh genoegh, tot afbreuck van het Ryck der logenen en 127 verleidende Geesten, de heerlyckheit, maght en Godtheit van het mensch- 128 geworden Woort, door zyn uitstekentheit boven alle Engelen, in naem, in 129 zoonschap, en erfgenaemschap, in het aenbidden der Engelen, in zyne129 130 zalvinge, in zyne verheffinge aen Godts rechte hant, in de eeuwigheit zyner 131 heerschappye, als een Koning over de toekomende weerelt, en de oirzaeck 132 en het einde aller dingen, en een gekroont Hooft der menschen en Engelen, 133 zyne aenbidders, Godts boden, en geesten, gezonden ten dienst der men- 134 schen, erfgenamen der zaligheit, welcker natuur Godts Zoon, de Engelen134-35 135 voorbygaende, in het bloet van Abraham aenneemt. By gelegenheit van 136 deze onschult achte ick niet ongerymt hier ter loop iet aen te roeren tot136-37 137 onschult van tooneel en tooneeldichteren, die Bybelstof voorstellen, naer- 138 dienze by wylen opspraeck onderworpen zyn; gelyck trouwen's menschen138 139 zinnelyckheit verscheiden is, en d'ongelycke getempertheit der herssenen139 140 veroirzaeckt dat d'een treck tot een zelve zaeck heeft, die den anderen 141 tegens het hart steeckt. Alle eerlycke kunsten en oefeningen hebben hare141 142 be-yveraers, en tegenwryters, oock hun recht gebruick, en misbruick. De142 143 heilige treurspeldichters hebben, onder de oude Hebreen, tot hun voor-143
144 beelt den Poëet Ezechiël, die den uittoght der twalef Stammen uit Egypten144 145 in Griex nagelaten heeft; onder d'eerwaerdige Outvaders hebben zy het 146 groote licht uit den Oosten, Gregorius Nazianzener, die zelf den Gekruisten146-47 147 Verlosser in Griecksche tooneelvaerzen uitbeelde; gelyck wy noch van147-48 148 wylen den Koningklycken Gezant, Hugo de Groot, dat groote licht der 149 geleertheit en vromicheit onzer eeuwe, sint Gregorius spoor naerstrevende, 150 voor zyn treurspel van den Gekruisten, in Latyn beschreven, en dien on- 151 vergangklyken en stichtigen arbeit eer en danckbaerheit schuldigh blyven. 152 Onder d'Engelsche Onroomschen heeft de geleerde pen van Richard152 153 Baker, Lucifer en al den handel der oproerige Geesten, oock vry breet in153-54 154 't rymeloos uitgestreken. Wel is waer dat de Vaders der oude Kercke de 155 gekristende tooneelspeelders buiten de gemeenschap der Kercke keerden,155 156 en het tooneelspel van dien tyt heftigh bestreden: maer let men 'er wel op,156 157 de tyt en reden van dien was heel anders gelegen. De weerelt lagh toen157 158 noch diep, op vele plaetsen, in Heidensche afgoderye verzoncken. De gront 159 des Christendoms was noch onbestorven, en de tooneelspelen werden159 160 Cybele, der gedroomde Goden moeder, een groote afgodinne, ter eere ge-160 161 speelt, en gehouden voor een verdienstigh middel om hier door lantplagen161 162 van den hals des volcks af te keeren. Sint Augustyn getuight, hoe de162 163 Heidensche Aertspriester, een bedienaer van Numaes instellingen en af-163 164 godendienst, te Rome, ter oirzaecke van een zware pest, de tooneelspeelen 165 eerst instelde, en door zyn gezagh bekrachtighde. Scaliger zelf bekent datze,165
166 om de gezontheit des volx te verwerven, door ingeven van de Sibille inge-166 167 stelt waren; in voegen dat dit spelen eigentlyck streckte tot een krachtigh167 168 voedtsel van de blinde afgoderye des Heidendoms, en verheffinge der af- 169 goden; een ingekankerde gruwel, wiens uitroien den eersten kruishelden,169 170 en de gedurigh worstelende Kercke op zoo veel zweet en bloet stont, maer 171 nu lang uitgestorven, geene voetstappen in Europe laet. Dat dan de H. Out-171-72 172 vaders die tooneelen hierom, en te gelyck om het bederf der zeden, en 173 andere openbare en schaemtelooze misbruicken van naeckte jongelingen, 174 vrouwen en maeghden en andere vuilicheden bestraften, was noodigh en 175 loflyck, gelyck het in dien gevalle noch zoude zyn. Dit nu overgeslagen,175 176 laet ons het nut en den oirbaer van stichtelycke en vermakelycke spelen niet176 177 te licht wechworpen. Heilige en eerlycke voorbeelden dienen ten spiegel,177 178 om deught en Godtvruchtigheit t'omhelzen; gebreken, en d'elenden, daer 179 aen gehecht, te schuwen. Het wit en ooghmerck der wettige Treurspelen179 180 is de menschen te vermorwen door schrick, en medoogen. Scholieren, en180 181 opluickende jongkheit worden door spelen, in talen, welsprekentheit, wijs- 182 heit, tucht, en goede zeden, en manieren, geoefent, en dit zet in de teere 183 gemoeden en zinnen, een ploy van voeghelyckheit en geschicktheit, die183 184 hun, tot in den ouderdom toe, byblyven, en aenhangen: ja het gebeurt by 185 wylen dat overvliegende vernuften, by geene gemeine middelen te buigen,185 186 noch te verzetten, door spitsvondigheden en hooghdravenden tooneelstyl186 187 geraeckt, en, buiten hun eigen vermoeden, getrocken worden: gelyck een 188 edele luitsnaer geluit geeft, en antwoort, zoo dra heur weêrgade, van de 189 zelve nature en aert, en op eenen gelycken toon, en andere luit gespannen, 190 getokkelt wort van een geestige hant, die, al speelende, den tuimelgeest190 191 uit eenen bezeten en verstockten Saul dryven kan. De historien der eerste191 192 Kercke bezegelen dit met de gedenckwaerdige voorbeelden van Genesius192-93 193 en Ardaleo, beide tooneelspeelders, in den Schouburgh, door den H. Geest
194 verlicht, en bekeert; terwylze, onder het spelen, den Christenschen Godts- 195 dienst willende beschimpen, overtuight wierden van de waerheit, dieze 196 geleert hadden, uit hun deftige speelrollen, doorgaends beter gestoffeert196 197 met pit van wysheit dan laffe redenen, uren lang in den wint gestroit, en197 198 eer verdrietigh dan leerzaem. Men worpt ons, ten opzichte van Bybelstoffe, 199 voor, dat men geen spel met heilige zaecken behoorde te spelen; en zeker 200 dit zou wat schyns hebben in onze tale, die juist het woort van Spel mede 201 brengt: maer wie slechts een woort of anderhalf Griecks kan uitstamelen, 202 weet wel dat dit woort by Griecken en Latynen geen gebruick heeft in dien202 203 zin: want Τραγῳδία is een koppelwoort, en betekent eigentlyck Bockezang,203 204 naer der herderen wedgezangen, ingestelt om met zingen eenen Bock te 205 winnen, uit welcke gewoonte de treurzangen, en sedert de tooneelspelen, 206 hunnen oirsprong namen: en wil men ons immers dus ongenadigh knuf-206 207 felen om het woort Spel, waer blyvenwe dan met orgelspel, Davids harp- 208 en zangspel, en het spel van tien snaren, en ander fluit- en snarespel, by208-09 209 verscheidenheit van Onroomschen, in hunne vergaderingen ingevoert? 210 Wie dan dit onderscheit vat, zal wel, het misbruick der tooneelkunste be- 211 bestraffende, het rechtmatigh gebruick niet ongenadigh vallen, en dezen211 212 heerlycken ja Goddelycken vont, een eerlycke uitspanninge, en honigh-212 213 zoete verquickinge van 's levens moeielyckheden, de jeught, en kunstbe- 214 minnende burgerye niet misgunnen; op dat wy, hier door gemoedight,214 215 Lucifer met meer yvers ten Treurtooneele voeren, daer hy, endelyck, van 216 Godts blixem getroffen, ter helle stort, ten klaren spiegel van alle ondanck-216 217 bare staetzuchtigen, die zich stoutelyck tegens de geheilighde Maghten, 218 en Majesteiten, en wettige Overheden durven verheffen.
1 Lucifer, d'Aertsengel, opperste, en doorluchtighste boven alle Engelen, 2 hoovaerdigh en staetzuchtigh, uit blinde liefde tot zyn eige, benyde Godtsr. 2 3 onbepaelde grootheit, oock den mensch, naer Godts beelt geschapen, en in 4 het weeligh Paradys met de heerschappye des aerdtbodems begiftight. Hy 5 benyde Godt en den mensch te meer, toen Gabriël, Godts Herout, alle55-6 6 Engelen voor dienstbare Geesten verklaerde, en de geheimenissen van Godts 7 toekomende menschworden hun ontdeckte; waer door het Engelsdom voor-7 8 bygegaen, de waerachtige menschelycke natuur, met de Godtheitvereenight, 9 een gelycke maght en Majesteit te verwachten stont: waerom de hoovaer- 10 dige en nydige Geest, poogende zich zelven Gode gelyck te stellen, en den 11 mensch buiten den hemel te houden, door zyne medestanders, ontelbare 12 Engelen oprockende, wapende, en tegens Michaël, 's hemels Veltheer, en12 13 zyne heirkrachten, onaengezien Rafaëls waerschuwinge, aenvoerde; en af-13 14 gestreden, na de neêrlaegh, uit wraecke den eersten mensch, en in hem alle14 15 zyne nakomelingen, ten val broght, en hy zelf met zyne weêrspannelingen ter helle gestort, en eeuwigh verdoemt wert.15
Het tooneel is in den hemel.*