De werken van Vondel. Deel 5. 1645-1656


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft en A.A. Verdenius


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Vijfde deel 1645-1656. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1931


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 5]

Het leven van Vondel door Dr. J.F.M. Sterck
V 1645-1656

Men krijgt den indruk, dat Vondel, naar zijn innige overtuiging, in 1646 een hoogtepunt had bereikt op den berg der Muzen; doch niet door een dichtwerk van zijn hand; want in Juni verscheen ‘Publius Virgilius Maroos Werken vertaelt door J.v. Vondel’, in proza. Zoo had hij althans zijn dichterlijk ideaal van verre kunnen benaderen: den verheven Mantuaan. Zoo had hij aan zijn landgenooten de schoonheden bekend gemaakt, die hij zich reeds sedert lang tot voorbeeld had gesteld.

Een lang voorbereide uitslag van zijn ijverige oefening gaf hij met zijn verdietsching in het licht. In een der uitgaven komt een opdracht voor, weliswaar onderteekend ‘Prudenter’, maar stellig door Vondel gedicht:

 
Hier streeft de Zwaen, Augustus' Hofzwaen, henen,
 
En strijckt de schoonste lauwerkroon:
 
Zijn brave zwier en hooge toon
 
Verrucken my. Moght ick zijn schachten leenen!

‘Moght ick zijn schachten leenen!’ Hoe vurig verlangt de dichter den Hofzwaan ook in verzen te vertolken; hij vervolgt: ‘'K loop Maro in het weeligh groen bejegenen, Zoo dra zijn fluit den weerklanck port’. Maar nog jaren zou het duren eer de geheele Virgilius in verzen konde gereed komen. Intusschen is zijn invloed voortdurend merkbaar in Vondels gedichten.

In een kernachtige opdracht had de dichter zijn boek aangeboden aan 's Prinsen geheimschrijver, Constantijn Huygens,

[p. 6]

de rechterhand van Zijne Hoogheid; deze had den naam toen ten onzent stellig de meest kunstzinnige geleerde te zijn, en de meest bevoegde rechter in de poëzie. Wel gevoelde Vondel het als een gebrek, dat ‘de vertolcker liever Augustus' Hofzwaen in rijm en op maet mocht leeren opzingen’; doch hij wil zich verontschuldigen: ‘maer hoeveel meer had'er de Mantuaen van zijn vederen moeten laten, indien men zijnen geest door benaeutheid van voeten en rijm bestont te prangen en te knijpen, en uit verlegenheit te rucken, te plucken, en ter noot doorgaens met geleende pluimen van rijm-en-noodige stopwoorden te decken’.

Na vele jaren zou Vondel er anders over denken. Huygens ontving het boek in het leger. In wat termen hij Vondel heeft bedankt, is niet bewaard. Ook Hooft werd met een presentexemplaar vereerd, als wilde Vondel hem het eerst de hand reiken ter verzoening na hun scheiding en diepgaande meeningsverschillen.

Een Jood, schrijft hem Vondel, had eens geweigerd zijn Koninklijcke Harp aan te nemen, omdat het zijn sabbath was. Ook de Drost, meent Vondel, zou misschien bezwaar kunnen hebben tegen het aanvaarden van zijn Virgilius, omdat hij daardoor gestoord zou kunnen worden op zijn ‘Staetsabbath’, dat is zijn politieken rust- en devotiedag. Een stille herinnering aan 1643, toen Vondel Hooft als ‘devoot-politijck’ had betiteld tegenover Vondel als ‘devoot-catholijck’. Hierna was toen een verkoeling ontstaan in beider onderlinge kunstbroederschap.aant.

‘Speelsche ironie in den aanvangszin’, zoo kenschetst De Klerk dezen brief,1) ‘goedlachsche vertrouwelijkheid verder, weemoed zelfs aan het slot, toch altijd een glimlach heel uit de hoogte. Het fijn-beheerscht spottende in den eersten zin met die leukluimige herinnering aan het grappige geval en de vlijmend-vernuftige toepassing er van op Hoofts uit Staat- en kerkgeschil ontstane verkoeling, Staetsabbath, vooral dat eene ondeugende woord - Hooft voelde het in eens koud enfel als een bliksemvonk’.

Vondel trachtte den hooghartigen Drost nu te bewegen door een Sint Virgilius-feestdag voor te stellen, waarop alle verschillen

[p. 7]

afgedronken zouden worden. Vondel herinnert aan de vroolijke dagen van weleer, aan de grapjes van beider vriend Mostert; alles om Hooft gunstig te stemmen. Vele goede vrienden, herdenkt hij, zijn gestorven: Reael, Plemp, Baeck, Blaeuw, Victorijn en Mostert. De Groot is ook al heen. Een teeken, dat wij zullen volgen: ‘Godt geve ter zaliger ure’.

Hun herdenking vermocht Hoofts hart toch niet te bewegen; hij antwoordt hoog en koel met een kort bedankbriefje. Ook hij haalt een oude herinnering op: aan Vondels hoogvereerden Vader des Vaderlands, Oldenbarneveldt. Deze wilde niet weten van heilige dagen vieren, als er in de Staten van Holland nog te arbeiden viel. Wat Vondel dus figuurlijk bedoelde neemt Hooft kwansuis op als letterlijk. De Drost wil ook van geen staatsabbath hooren, die hem zou verhinderen Vondels geschenk aan te nemen.

Vondel kan ook niet nalaten, zoowel aan Huygens als aan Hooft te herinneren, dat het geloof nu voor hen geen bezwaar behoeft te zijn tegen aanvaarding van zijn geschenk. ‘Want hier geen zaken verhandelt worden, waerover men tegenwoordigh strijt voert’, dus geen godsdienstkwestie, schrijft hij aan Huygens; en aan Hooft: ‘Het is Maro en geen kerkgeschil’.

Doch onder elkander meesmuilden de vrienden over Vondels vertaling. ‘Gij hebt Vondels Virgilius gelezen’, schreef van Baerle in een Latijnschen brief aan Huygens, ‘of ten minsten gezien, maar zonder leven, zonder mergh, en de lenden gebrooken’.

‘Maar’ schrijft Brandt, ‘die grondige kennis hadden van de Hollandtsche taale en hare eigenschappen, oordeelden, dat zijn taal in dit werk onverbeterlijk was; en dat men nergens, waar Duitsch [d.i. Nederlandsch] gesproken wordt, iemant vinden zou, die Hollantsche woorden en spreekwijzen zou weeten te vinden, de kracht van Maroos Latyn zoo naa uitdrukkende, als hij doorgaans hadt gedaan’.

Barlaeus, die zich zelden in het Hollandsch uitdrukte, en steeds in het Latijn dacht en schreef, was zeker geen bevoegd beoordeelaar van Vondels taal.

En Vondel lag zijn vertaling zóó na aan het hart, dat hij er niet

[p. 8]

van kon zwijgen. Want, toen Louise Maria de Gonzaga, op weg naar haar gemaal, koning Uladislaus van Polen, te Amsterdam vertoefde, gaf Mantua, haar vaders Hertogdom, tevens Virgilius' geboorteplaats, den dichter stof, om, bij zijn gelukwensch-verzen, ook in herinnering te brengen, dat hij: ‘Augustus trotsche Zwaen In Duitsch vertolleckt’, voor ‘Koningin Louyze, Die's Mantuaners wieg bewaert’. Bij haar portret wordt de Mantuaner opnieuw herdacht.

Zijn oude vrienden, de Hinlopens op den Eickhof, wil hij op de voorlezing van de herdersdichten vergasten, en ze komen voordragen aan Katharina en Anna. Maar ziekte in zijn gezin noopt den dichter tot uitstel. De vreugde van het buitenleven wil hij haar niet ontzeggen: ‘Maer spaerze op een gelegen tijt, Die Goeilants herderinnen sticht, In Duitsch met Maroos herdersdicht, Alreede in 't rijmeloos vertaelt; Waerdoor mijn geest wat adems haelt’.

Ja, Vondel had wel verwacht, zooals hij in de opdracht aan Huygens schreef: dat den Latijnen deze vertaling min zou behagen dan den Nederduitschen, ‘wanneer ze zien, hoe de Fenix hier vrij wat van zijne blinkende vederen gelaten hebbe’. De dichter had zich in de Nederduitschen niet vergist. In 1646 verschenen drie uitgaven van zijn werk in verschillende formaten, ook in 12o zakformaat, als reislectuur, zooals bijna alle volgende drukken. Vervolgens in 1652, tweemaal in 1659, en zoo voort.

Al schijnen verschillende gedichten in dien tijd te duiden op een bezoek van Vondel aan Zuid-Nederland, aan Antwerpen, misschien Mechelen, (zie Leven IV, blz. 35), - voor zulk een reisje vallen toch geen directe bewijzen bij te brengen. Overigens wijst ook het gedicht: ‘De Druckkunst, aen Balthasar Moerentorf’, weer zóó dringend op een persoonlijke relatie met het Zuiden, dat een uitstapje niet ondenkbaar is. Vondel schildert daarin de Plantijnsche drukkerij zóó duidelijk, dat hij haar zelfs met den typograaf aan de zetkast gezien kon hebben. De nauwe bekendheid van Vondel met Balthasar Moretus II, die o.a. in 1640 te Amsterdam verbleef, wordt voldoende aangetoond door

[p. 9]

Dr. Maurits Sabbe, die ook vermeldt, dat Vondels dochter Anna in Juli 1643 te Antwerpen logeerde bij Balthasar Moretus II. Zij keerde toen naar Amsterdam terug wegens de bruiloft van haar broer Joost Jr. met Aeltje van Bancken. Dr. Sabbe trekt dan de conclusie, dat men kan veronderstellen, hoe Vondel en de zijnen zeker in meer dan één omstandigheid van hun leven ook anders dan in gedachten terugkeerden naar de stad aan de Schelde, vanwaar hunne verwanten in beroerlijke tijden eens waren uitgeweken1).

Kort nadat Vondel Louise Maria van Mantua had gehuldigd, in 1646, kwam Frederik Willem, zoon van den Keurvorst van Brandenburg, uit Kleef naar 's Gravenhage, als bruigom van Frederik Hendriks oudste dochter Maria Henriëtte. Vondel vond hierin aanleiding dit huwelijk te bezingen in een majestueus gedicht ‘De Kleefsche Hofzwaen’, opgedragen aan de Bruid. De titel herinnert weer aan ‘Augustus' Hofzwaen’. Onvermoeid was de dichter in verzen tot lof van den Prins en de zijnen.

Dat Vondels geloofsgenoot, de advocaat Joan de Witte, die in hetzelfde jaar zijn gouden ambtsfeest vierde, ook zijn rechtsgeleerde raadsman is geweest in de moeilijke jaren, valt wel op te maken uit het hartelijke gedicht, dat in gouden letters op blauw satijn gedrukt, den feesteling werd toegewijd. Bij de Witte's dood in 1653 heeft Vondel hem herdacht in een ‘Grafschrift’, met de onderteekening ‘Prudenter’, dat nog in geen Vondeluitgave is opgenomen, maar duidelijk 's dichters taal verraadt.

Waren wij in Deel IV vooruitgeloopen op de biographie om meer eenheid te brengen in het verhaal van het Brandt-Westerbaen-bedrog; - alvorens de groote treurspelen, Maria Stuart, Leeuwendalers, Salomon en Lucifer te bespreken, komen hier nog enkele kleinere gedichten in aanmerking, die tot een vroegere periode behooren. Op 1643 wordt bibliographisch geplaatst een eigenaardige ‘Rey van Bacchanten’, die het eerst gevonden wordt in een dier typische liedboekjes, welke in den regel, door een ofc anderen drukker, bijeengebrachte stukjes en wijsjes bevatten, meestal dateerend uit veel vroegere jaren.

[p. 10]

In ‘Het Eerste Deel van d'Amsteldamsche Minnezuchjens Op verscheyde nieuwe wijsjes Door Lievende Gheesten uyt ghestroyt. Gedruckt voor Ailtie Verwou’ 1643, komt ook deze ‘Rey van Bacchanten’ voor. Het is blijkbaar een gedicht uit Vondels vroegere jaren, want het komt vreemd uit tusschen de ernstige verzen, die toen zijn geest bezielden. Er valt hier geen aanleiding voor te vinden. Van Lennep en Van Vloten plaatsen het dan ook op 1636. Vele jaren daarna, toen ‘Lucifer’ den ijver der predikanten weer tegen Vondel had gaande gemaakt, kwam een ‘Rey van Boschbacchanten’ in de ‘Uitvaert van Orfeus’, dien vroegeren Bacchantenrey weer in herinnering brengen door inhoud en rhythme, en 's dichters hekelzucht weder opwekken ter verdediging van zijn treurspel.

Vondels dichterlijke relaties met Zweden, het Rijk van de schrandere koningin Christina, komen het eerst aan den dag in een geestigen bruiloftszang op het huwelijk, in 1643, van Cornelis Le Blon, zoon van den Zweedschen Gezant Michaël Le Blon, met Elisabeth van den Kerckhove. De dichter draagt, wel opmerkelijk, zijn verzen op aan den Zweedschen Rijkskanselier Axel Oxenstern, den voornamen beschermer van Hugo de Groot, als Gezant van Christina. Dan begint voor Vondel een tijd van wederzijdsche waardeering met de Le Blons. Een dochter van Michiel, Isabella, was reeds in 1636 overleden, en door Vondel met een Grafdicht, en Vertroosting aan de ouders herdacht. Hij ontvangt van den Gezant een portret van de reeds katholizeerende Vorstin, waarop de dichter in een uitvoerigen lofzang: ‘Afzetsel der Koningklycke Printe’, dat is afdruk van het koninklijke portret, haar verheerlijkte.

Christina gaf ook nu weer blijk van haar hoogschatting voor Hollandsche geleerden door aan Vondel een gouden draagpenning met dito keten te vereeren, waarop haar beeltenis was weergegeven. Het geschenk bereikte hem echter pas in 1649, waarna hij in een ‘Danckoffer’ haar zijn erkentelijkheid betuigde. Ook aan de kinderen van Le Blon, ‘toenze door last van hunnen heere vader, den Agent, my de koningklycke keten en medalje

[p. 11]

van Koningin Christine om den hals hingen’, uitte Vondel zijn dankbaarheid in een gedicht: Wieroock. Aan wien kon hij toen zijn Leeuwendalers beter opdragen dan aan zijn kunstzinnigen beschermer Michiel Le Blon.

Dichter vóór alles, bleef Vondel toch een nijver en degelijk koopman, vol belangstelling voor den bloei van Europa's eerste koopstad aan 't IJ. Hoe mooi komt dit uit in zijn gedichten op de Amsterdamsche Beurs, dat ‘Doorluchtigh koopslot, meesterstuck Van Keijzer’. Geestig stelt hij daar ten toon den levendigen handel in geld en goederen; maar ook soms: ‘Eens koopmans gasthuis vol getreurs’, wanneer ‘De Beurs heeft oock haer Martelaren’; en den wissel, die ‘op en neêr draeft’ in koers, als een postpaard, en wel eens ‘knecht van heer maakt’. Vondel blijkt uit zijn beschouwing van den beurshandel een voorzichtig koopman te zijn. ‘Wie weet, wat kans u zal gemoeten?’ roept hij den speculanten toe. Vondels zijdehandel verkeerde toen nog in hoogen bloei. Zijn jaarlijksche rekening bij de stadswisselbank, sedert 1635, beliep wel eens over de ƒ40.000, in 1637 zelfs ƒ42.000. Uit het bewaarde winkelboek van den zijdehandel, dien Clementia zelfstandig dreef, blijkt dat de dichter ook bij haar zijn zijdevoorraad aanvulde. Maar na den dood van zijn vrouw in 1635, en na het verlies van Sara Cranen, zijn moeder, in Mei 1637, schijnen zijn zaken gaandeweg verminderd te zijn, totdat na 1652, dus toen Joost Jr. in ‘De Trouw’ zijn zaken kwam doen, Vondels naam geheel verdwenen was uit de wisselbank, en zijn zoon dien door zijn roekeloozen zakenhandel had geschandvlekt.

Een merkwaardig lot heeft ‘Het Pater Noster des zaligen Vaders en Apostels van Oost Indien, François Xaveer’ ondervonden, welk ‘Heiligh kerkjuweel’ Vondel in een gedicht heeft vereeuwigd. Eenige Portugeesche Jezuïeten, die te Bahia in Brazilië een missiestatie hadden gevestigd, zagen deze bloeiende stichting in 1624 door de mannen van Piet Hein uitgeplunderd en verbrand, terwijl de missionarissen op de schepen werden weggevoerd naar Amsterdam. Een hunner, de Overste, pater Domingo Coelho, was in het bezit van den rozenkrans, die in handen viel van de

[p. 12]

plunderaars. De Overste wist door Albert Coenraedsz. Burgh, een der Burgemeesters, die den Katholieken niet ongenegen was, te verkrijgen, dat hem het heilig kleinood werd teruggegeven, en dat Burgh het vereerde aan de Vorstin Maria de Medicis bij haar bezoek aan Amsterdam in 1639. Zij liet zich met den rozenkrans in de hand afbeelden op het levensgroote portret, dat Honthorst toen van haar heeft geschilderd. (Zie Dl. III, blz. 620).

Meêwarig had Hooft aan Barlaeus geschreven, ‘Mij deert des mans die geenes dings eerder moede schijnt te worden dan der ruste’, zonder de hooge beteekenis van Vondels onrust te kunnen begrijpen of waardeeren. De Drost bleef de stoicijnsche filosoof, die zijn leven liefst sleet in onbezorgd genieten van kunst en schoonheid.

Vondels levensdoel was echter: strijden voor waarheid en recht, in hoe groote moeilijkheden hij daardoor ook zou kunnen komen. Nauwelijks was de storm bedaard, die zijn Altaergeheimenissen en Eeuwgety hadden ontketend, of hij vond opnieuw aanleiding op te komen, thans voor de verdrukte onschuld, door zijn treurspel Maria Stuart. ‘Een treffelijck kunststuk, (zegt Brandt) maar in het verhandelen der stoffe gaf hij, uit ijver voor 't Roomsche geloove, geen kleenen aanstoot’. In dit treurspel had Vondel den moed, tegen alle toen gangbare opvattingen over het gedrag van Maria Stuart in, zijn meening te handhaven, dat zij onschuldig, en als martelares voor haar geloof is gestorven. De dichter durfde haar te beoordeelen volgens de onpartijdige geschiedenisbronnen, die hij kon raadplegen, en was daarmede zijn tijd verre vooruit. Als hoofdgetuige voor zijn meening haalt hij aan den Protestantschen geschiedschrijver, en tijdgenoot van Maria, William Camden1), om aldus bij de verdediging van zijn heldin zoo onbevangen mogelijk ten tooneele te komen. Moeilijk is het dan ook vol te te houden, dat ‘ieder die ook maar eenigszins met de vaststaande historische feiten bekend is, zal moeten toegeven, dat dit beeld [nl. van Maria Stuart] ook niet meer is dan fantasie’. (Zie Vondel

[p. 13]

van de W.B., Dl. I, blz. 93). Juist blijkt de geschiedkundige literatuur van de latere jaren over Maria Stuart Vondels voorstelling herhaaldelijk te steunen. (Zie vooral het artikel van J.F. Kenens in Studiën, Mei 1929).

De directe aanleiding om het treurspel te dichten, verklaart Vondel in de ‘Opdraght’: ‘Het lagh al eenige jaren geleden by my, als een belofte, haere Majesteits godtvruchtige faem, die zoo hoogh gestegen, mijne nochte iemants pen behoeft, van verre in haer schaduwe naer te streven; en noch te vieriger, dewijl ick, des onwaerdigh, mijn geboortejaer by Mariaes moortjaer (marteljaer most men zeggen) of liever geboortejaer gedencke’. Die overeenstemming der jaren (1587) was voor Vondel als een mystiek verband tusschen dichter en heldin. Hare marteling trof hem bijzonder om die reden.

Het droevige lotgeval van de Schotsche Koningin was reeds lang vóór Vondel het onderwerp van gedichten en tooneelspelen. Hare terechtstelling had diepen indruk gemaakt op de katholieke wereld. Dit feit gold als een zoenoffer, dat de Roomschen moesten brengen ter vergelding van den Bartholomaeusnacht. Haar dood werd daardoor een gebeurtenis van hooge politieke beteekenis in de kerkgeschiedenis. Haar sterven werd een symbool van het katholieke geloof.

Zoo hadden de Jezuïeten te Praag, twee jaar voor het verschijnen van Vondels treurspel, door de studenten van de Koninklijke Universiteit der Sociëteit van Jezus aldaar laten opvoeren de ‘Königliche Tragedie, oder Maria Stuarta’.1) Dit tooneelspel heeft weliswaar door het verschijnen van allerlei zinnebeelden, als ‘Ketzerei’, ‘Ehrsucht’, ‘Unglück’ en ‘Elend’, meer het karakter van een rederijkersstuk dan van een klassieke tragedie; maar voor wie zich Vondels hartelijke vriendschap met de Jezuïeten herinnert, is het niet ondenkbaar, dat dit spel eenigen invloed heeft geoefend op het ontstaan van Vondels Maria Stuart, in 1646.

[p. 14]

Meer dan in de historie van eenig ander land stelde Vondel belang in de geschiedenis van Engeland. Niet alleen de staatkundige verhouding, waarin de Republiek reeds sinds lang tot Albion had gestaan, was hiervan de oorzaak. Vanzelf had de roomsche dichter partij gekozen toen in 1641 de Graaf van Strafford werd onthoofd, zonder dat op de voorspraak van Koning Karel I werd acht geslagen. In een waardige ‘Klachte over de Weerspannelingen in Groot Britanje’, was hij toen tegen de Puriteinen, in wie hij verwantschap zag met de Gomaristen, te velde getrokken. Zijn hechte Koningsgezindheid deed hem partij kiezen voor Karel, en geeft hem tevens aanleiding toen reeds het beeld van Maria Stuart op te roepen:

 
Het bloet, dat lang most rotten,
 
En droop van 't hooft, gewijt bij Vranck en Schotten;
 
't Godtvruchtigh hooft van haer,
 
Die 't aertsche Rijck versmade om 't Kristaltaer.

Het begin van dit gedicht: ‘O plaegh van 't edelste Eilant Der eilanden’ enz. geeft reeds een opmerkelijken voorsmaak te proeven van den ‘Rey van Staetjofferen’, na het tweede bedrijf van Maria Stuart: ‘O eerstelingen van dit eilant’ enz. In beide gedichten wordt de bekeering van Engeland tot het Christendom bezongen.

Ook Morgenwecker der Sabbatisten en Het Radt van Avonturen behooren, evenals nog enkele andere verzen, tot de hekeldichten op de Engelsche politieke toestanden.

Werden deze hekelingen door de Overheid geduld, de scherpe veroordeeling van den moord op Maria Stuart verwekte eenige politieke onrust bij de Amsterdamsche burgervaders. Sommigen, verhaalt Brandt, namen de verschijning van het treurspel euvel op, ‘zoo dat eenigen den Schout en Scheepenen zoolang aanliepen, en de zaak zoo zwaar voorstelden, dat men eindelyk den Dichter voor 't recht betrok, en verwees in de boete van honderdt en tachtig guldens. ‘Twelk veelen vremdt voortquam; weetende wat vryheit van schryven te deezer tydt wierdt gedooght, en dat men den Poëten van oudts noch meer toeliet dan anderen’. Maar voor Vondel werd wederom een andere maatstaf van vrijheid gebruikt. Abraham de Wees betaalde de boete, die hem ruim

[p. 15]

werd vergoed, doordat in 1646 niet minder dan zes drukken van zijn pers kwamen. Natuurlijk werd het nooit opgevoerd. Het kwam voor 't eerst ten tooneele bij de herdenking van Vondels sterfdag vóór 250 jaar, in April 1929, door het Amsterdamsch Tooneel van Verkade, met Vera Bondam als Maria. Toen is gebleken, al is het stuk zwak van handeling, welke hoog tragedische indruk vooral door de samenspraken wordt verkregen, waarin Vondel altijd de groote meester is.

In één exemplaar van den eersten druk van dit treurspel kan men het bewijs vinden, dat Vondel stellig den tekst zelf verzorgde, want het is een drukproef met eigenhandige verbeteringen en aanteekeningen van den dichter. (Zie afb. op volgende blz.).aant.

Behalve de boete bracht zijn treurspel hem weer een aantal schimpdichten en hatelijke uitvallen aan, die de dichter thans eens niet beantwoordde, maar die Jan Vos afsloeg met zijn vers: ‘Aan D'Algemeene Rymers of Galbrakers’, waaronder nu zelfs een dichteres was opgetreden: eene Juffrouw Gondina van Weert, die Vondel reeds tot het ‘Vagevier’ veroordeelde.

Terwijl de Republiek, en bovenal Amsterdam, zich opmaakte om den Europeeschen vrede, die te Munster werd voorbereid, luisterrijk te vieren, kwam Frederik Hendrik, zoo dikwijls door Vondel als Vredevorst bezongen, te overlijden op 14 Maart 1647. Vondels dichtlier zweeg bij dit afsterven van zoo groote beteekenis. Maar in de opdracht van De Leeuwendalers aan Michiel Le Blon kwam zijn hooge bewondering voor den Prins eerlijk aan den dag: ‘Prins Vrederyck Henrick heeft zijnen naem met de daet, en alle zijne oorlooghstriomfen, en laurieren met eenen eenigen Vredetriomf, en den gezegenden olijftack gekroont, en ons den Vrede, zijnen lesten adem, tot een geluckigh testament nagelaten’. Dit klinkt heerlijker dan het mooiste lofgedicht. In ‘Oegstmaand’ van hetzelfde jaar bracht Vondel eveneens een oprechte hulde: ‘Aen onze vredevaders, Vaders des Vaderlandts, de Heeren Burgemeesters van Amsterdam’, toen hij hun opdroeg zijn jubelzang: De Getemde Mars, ‘Op hope van den algemeenen Vrede’.

[p. 16]



illustratie

Drukproef van ‘Maria Stuart’ (vss. 649-678) door Vondel zelf verbeterd. Bijzonderheden over Vondels corrigeeren vindt de belangstellende lezer in Sterck's Oorkonden, blzn. 220-230.


[p. 17]

Het overlijden van den Prins had nog een voor Vondel zeer treffend gevolg. De Drost van Muiden, Pieter Cz. Hooft, die den begrafenisstoet van den Prins urenlang te voet had gevolgd, ofschoon hij reeds ziekelijk was, had daarbij koude gevat, en stierf op 21 Mei ten huize van zijn schoonzoon, Johan Van der Meyden in Den Haag.

Ook voor den doorluchten Drost dichtte Vondel geen lijkzang. 's Dichters belofte ‘zoo zal ik somtijdts noch een Ave Maria voor hem lezen, op dat hij sterve zoo devoot Catholijck, als hij zich toont devoot Politijk’, zal hij nu hebben omgezet in een ‘Ave’ voor zijn zielerust; was dit niet de oprechtste en dichterlijkste lijkbede, die Vondel voor hem kon storten? Na hun droge briefwisseling was hier geen plaats meer voor poëzie. In 1649 heeft Vondel Hoofts werk toch nog gehuldigd met twee gedichten, toen de jonge Aernout Hooft zijns vaders ‘Rampsaligheden der Verheffinge van den Huize van Medicis’ had uitgegeven.

Toen Vondel, op zijn zestigsten verjaardag, in 1647, zich eenzaam begon te voelen; toen vele vrienden gestorven waren, anderen hem om zijn bekeering hadden verlaten, had de krachtige grijsaard nog een menschenleeftijd vóór zich, want hij heeft nog twee-en-dertig jaar geleefd; - toen dichtte hij zijn treffende ‘Geboortezangh aan Gregorius Thaumaturgus’, zijn geboorteheilige. Deze verzen zijn, als autobiographie, te belangrijk om er niet wat langer bij stil te staan:

 
Nu sestigh jaer het voorhooft kreucken,
 
Het bloet in d'aderen verkoelt,
 
Het hair besneeuwt, mijn tytgenoten
 
My vast bezwijcken, voor en na,
 
Rontom en aen myn zy geschoten,
 
Terwijl ick hier noch strijde, en sta
 
Op schiltwacht, reede alle oogenblicken
 
T'ontworstelen het zielgevaer
 
Van 'sweerelts zorghelijcke stricken,
 
Verstreckme een schilt en beuckelaer,
 
Waer onder ick Godts naem magh eeren,
 
Vrymoedigh zingen 's hemels lof.
[p. 18]

Zij geven zoo juist de stemming weer, waarin Vondel, na zijn bekeering, opging. Hij bleef leven voor zijn geloof en zijn dichtkunst: ‘Justus fide vivit’. Voortdurend bleef hij waken en alleen op schildwacht staan, om te strijden voor het Christendom, en te zorgen voor zijn zieleheil.

Zijn eenige verlangen was voortaan, ‘dat dierbaar kleinoot’ den tijd, te besteden ‘in aandacht en bespiegelingen van Godt en 't allerhoogste goet’, dat is: ‘die beste Perle, die zoo diep begraven lag, bestulpt met aerde’. Hij smeekt zijn Geboorte-heiligh: ‘Volhardt voor mij en elck te bidden Bij hem, die licht uit duister schept’.

Maar steeds meer vrienden sneuvelden rond den op schildwacht staanden strijder. In 1648 was het Caspar van Baerle, die steeds een van Vondels trouwste gezellen was; hem herdacht hij in een ‘Lyckzang’ met dit oprechte slot, dat ook Hooft nog weer in herinnering brengt:

 
Heelaes, hoe noo
 
Verliest een kenner zijn juweel!
 
Zoo valt oock 't eelste een graf ten deel.
 
Men houwe 'r, in een' lauwerkrans,
 
Dees letters op, ten roem des mans:
 
Hier sluimert BAERLE, neffens HOOFT.
 
Geen zerck hun glans noch vrientschap dooft.

Vooral 1649 was voor Vondel een treurjaar; professor Gerard Vossius, zijn leermeester in de klassieken, en oprechten vriend, verloor hij in Maart. Een lijkdicht droeg hij op aan Isaack diens eenig nog levenden zoon.

Kort daarna stierf Tesselschade, zijn hoogvereerde vriendin, de bekeerlinge, met wie hij door zulke verheven zielebanden verbonden was. Haar dood heeft hij in geen gedicht herdacht.

‘De hemelsche en in klay gevangen ziel; Die haeckt te spoên, met wyde en wisse schreden, Naar 't zaligh honck, waer op haar liefde viel’, - zij had dit honck bereikt. Dit was Vondel troost genoeg.

Het sluiten van den in de Republiek alom zoo vurig verlangden Vrede; de gerustheid, dat de krijg, dat ‘verslindend dier’, getemd

[p. 19]

was, waardoor allerwegen nieuw, jeugdig leven kon ontspruiten, heeft ook op Vondels genie een bevruchtenden, krachtig ontwikkelenden invloed gehad. Ook de inwendige vrede van zijn hart, sedert hij de ‘kostbare perle’ gevonden had, gaf aan zijn gemoed de noodzakelijke rust, die al zijn heerlijke talenten in zijn grootsche dichtgave deed rijpen.

De gelegenheid om dit in zijn verzen te doen uitkomen, deed zich nu schitterend voor, toen Burgemeesteren en Vroedschap van Amsterdam, die zooveel invloed hadden uitgeoefend op het slagen der onderhandelingen, zich hadden voorgenomen, het sluiten van den Vrede luisterrijk te vieren.

Evenals nu, was toen de schouwburg gewoonlijk het glanspunt bij een feestviering; en blijkbaar op uitnoodiging van Burgemeesteren, of de Regenten, stelde Vondel een gelegenheidsstuk samen, dat geheel voldeed aan die voorname opdracht. Een treurspel kon moeilijk dienen bij een jubelfeest; en een blijspel was minder in overeenstemming met de plechtigheden van de viering. Vondels genie, even ontwikkeld voor vroolijke liedjes en geestige hekelversjes, als voor aangrijpende dramatische gedichten, schiep toen een kunstwerk, zóó geschikt voor deze gelegenheid, en zóó oorspronkelijk van vinding en samenstelling, dat het nu bij de opvoering nog treft en verrast door zijn frischheid en geest.

De Leeuwendalers noemde Vondel een ‘Lantspel’, een soort herdersspel, dat al de onschuldige vroolijkheid van de landlieden vereenigt met een ernstigen twist tusschen twee partijen, van Noord en van Zuid, waardoor een dramatische ontwikkeling verkregen wordt. Al volgt de dichter hierin van verre Tasso's ‘Aminta’ na, de bewerking is echt Hollandsch in de personen en het landschap. Zijn verbeelding kon hij hier den vrijen loop laten.

Geestig laat Vondel door een ‘Voorredenaer’ verklaren: ‘Hoe Melpomens Treurpoëet, In Talleies dienst getreden’ is, en een blijspel heeft gemaakt; en hij verdedigt het opvoeren van een herdersspel in de nu zoo rijke stad, wier grootsche prachtpaleizen van de Heeren- en Keizersgracht hij met zooveel ingenomenheid voorstelt, met marmersteenen vloeren, met de zalen trotsch van

[p. 20]

binnen, met kostbare tapijten bekleed. Waar ‘de schoorsteen met haar posten Vrij van louter marmer glimt’; Waar ‘de stoep bij trappen klimt’, als een troon, met kunstige leuningen, tot steun van onzen Adel.

De inhoud van het spel is vernuftig gevonden. Een kort overzicht kan dit duidelijk maken.

Een twist tusschen de Leeuwendalers, ontstaan bij feestspelen ter eere van den landgod Pan, op een ‘lantmaeltyt’, terwijl ze dronken aan het vechten geraakten, gaf aanleiding dat Waerandier, een held genoemd om zijn kracht en vroomheid, en Duinryck, een zoon van Pan, die de vechtenden trachtten te scheiden, werden gedood. Hierdoor raakten Zuidzij en Noordzij in strijd, de eerste onder Lantskroon, de andere onder Volckaert. De weduwe van Waerandier had een zoon, Adelaert, nagelaten, dien Lantskroon aannam en opvoedde, en Duinrycks weduwe Vredegunt, gedwongen met Kommerijn, de voedster, te vluchten, bracht een dochter ter wereld, Hageroos genaamd, met ‘een bloetroos op den arm geboren’. Zij was op het erf van Volckaert te vondeling gelegd uit vrees voor vergiftiging, en werd in een haag gevonden; vandaar haar naam. Twintig jaar moest haar afkomst verborgen blijven; Kommerijn vertrok naar een vreemd gewest; maar Hageroos werd door Grooten Frederik zorgvuldig opgevoed. Allerlei onheilspellende voorteekenen maakten dat de landzaten raad gingen vragen bij Velleede, priesteres en waarzegster van Pan, die jaarlijks een bij het lot getrokken offer van een jongeling eischte, als zoen voor de beleedigde godheid en ‘ten doele des Wildemans, hem van Pan opgezonden’. Velleede, om uitkomst gevraagd, gaf slechts dubbelzinnige orakel-antwoorden. Na twintig jaar keerde Kommerijn, oud en arm, terug juist op den dag, dat het bloedig lot op Adelaert viel en hij aan den Wildeman zou worden overgeleverd.

Hageroos, die liefde voor Adelaert gevoelde en door hem van een aanrander was gered, bood zich aan om voor hem te sterven; waarop Pan verschijnt en het offer opschort, na een duistere uitspraak, die de omstanders verbaast. Kommerijn heldert de

[p. 21]

geboorte van Hageroos op en wordt beloond voor haar trouw. Nu wordt het orakel begrepen, het huwelijk tusschen Adelaert en Hageroos voltrokken, en in dit paar ook Noord en Zuid verzoend en vereenigd. Lantskroon erkent Noordzijde voor een vrijgebied, en het stuk eindigt met de bruiloft, en met een vroolijken ‘Rey van Leeuwendalers’.

De Leeuwendalers viel bijzonder in den smaak. Op 7 Mei 1648 voor het eerst opgevoerd, werd het stuk op 11 en 14 Mei, en 2 en 23 Juni herhaald. Vondel had een meesterstukje geleverd door elke politieke toespeling te vermijden, geen personen aan te duiden, en toch de aanleiding tot de viering van den Vrede zeer duidelijk weer te geven in den twist tusschen Noord en Zuid van Leeuwendaal, d,i. de beide Nederlanden, die elk een leeuw in hun wapen voeren.

Het Lantspel werd, behalve in een afzonderlijke uitgave in 1648, ook gedrukt in een bundeltje, verschenen in 1649, getiteld Olijf-Krans der Vreede, door de Doorluchtigste Geesten, en Geleerdste Mannen, deezes tijds, gevlochten. Het bevat, geheel vredelievend naast elkaar, gedichten van Jan Vos, Geraerd Brandt, S. Koster, Reyer Anslo, J. Westerbaen en Vondel, alsof de Vrede alle oneenigheid had doen vergeten. Vondels Bouwzang herinnert daarbij aan de eerste-steenlegging van het grootsche Vredesmonument te Amsterdam, het nieuwe Stadhuis. Aan de jeugdige zonen en neven der regeerende Burgemeesters, ‘de eerste grontsteenleggers van het Stadthuis’, droeg hij zijn verzen op, die in zang en toezang opgesteld, blijkbaar bij die gelegenheid ook gezongen zijn. Een opgewekten Vredezang aan de Burgerij, liet Vondel nog hooren, om de stad te laten gevoelen, wat zij voor den Vrede te danken had aan de vier Burgemeesters: Schaep en Pankras, De Graef en Valckenier:

 
Teffens steigren lant en erven
 
In waerdy: de Pais is milt,
 
Dies verrijcktze kunst, en gilt.
 
Neering, leggende op haer sterven,
 
Springt ten bedde uit, en ontluickt
 
Met dat zy de teervlam ruickt.
[p. 22]
 
Bouw nu zolders boven zolders.
 
Legh de kelders in tiras.
 
Spaer noch kranen, noch windas.
 
Legh verdroncke weide in polders.
 
Mael het Haerlemsch meir tot lant,
 
Nu de vette teerton brant.

In de Oude Kerk werd te eeuwiger gedachtenis aan het vreêverbond met Philips IV een gekleurd glasraam onthuld, waarop een slap versje van Vondel geplaatst is.

‘In 't Vredejaer 1648’ gaf Vondel nog een treurspel uit: Salomon; hij zette daarmede de reeks van zijn groote bijbelsche drama's, met de hoofdfiguren uit het Oude Testament, voorgoed in. De beide Josephspelen en Gebroeders geven meer tafereelen uit den Bijbel gegroepeerd om één hoofdpersoon, minder tragiek van individuen, die zoo treffend is in Salomon, in de Adam- en David-drama's, in Samson en Lucifer.

Den ouden dichter, die zelf steeds waakzaam was, als schildwacht, om t'ontworstelen het zielsgevaar van 's werelds zorgelijke strikken, trof diep in 't gemoed het tragische lot van Salomon, dien wijzen grijsaard, die niet waakte tegen het zielsgevaar, dat hem van alle kanten bedreigde in de omgeving van zijn weelderige hofhouding, en hem tot diepen val bracht.

Salomon bracht het bij Vondels leven tot zeven-en-twintig opvoeringen. Het toont in zijn dramatische samenstelling en schitterende verzen, met levendigen dialoog, hoe hoog 's dichters kunst was gestegen. Op ons tooneel zou het nog een successtuk kunnen worden. Een paar tafereelen verdienen bijzondere aandacht.

In het vierde bedrijf boeit vooral de beschrijving van den ‘starrendans’, door Sidonia na het feestmaal voor Salomon uitgevoerd; waarna hij op haar vraag: ‘Bie met ons het wierroock aan Astarte’, belooft met haar aan de afgoden te zullen offeren.

Het verdere verloop van 's konings aanvankelijken terugkeer en hervalling is van een opmerkelijk dramatisch effect. De Aartspriester Sadock vergelijkt in zijn toespraak den koning met een schip van de goudvloot uit Ofir, dat naar Salomon genoemd werd, doch ‘op 't ongezienst met volk en schat gebleven is’: ‘Dit schip,

[p. 23]

zoo rijck geladen, | Is Koning Salomon, grootdadigh in zijn daden, | Die grijs van ouderdom, gezegent met den schat | Van wijsheid en geluck... gevaer loopt van te sneven, | En schipbreuck in zijn eere en zijn godtsdienstigh leven | Te lijden, op het zant van wulpsche afgodery, | Voor 's levens avontstont’. Salomon twijfelt, maar laat zich eindelijk tot wijsheid overreden:

 
Ick zal Sidonia (betrouw het my) haer bede
 
Ontzeggen. Zijt gerust: ick wil in plaets van Godt
 
Noch Ammons Moloch, noch Sidonische Astaroth (vieren).

De verleiding van den zwakken koning, als hij opnieuw met Sidonia samenkomt, stelt Vondel weer echt menschkundig voor. Over het offerfeest spreekt de Vorst schuchter tot haar:

 
Ick hebbe, ontstel u niet, my op die zaeck beraden....
 
D'Aertspriester raet het af: zijn inzicht maecktme schuw.

Met aandrang tracht Sidonia nu den Vorst tot haar ‘offerzede’ over te halen, en beschuldigt hem van woordbreuk. Zij zoekt hem te overtuigen, dat haar godsdienst verkeerdelijk afgoderij wordt genoemd. Maar Salomon houdt stand, totdat Sidonia dreigt: ‘En (ik) sta bereit het Rijck te ruimen met mijn' stoet’. Dan begint hij spijt te gevoelen: ‘Ghy zijt mijn Koningin, mijn aengenaemste gloet. Zoudt ghy uw' Heer en Vorst zoo lichtelijck begeven?’ Sidonia: ‘Ben ick uw Koningin, waer is uw trouw gebleven?’ Heftig verwijt zij hem ondankbaarheid tegenover haar vader, die allerlei kostbaarheden, cederhout, marmer, goud, en vooral kunstenaars uit Tyrus gezonden had om Salomons tempel te bouwen. Maar nog weigert Salomon, een heidensch afgod te vriend te nemen.

Sidonia gevoelt zich misleid, nu men haar ‘In 't hof van Salomon’ heeft getroond. ‘Ick nam op Vaders raet des Konings trouwring aen..., Hoe liet ick, slechte duif, my locken en belezen’.

 
Zoo wert mijn groene jeught besteet aen grijze hairen;
 
Mijn lente, aen wintersneeuw; mijn bloem, aen dorre blaren.

Zij tracht hem dan te bewegen: ‘met oogen nat van tranen’. Hierdoor wordt Salomon verteederd en roept:

 
‘Hoe schreitghe dus, mijn hart? zijn wij hier oorzaeck van?’
[p. 24]

En listig verwijt zij hem zijn vroegeren roem: ‘De Koning Salomon is recht een vrouweman’. Zij zweert dan: het den trouweloozen man niet meer te zullen vergen, ‘by Sidons oppergodt’, en tracht den koning door toorn over te halen. Gij zult uw koningin ten schimp van al de wereld stellen:

 
Sidonia ontloock, gelijck een weereltswonder:
 
Zy ging in roozen op: nu gaetze in tranen onder.
 
Een schoonheit, tienmael waert van eenen Godt geschaeckt,

noemt zij zich. Hiertegen is de oude Vorst niet langer bestand en hij roept dan geheel vertwijfeld uit:

 
Hoe beeft mijn hart! Wat raet? Ick drijf verbaest in 't midden
 
Van Godt, en afgodt. Och, wien staet my aen te bidden?
 
Te wieroocken? helaes, wat zijde kieze ick nu?
 
Een worrem knaeght mijn hart, van Sidons Godtheit schuw;
 
En ondertusschen blaeckt de Min het onder 't knagen.
 
Hoe kan men Sadock en Sidonia behagen,
 
Al t'effens? Wie van bey zal Salomon gebiên?
 
Hoe weent die schoone ziel! wie kan haer tranen zien,
 
Al was zijn hart van steen? Neen, neen, ick ly dit nimmer,
 
Noch hael op my den haet van al het vrouwetimmer,
 
Van duizent vrouwen, elck de braefste Koningin.
 
Vergeef het Salomon, mijn Schepper: och, de Min,
 
De vrouweliefde doet my struickelen; en dolen
 
Uitwendigh, maer het hart aenbidt u in 't verholen.
 
Uw wijze Godtheit keer' zich aen geen hantvol smoocks.
 
Wy wijden u het hart, en niet een luttel roocks.
 
Mijn Schoone, zijt gerust: hoe weentghe dus verbolgen?
 
Mijn Schoone, geef gehoor: ick zal uw offer volgen.

In een feestelijken reidans wordt hierop ten offer getreden, terwijl de Rey van Jeruzalemmers treurzangen aanheft.

Het vijfde bedrijf brengt het verhaal van den bode, die den hevigen storm beschrijft, waardoor het feest werd verstoord. Wanhopig roept Salomon: ‘Waer vloodt mijn Koningin?’ Maar Nathan de Profeet voorspelt Salomon den ondergang van zijn rijk. ‘In dit treurspel wordt geen bloed, maar die groote ziel gestort’, zoo typeert Vondel het wezen van zijn tragedie.

Door de opdracht van zijn treurspel aan Justus Baeck, den zwager van Hooft, gaf Vondel blijk ondanks zijn bekeering nog

[p. 25]

in diens ouden, trouwen vriendenkring te verkeeren. Ook Justus' dochter Debora heeft van jongsaf een sterke neiging tot het oude geloof gevoeld, en is reeds jong katholiek geworden, buiten weten harer ouders. Maar dit was eerst in 1653. Dat Vondel hierop eenigen invloed kan hebben gehad, is mogelijk. Pater Laurens S.J. had haar onderwezen.

Als bijlagen van Salomon gaf Vondel drie opmerkelijke gedichten: op Lastmans offerstaetsi van Listren aen Joannes Six; op een schilderij van Maria Magdalena, de patrones van Baecks vrouw; en de Geboortezang aen Gregorius Thaumaturgus, het boven besproken bekeeringsvers. Dergelijke roomsch getinte verzen moeten dus den Baecken niet onwelkom zijn geweest.

Kan Vondels gedicht op Maria Magdalena van Titiaan, afgedrukt na Salomon, worden beschouwd als een vriendelijkheid voor Baecks vrouw, Magdalena van Erp; dat op het schilderij van Rembrandts leermeester Pieter Lastman is een fijne hulde aan den ‘kunstgeleerden’ Jan Six, die voor Vondel, evengoed als voor onzen grootsten schilder, mecenatische gevoelens koesterde. In het reeds genoemde vrienden-album ‘Pandora’ van Six is Vondels geestig gedicht in handschrift opgenomen, naast een paar teekeningen van Rembrandt:

 
Wat dunkt U, kunstgeleerde Six?
 
Wie had de schikkunst oit zoo fix
 
Als Lastman, waert de Tekenkroon
 
t'Ontfangen voor Sint Pauwels troon,
 
Toen hy zyn wonderwerck van Lystren
 
Zoo versch vertoonde, als beurde 't gistren?

Waarom zou Vondel geen van zijn treurspelen aan Jan Six hebben opgedragen? Mannen en vrouwen van allerlei rang en stand heeft hij er mede vereerd. Hierop moet het antwoord nog worden gegeven. Vondel zag tegen den aristocraat Six hoog op.

Vondels beste, zeker meest belangstellende vriendin Agnes Block, werd op 2 Mei 1649 met een Mayboom vereerd bij haar huwelijk met Vondels neef Joan de Wolff. In hetzelfde jaar weerklonk 's dichters jubelzang bij het gouden priesterfeest van den

[p. 26]

Aartsbisschop van Utrecht Philippus Rovenius, in ballingschap vertoevend in de abdij te Vorst bij Brussel. Vondels verzen strekken vaak tot opluistering van allerlei feesten, zelfs wanneer hij er niet bij betrokken was. Het gold dus blijkbaar als een groot voorrecht door hem te worden bezongen.

Deze waardeering ook van andere gedichten dan zijn treurspelen, kwam bij voorbeeld aan het licht, toen in 1650 een bundel van zijn verzamelde poëzie verscheen, om verschillende redenen een merkwaardig boekje. Na de Verspreide Gedichten van 1644, voor hem zoo grievend aangevuld met een ‘Tweede Deel’ in 1647, was het noodig, dat Vondel zelf het verzamelen van zijn echte verzen ter hand nam in een bundel, die duidelijk het waarmerk van den auteur zou dragen. De titel liet daarover geen twijfel: J. van Vondels Poëzy of Verscheide Gedichten. By een vergadert, vermeert, en op een nieuw overzien. Mitsgaders een Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste. t'Amsterdam, Voor Joost Hartgers, 1650.

Met de ‘Aenleidinge’, waarover straks meer, wordt het boek geopend. Hierop volgt ‘De Dichter Aen zijnen Vrient’, beginnende met dezelfde aanhaling uit Hippocrates, waarmede de brief: ‘aen zijnen afwezenden Vrient’ aanvangt in de uitgave der Poëzy van 1644: ‘De kunst is langk, het leven kort’. Bij dezen ‘Vrient’ kan nu niet meer aan Hugo de Groot worden gedacht, overleden in 1645. De brief in den bundel van 1650, blijkt, wat zeer eigenaardig is, niets anders te zijn dan een sterk verkorte herdruk van dien uit 1644. Vermoedelijk heeft de uitgever Hartgers, om de copie op één pagina te kunnen zetten, met Vondels goedkeuring de noodige bekortingen aangebracht. Daardoor is alleen de waarschuwing des dichters tegen zijn ‘groene en onrype vaerzen’, die hij liever ‘onherdruckt’ wenschte, overgenomen. Het opschrift aan den Vriend heeft daarbij zijn zin verloren.

Maar zeer duidelijk is Vondels vers, dat op de keerzijde van den brief gedrukt staat als Toets-steen. In dit eerste gedicht van den bundel geeft de dichter, om alle misverstand en misduiding te voorkomen, een klaar en krachtig verweer tegen de verwijten

[p. 27]

over zijn vroegere gedichten gedaan wegens zijn veranderde godsdienstovertuiging. Het is een direct antwoord op de ‘Voorreden’ van P. in de uitgave van 1647: ‘Indien hier Roomsch of Onroomsch dicht | Den Lezer sticht, of hem ontsticht; | Men schell' mijn pen die vlacken quijt, | En toets' de stof naer heuren tijt’. Enz. Nu wist ieder die Vondels verzen zou lezen, waaraan hij zich te houden had.

Niet alleen om voor zijn geloof te getuigen heeft Vondel dezen bundel uitgegeven. De verhandeling, waarmede hij wordt geopend geeft ook zijn taal- en dichtkundige beginselen aan, als ‘Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste’. Het is: ‘op het aenhouden der leergierigen’, dus voor zijn leerlingen, dat hij haar heeft samengesteld; maar zij heeft ook voor onzen tijd nog groote beteekenis. Onze ‘spraeck’, betoogt de dichter, is sedert weinige jaren herwaart ‘van bastertwoorden en onduitsch allengs geschuimt, en gebouwt’ en biedt daardoor den leerling een groot voordeel boven de anderen, ‘die met zulck een zure moeite en arbeitzaemheit dit spoor onlangs begosten te leggen’. Daarbij geeft Vondel aan, hoe nauwgezet hij en de andere taalzuiveraars te werk zijn gegaan. ‘Zoo men uit hunne gedichten en schriften, oock uit Neerlansche handvestboecken, de eige manieren van spreecken byeenzamelt, en zich eigen maeckt; daer is een schat van welsprekenheit by der hant, veel tijts gewonnen, en middel om noch maghtigh in nieuwe koppelwoorden (waer in onze spraeck niet min geluckigh dan de Grieksche is) aan te winnen, zoo men met oordeel te wercke ga’. Allerlei goede wenken, op eigen ervaring gegrond, geeft hij aan de jonge dichters. ‘Het rijmen moet hy zich eerst gewennen, om rijckdom van woorden en rijmklancken gereet te hebben, zonder het welck de vaerzen kreupel en verleemt zouden vallen, en zelfs aertige vonden en gedachten hunne bevallijckheit verliezen’. ‘Men magh om het rijm en de maet de tael niet vervalschen, en gelijck een kint stamelen en struickelen. Het rijmwoort schijne niet gevonden om het rijm te vinden, maer zy zoo gestelt of het geen rijmterm waer. Het vaers schijne oock geen rijmelooze rede, maer trecke den aert van een

[p. 28]

vaers aen, en sta wacker op zijne voeten’. Zoo gaat de dichter voort met nuttige raadgevingen, geheel op eigen ondervinding steunend, en wier toepassing overal in zijn eigen verzen te herkennen valt.

Met welk een gezag voelde Vondel zich bekleed, dat hij zoo scherp de regelen van de verskunst en de compositie aan de leergierigen kan voorschrijven. Maar hoe streng toont hij zich hier in de kritiek op zijn eigen werken, die hij met zooveel studie en zorg samenstelde.

Bij elke groote gebeurtenis was aller oog steeds gevestigd op Vondel, in wiens verzen daarvan vaak de weerklank werd gehoord. Dit bewijst ook dat hij als een nationale dichter bij uitstek werd aangezien. Toen de vloot van Venetië in 1649 de Turksche schepen, Vondels ‘erfvijanden’ en een gevaar voor het christelijk Europa, had verslagen en verbrand, was het dan ook Vondels jubelzang: Op de Neerlaegh der Turksche Vlote, die de algemeene vreugde vertolkte. Vol vaderlandschen trots bezingt hij het aandeel dat de Hollandsche schepen in den slag genomen hadden: ‘De Leeuw van Hollant, niet gezint | Meer Kristensch bloet te storten, | Loopt met sint Markus Leeuw voor wint | Den Turck zijn vleugels korten, | En geeft hem, onder Uwe vlagh, | By Smirne trots den Koningsslagh’.

Maria Stuarts kleinzoon, Karel I, werd in 1649 onthoofd, en Vondel kan zijn hevigen toorn tegen Cromwell niet bedwingen; hij noemde hem in het vers: Op den Vadermoort in Groot Britanië, den Vermomden Lucifer, zich reeds vervuld toonend van zijn ontworpen treurspel.

Het krachtigst kwam Vondels belangstelling in de staatszaken aan den dag, wanneer het zijn land en vooral zijn stad gold. Al was de vrede geteekend, dit waarborgde nog geen einde aan den strijd van Amsterdam, zoowel als van de Republiek, tegen vijanden van binnen en van buiten. De teleurstelling van Prins Willem II, dat hij geen krijgsroem meer kon behalen, evenals zijn vader, uitte zich vooral tegen de regeering van Amsterdam, en haar machtige Burgemeesters Andries en Cornelis Bicker, aan wier krachtigen invloed vooral de vrede te danken was. Wat verder

[p. 29]

gebeurde is bekend. Er ontstonden allerlei geschillen tusschen Amsterdam en den Prins; over afdanken van krijgsvolk en inhouden van soldij; over een Amsterdamsch gezantschap naar Engeland, waar Cromwell 's Prinsen schoonvader op het schavot had gebracht. De wrijving werd nog versterkt door de weigering van de stad om een deputatie van den Prins te ontvangen, die wilde trachten de soldij weer uitbetaald te krijgen. De Prins zou echter alleen als Stadhouder worden toegelaten; en werd afgewezen toen hij in Juni 1650 onverwacht de poort binnen kwam. Toen was de verbittering op het hoogst, en gaf de Prins bevel aan Graaf Willem Frederik van Nassau de stad te gaan bezetten. Zooals bekend is, mislukte de belegering, en stelde Amsterdam zich sterk in verweer.

Tot juist begrip van Vondels stemming in die dagen, die zich uitte in zijn verzen, was het noodig deze feiten in het kort te herinneren. Zijn groote genegenheid voor de Oranjes werd heel wat bekoeld, toen de jonge Vorst zijn dierbare stad bedreigde. Den Prins noemde hij ‘een wulpschen Heer’; op dezen jeugdigen, onnadenkenden vorst doelt hij, waar hij schrijft: ‘Geen Adel, maer een schelm heeft lust de Kroon der steden te trappen met den hoef’.

Aan de Blokhuizen, die ter verdediging in den Amstel werden gebouwd, wijdde Vondel een forsch gedicht, en de Bickers werden luid gevierd in verschillende bijschriften op hun marmeren borstbeelden. Eindelijk werd de Prins in De Monsters onzer Eeuw nog gesteld naast de Engelsche koningsmoordenaars en de Turken, als aartsvijanden van het Christendom!

Vondel was meestal dichterlijk overdreven in zijn sympathieën en antipathieën; maar oprechte smart spreekt uit de Lykstaetsi van Leonardus Marius, zijn geestelijken vader, en de geleerde vraagbaak van zijn leven, die in October 1652 overleed. Aan hem, den Involger der weêrstrevende Onbekeertheid, had Vondel het zeker voor een groot deel te danken, dat hij gevonden had de ‘Perle, waarvoor men 't al met winst verliest’. Ook andere priesters uit zijn vriendenkring ontvielen hem in dit jaar; Steven Kracht, Jacob Vlieger, Adriaan Motman te Hoorn, waar Vondels zuster Catharina katholiek was geworden, worden door hem bezongen.

[p. 30]

Kort na de begrafenis van pastoor Marius in het Hooge Koor der Oude Kerk, waar reeds zoovelen van zijn dierbaren: zijn vrouw, zijn zuster Clementia en Tesselschade rustten, woonde Vondel weder een rouwplechtigheid bij in dit heiligdom, toen Het orgel in den rouw over Mr. Diedrick Zweling door hem bezongen werd, met herinnering aan de meesterlijke avonduitvoeringen in die kerk, toen ‘juichte 't hart van oude en jongen, | Wanneer sijn vingers ongedwongen | Op Noten en op Stecken sprongen|!’

Ook Andries Bicker, de heldhaftige verdediger van Amsterdam tegen den Prins, stierf in 1652. Vondel getuigt van hem: ‘Al's Burgermeesters lust, en leven, | Was rustigh recht door zee te streven, | Aen last en eere en eedt verknocht’. Een herinnering aan het geliefde middeleeuwsche Amsterdam, het ‘Alout Stadthuis’, dat in zijn Gysbreght zulk een belangrijke rol vervult, verbrandde in 1652, en is door Vondel bezongen. Het nieuwe Raadhuis van Jacob van Campen was reeds in aanbouw, als grootsch Vredes-monument.

Een reeks gedichten toont Vondels steeds vernieuwde belangstelling in de kerkelijke feesten, die toen gevierd werden. Een wijding van twee Bisschoppen te Brugge bezingt hij in 1654 zoo treffend in kleine bijzonderheden, dat men bijna zijn aanwezigheid bij de plechtigheid zou gaan vermoeden. Waarschijnlijker is dit het geval bij de Staetsie van Jongkvrouw D(ina) N(oordtdyck), een klopje, dat als geestelijke zuster werd gewijd, en verbonden aan de Krijtbergskerk der Jezuïeten. Daar werd 2 December 1652 het Eeuwgety van Franciscus Xaverius gevierd, en door den dichter in een hooggestemd loflied bezongen. Na het verlies van zijn geestelijke vaders: Marius en Kracht, gevoelt Vondel zich inniger getrokken tot de leden der Sociëteit van Jezus. Er gaat geen hunner gedenkdagen voorbij, zonder dat hij er een lierzang aan wijdt. Zelfs het werk van twee buitenlandsche ordegenooten Athanasius Kircher en Famianus Strada, S.J. heeft zijn belangstelling. De Oedipus Aegyptiacus van Kircher, waarin deze trachtte de hieroglyphen te ontcijferen, is door Vondel in een groot gedicht, met zang en tegenzang verheerlijkt: Op den Edipus of Teeckentolck. En P. Famianus Strada's Nederlantsche oorlogen

[p. 31]

heeft, vóór in het tweede, deel een lofdicht van Vondels pen.

Vol bezieling wanneer het feesten of rouw van anderen gold, heeft Vondel zijn eigen verwanten slechts zelden bezongen. Anna en Joost, zijn kinderen, komen in zijn poëzie niet voor. Anna was hem voorgegaan in zijn bekeering en leidde thuis een geestelijk leven, verzorgde haar vader en bracht hem veel troost in tegenspoed, vooral veroorzaakt door het wangedrag van Joost. Deze was tegelijk met zijn vader in 1641 tot het roomsche geloof overgegaan, en in 1643 gehuwd met Aeltje van Bancken. Brandt noemt hem ‘kleen van geest en los van hoofde’. Doch ‘met zyn eerste vrouw by zynen vader woonende, nam [hij] zyne zaaken eenighszins waar en droeg zich passelyk’. Hij had moeilijkheden met allerlei menschen over geldzaken en andere kwesties, zeker niet in het belang van Vondels zijdehandel. Twee jaar na het overlijden van zijn vrouw, trouwde Joost Jr. in 1650 met de beeldschoone, 32-jarige Baertje Hooft, weduwe van Dirck Hooft, en verwant aan den Drost. De oude Vondel, zeer ingenomen met dit huwelijk, ook wel om de patricische verwantschap, gaf hiervan blijk in het gedicht, dat hij, vol bewondering maakte voor haar ‘Gekleurt wassen beelt’. Hier is de dichter, zoo gevoelig voor vrouwelijk schoon, in zijn volle kracht. Weldra zou hem blijken, dat hij zich door het uiterlijk van Baertjen had laten verblinden, zonder haar aard te kennen. Brandt zegt, dat Joost Jr. was ‘quaalyck gepaart met een vrouwe, die zyn losse zinnen voort aan 't hollen holp, en veel geldts verdeê’. Dit huwelijk gaf den vader zooveel verdriet en zakenschade, dat hij met Anna afzonderlijk ging wonen.

Om niet te veel in bijzonderheden te treden over het verdriet door Joost Jr. aan zijn ouden vader berokkend, zij hier nog slechts vermeld dat de zoon, in 1654 ingeschreven in het makelaarsgilde, na twee jaar insolvent werd verklaard, en zich ook aan groot bedrog schijnt te hebben schuldig gemaakt. In December 1659 is Joost door bemiddeling van Burgemeesteren naar Oost-Indië gezonden, maar op reis gestorven, tot nameloos verdriet van den ouden vader. ‘Noemt geen kinders naar uwen naam; want die wordt gebrandmerkt als zij niet deugen’, zei de oude dichter. Dikwijls

[p. 32]

komen in Vondels latere treurspelen nog herinneringen voor aan zijn zoon.

Bij al den smaad hem aangedaan om zijne gedichten, en bij het verdriet hem door zijn zoon berokkend, was het voor Vondel een grootsche voldoening, toen een honderdtal van zijn kunstbroeders, de Amsterdamsche schilders van het St. Lucas-Gilde, hem in hun vergadering op den St. Joris-Doelen een spontane en echt hartelijke hulde brachten. Of zij daartoe hun bijeenkomst op hun patroonsfeest, in 1653 of 1654 hebben gekozen, valt niet met zekerheid vast te stellen. In de Aanteekeningen zal dit nader worden toegelicht.aant.

Gedurende den gildemaaltijd, waarbij Vondel was genoodigd, ‘en aan 't hooger eindt van de tafel op een hoogen stoel geplaatst’, kwam een kunstbroeder, Apollo verbeeldende, den dichter een lauwerkrans op het hoofd zetten, en werd hij met deze verzen van Asselijn toegesproken:

 
Apol, omringt met goddelycke straalen,
 
Ontving aldus dat overgroote Ligt.
 
O Fenix, zoo in Zang- en Maat-gedigt,
 
Myn Zoon ghy zult hier met myn Lauwre praalen.
 
Men offerd myn gewyde offer-vieren,
 
U godlyck breyn, vervult met hooge stof,
 
Men wijd aan U, onsterflyckheyt, en lof,
 
En leeft altoos in heylige Lauwrieren.

Onder de huldigende kunstenaars waren o.a. ook Bartholomeus van der Helst, Nicolaas van Heldt Stockade en de mecenas Marten Kretzer. Met zang en toespraken werd de feestavond gevierd, en Lievens maakte een geestige schets van Vondel, staande, met den lauwerkrans getooid. De dichter beantwoordde de zoo sympathieke belangstelling van zijn kunstgenooten met zijn: ‘Inwydinge der Schilderkunste. Op Sint Lukas Feest 1654’. Het vorig jaar had Vondel zijn vertaling van Horatius' Lierzangen en Dichtkunst. In het rijmeloos vertaelt, opgedragen: ‘Aen de kunstgenooten van Sint Lukas, t'Amsterdam, Schilders, Beelthouwers, Tekenaers, en hunne begunstigers’.

Vondel stond op goeden voet met vele schilders, zooals valt

[p. 33]

op te maken uit talrijke bijschriften en lofzangen, die hij dichtte op schilderijen en portretten van kunstenaars; al blijkt daaruit niet altijd 's dichters kunstkennis en -smaak. Behalve Sandrart, telde Vondel onder zijn vrienden Philips de Koninck, Govert Flinck en Herman Saftleven. Het schilderwerk van Bol, Bleeker en Ovens, evenals het beeldhouwwerk van Quellinus heeft hij bezongen. De goudsmid en paarlemoerwerker Dirck van Ryswyck was zijn buurman en huisvriend, ja, zelfs getuige bij een testament van zijn kleinkinderen. Het kunstige zilverdrijfwek van de beide Lutma's schatte de dichter hoog. Dat Vondel Rembrandt niet geringschatte als kunstenaar, bewijzen drie waardeerende bijschriften op portretten van dezen meester; portret-etsen van Th. Matham, C. van Dalen en Corn. Visscher dragen bijschriften van Vondel.

Vondels dichtersnaren bejubelden in Maart 1653 de ‘Vrije zeevaart onder de vlagge van den Doorluchtigen Zeeheldt, Marten Harpertsz. Tromp’, toen deze in den Driedaagschen Zeeslag de vloot van Admiraal Blake verslagen had, zoodat onze koopvaardijvloot veilig de Hollandsche haven kon binnenvallen. Tromp werd weldra in een hooggestemd ‘Uitvaertsgedicht’ herdacht na zijn sneuvelen bij Ter Heyde. Even zwaar was het verlies van Joan van Galen toen deze in de Middellandsche Zee de Engelsche vloot, onder commando van Bodley, had aangevallen en verslagen, maar te Livorno overleed. De dichter vereerde den held met een schitterende ‘Scheepskroon’.

Het meest sprekende portret van Vondel is in 1653 geschilderd door Govert Flink. (Zie de reproductie in kleuren voor in dit Deel). De blik van zijn dringende arendsoogen treft u diep en onvergetelijk. Het stelt hem voor op het toppunt van zijn geniale ontwikkeling, toen hij den Lucifer dichtte: ‘Terwyl ick Lucifer zyn treurrolleer volspeelen, En met den blixem sla op hemelsche tooneelen, Ten schrick en spiegel van de Staetzucht en de Nyt’.

Reeds lang was de dichter vol van dat treurspel; zijn portret door Lievens in 1650 geteekend, vond hij, gaf het zoo duidelijk aan dat: ‘Men vat uit 's Dichters print wat treurspel hij wil dichten’.

Na zijn treurspel Salomon, in 1648 uitgegeven, had Vondel

[p. 34]

geen drama meer geschreven. Dus pas na zes jaar, in 1654, verscheen de Lucifer als een rijpe vrucht van zijn geniale dichtkunst. De stof sproot voort uit 's dichters innigste gemoed. Was onder al zijn dichter-tijdgenooten Vondel de moedigste, hij ontwikkelde zich tevens met de jaren tot den ootmoedigsten van allen. Nederigheid was zijn hoogste deugd: ‘Al wie in ootmoed wordt herboren | Is van het Hemelsche geslacht’ zong hij in Gysbreght. En de afkeer van den hoogmoed bracht hem er toe deze ondeugd ook bij anderen fel te bestrijden, en in zijn gedichten te wraken. Bovenal vervulde hem met afschuw het oudste en sterkste voorbeeld van hoogmoedigen opstand, die van Lucifer en de Engelen tegen God. Verhevener stof voor een treurspel was nog nooit gevonden, en alleen een genie als Vondel was is staat dit onderwerp waardig en grootsch te behandelen. Het verhevenste en tevens diepst aangrijpende drama, waarmede de geschiedenis van de schepping aanvangt, is door geen anderen dichter met zooveel bezieling opgevoerd, en in zulke onsterflijke verzen voorgesteld. Verzen, de volmaaktheid zelve, door hun rijke afwisseling, zoo juist het karakter van de personen en de handeling weergevend. De lieve bruid Eva treft door haar beminnelijken eenvoud; de duivel vol trots en eigenwaan, Lucifer, is aangrijpend van verschrikking en afschuw, en toch weer in zijn aard en karakter zoo echt en waar, we zouden zeggen, menschelijk weergegeven.

‘Het tooneel is in den hemel’, geeft de dichter aan en bepaalt zoo de verhevenheid van zijn spel. Maar God laat hij niet handelend optreden uit eerbied voor het Opperwezen, ofschoon Gods stem steeds gehoord wordt, en Zijn leiding overal uitkomt. Vondels fijn religieus gevoel stelt hem hier boven andere dichters, als b.v. Hugo de Groot, die God op het tooneel laten verschijnen.

Beschouwingen over den inhoud van het treurspel behoeven hier niet gegeven te worden, nu L. Simons in den herdruk van zijn studiën over Vondels Dramatiek, opgenomen in deze uitgave (Dl. III, blz. 75-vlgg.) een voortreffelijke weergave van het drama heeft geschreven.

Hoe werd Vondels hoogste drama ontvangen door het publiek?

[p. 35]

Evenmin als aan de kunst van Rembrandt, viel het aan die van Vondel te beurt door de tijdgenooten te worden gewaardeerd volgens haar werkelijke beteekenis. ‘Claudius Civilis’ werd, onbegrepen, uit het Amsterdamsche Stadhuis verwijderd; Lucifer is, verkeerdelijk opgevat als een godslastering, van het Amsterdamsche tooneel geweerd.

Den 2n Februari 1654 werd Lucifer voor het eerst ten tooneele gevoerd. De Regenten van den schouwburg op de Keizersgracht hadden groote verwachtingen van deze vertooning en lieten opzettelijk een nieuwen tooneelhemel schilderen, die ‘kostelijk en kunstig’ wordt genoemd. Ook de verwachting van het publiek was gespannen; met reden werd verondersteld, dat de regie van het drama gemoderniseerd zou zijn, meer in den smaak van Jan Vos en de zijnen, die toen den stijl aangaven. Jan Vos had Vondel zelfs kunnen overtuigen dat er dansen bijhoorden.aant. De goede en kwade geesten zouden van boven komen gevlogen (vs. 1453-54); bijzondere lichteffecten werden verkregen: ‘Hoe zien de hoffelijcke gevels zoo root?’ Lucifer wordt verheerlijkt ‘met licht en glans van fackelen’ en komt op in een praalwagen door duivelsche geesten voortgetrokken; een heusche slag wordt geleverd tusschen Engelen en Duivelen, waarbij bliksem en donder op het tooneel schrik verwekken.

Door de repetities kon het publiek reeds over dergelijke vele nieuwe bijzonderheden zijn ingelicht. Doch allen werden bitter teleurgesteld; want al gaf de groote belangstelling bij het publiek ook reden om Lucifer den 5n Februari ten tweeden male op te voeren, Vondels oude tegenstanders, de ‘Bedienaren des Woords’ gevoelden zich wederom geroepen, evenals bij Gysbreght, hun beklag bij Burgemeesteren in te dienen, nadat in den kerkeraad de verschijning was bekend gemaakt van, zooals zij het, met een minachtende verdraaiïng noemden: ‘Luisevaers treurspel’ (met die ‘luizige vaerzen’?), van den val der engelen handelende, waarin op een vleesselijke manier de hooge materie van de diepten Godes, met veele ergerlijcke en ongheregelde verdichtselen wordt voorgesteldt’.

[p. 36]

Daarop werd een uitverkoren driemanschap: Ds. Ruleus, en Ds. Langhelij, vergezeld van Broeder Elyson, afgevaardigd om den E.E. Burgemeesteren dit te ‘remonstreeren ende versoecken, dat H.H.A.A. dit met hare autorityt te weeren, dat dese tragedie niet ghespeelt en wort, en tot dien einde de E.E.H.H. in 't particulier te begroeten’. De deputatie gaf zich veel moeite, wandelde van het stadhuis, waar het college vergaderde, naar het huis van elken Burgemeester; maar kreeg tot antwoord, dat zij, ‘door veel occupatiën verhindert waren, tselve van dezen Avont te weeren [nl. op 5 Februari], maar dat het morghen zal verbooden worden, en order gestelt sal worden, dat noit na desen dach meer ghespeelt sal worden’.

Zoo werd Vondels geniaalste treurspel van het tooneel verbannen; ook de uitgave, die in één week reeds was uitverkocht, had de Kerkeraad graag verboden gezien, ‘dewyle de tragedie van Joost vande Vondel, ghenaempt Lucifers treurspel in druck opentlyck te koop hangt, In welcke veele schandelycke dinghen vervat zyn’. - Maar Burgemeesteren gaven blijk meer menschenkennis te bezitten dan de predikanten en berichtten hun, dat zij ‘eenige difucultaiten hadden, zegghende, dat de Luiden des te begheriger zouden zyn om 't zelve te koopen’.

De vergadering der predikanten vernam dit wederom ‘met groote droefheyt’ en besloot om ‘alle mooghelycke middelen teghen dit lasterlyck boeck aen te wenden’. Na een herhaald bezoek, gaven Burgemeesteren toe en beloofden, dat ‘wt Respeckt voor den Kerckenraet de voorschreven tragedie door last van Burgemeesteren sal opgehaelt werden’.

Toch verschenen in 1654 zes verschillende drukken! Vondel oogstte van zijn tijdgenooten niets dan schimp en lasterverzen voor zijn schoonste meesterstuk, waarin hij den val van hoogmoed en staatzucht den volke ter waarschuwing had voorgesteld.

De dichter wreekte zich niet, als voorheen, met felle hekelrijmen; maar zijn tegenstanders, die zijn drama ‘een gruwelspel’ hadden gescholden, stelde hij aan de kaak in het treurspel Salmoneus, dat hij toch wel niet alleen wilde laten opvoeren,

[p. 37]

omdat dezelfde tooneeltoestel als in Lucifer gebruikt kon worden; maar ook om met scherpe ironie de predikanten te parodieeren. De priesters komen daarin voor den dag met de ernstige bezwaren van de predikanten:

 
De tempel moet voor speeltooneelen
 
Den vinger leggen op den mont,
 
Om zulck een' godeloozen vont
 
Van mommerye op haer stellaedje.
 
Een worrem speelt Godts personaedje. (200-204)

Hoog boven de kleinzielige aanvallen verheven, nam Vondel nog een andere nobele wraak op de predikanten. In zijn ‘Samson of heilige wraeck’ speelt de dichter soms zelf mee in de rol van Samson, en de protestantsche kerkeraad als het Orakel van Akkaron, dat wil beletten dat in Dagons tempel, ‘inde kercke, een spel van zinnen’ door den blinden Jood (Samson = Vondel) zal worden opgevoerd.1) Het treurspel is vol van allerlei bedekte toespelingen op het tooneel van Vondel, en van hem geldt het:

 
Die groote stoockebrant zal op een kercktooneel
 
Beschimpen in zyn hart den godtsdisch

en duidelijk is in den mond van de Koorwaerzeggerin, die zich zelf noemt ‘Godts mont’ deze verwensching:

 
De schouburgh moet verzincken
 
Met Dagons kercke en al wat aen dien gruwel vast,
 
Op koorwaerzeggery, noch ons waerschuwing past!

Evenals den vorst van Gaza in de prachtig plastische verzen 668-698, laat Vondel den Aertspriester een lofrede houden op de kunst van het tooneel, dat niets ongodsdienstigs behoeft te hebben:

 
Tooneelspel was van outs verdienstigh by de Goôn
 
Zoo wort hun naem ge-eert, een hoogen draf en toon
 
Gezet op stoffen, die, met weetenschap te schicken,
 
Toehoorders wonderlijck verrucken, en verquicken:
 
Want als de personaedje in 't ende binnen stapt,
 
Dan hoort men hoe al 't volck in zijne handen klapt,
 
Den Goden toejuicht, lacht, en met een luid geschater
 
De schouburgh uitberst, dat het, over wal en water
 
En merckt en hoftin, klinckt, en weergalmt langs de kust. (793-801)
[p. 38]

Een geheel anderen toon dan in zijn vroegere hekeldichten op de predikanten liet Vondel hooren na de tegenwerking bij Lucifer. In een paar geestige liedjes: ‘Uitvaert van Orfeus’, en ‘Speelstryt van Apollo en Pan’ maakte hij hun hatelijke bemoeizucht op luchtigen toon belachelijk. Zich zelf stelde hij voor als Orfeus, die in het mastbosch gezeten, bezingt den strijd van het ‘Reuzerot’ tegen Jupiter (of van de Luciferisten tegen God).

Jolig zingt de dichter: ‘Toen Orfeus met zyn keel, en veel, In 't mastbosch zong, en speelde, Tierelier, tierelier, Dat schoone lustpriëel’, toen kwamen de boomen, de vogels, de wilde dieren naar hem luisteren. Maar onder spel en zang kwam een ‘Rey van Boschbacchanten’ (lees: rei van Predikanten) naar hem toe, en zagen daar ‘Godts Helt in 't velt, En 't bosch; en d'elementen, Bekoort door 't goet gewelt’. En ‘door den dranck dootkranck van zinnen en van zeden’ holden zij voort en bulkten overluid: ‘Wat plaeght ons al dit spelen, daar Bacchus' vreught op stuit’. Valt hem aan ‘met veltgeschrey’; hij moet er onder. Zij werpen hem met keien; een ander breekt zijn stok uit wrok op Orfeus' hoofd, zoodat het brein zijn rok bespat en hij dood neêrvalt, terwijl al de dieren wegvluchten. Het heele bosch raakt aan 't schreien, en de beek- en boomgodinnen betreuren haren zanger. De Wijngod bestrafte de Bacchanten; maar Apollo kwam met de negen Zanggodinnen en verzamelde het gebeente om het klagende te begraven.

Orfeus' hoofd kwam te Lesbos aangedreven, waar een zeeslang, wit van tong, zich wrong om 't bloedig hoofd te likken en te slikken. Zoo werd de Zeeuwsche predikant Wittewrongel, die fel tegen Lucifer was opgetreden, bespot. De dichter troost zich ten slotte:

 
Nu vrees geen' haet en nyt
 
Nu vrees geen' haet en nyt, noch stryt,
 
Wat kan een dier ons schaden,
 
Tierelier, tierelier,
 
Dat gaept, maer niet en bijt.

Ook het andere spotlied de ‘Speelstryt van Apollo en Pan’ hekelt duidelijk de predikanten en hun aanmatiging tegen het tooneel.

[p. 39]

Het treurspel, dat Lucifer moest vervangen, wordt ingeleid door een merkwaardig ‘Berecht aen alle kunstgenooten en voorstanders van den Schouburgh’, dat tot strekking had nu eens voor goed het tooneel te verdedigen tegen de bekrompen aanvallen van een misplaatsten godsdienstijver, die ook vooral ingegeven waren door haat tegen den afvalligen roomschen dichter.

Eerst komt nog een steek aan de predikanten. Hooft had Vondel eens een verhaal gedaan van een voorval in het dolhuis, waar elke gek, op het hooren van een fluitspeler, eigenaardige geluiden en grimassen begon te maken. ‘Toen nu mijn leerachtigh treurspel van Lucifer zoo veel spels maeckte, docht my het verhael van den Heere Drossaert hier niet qualijck op te sluiten, en dat ick mede onder diergelijck gezelschap vervallen was’. Speel ik bijbelstoffen, dan schreeuwt men, dat Gods naam gelasterd en het heiligdom des Heiligen Geestes ontheiligd wordt; bij Heidensche fabelen beschuldigt men mij van ijdelheid en lichtvaardigheid, en bij zinnespelen, om goede zeden te planten, wanen sommigen, [d.z. de predikanten], dat dit alleen aan hen is toevertrouwd. Zoo kan men het niet iedereen naar den zin maken. Aardige herinneringen aan zijn jeugd, brengt Vondel dan te pas in verband met het tooneel. Hoe zijn zuster te Keulen bij een schoolmeester van de Geneefsche gezindheid, voor Mozes' zuster speelde; hoe hij te Utrecht voor het stadhuis, het tafereel van David en Goliath zag vertoonen; en hoe hij bijwoonde den intocht van de Brabantsche kameristen te Haarlem, bij het loterijfeest voor den bouw van het Oudemannenhuis, toen de Barmhartige Samaritaan werd voorgesteld in den optocht, en ‘men speelde eenige weecken voor het stadthuis, in het gezicht der kercke, zonder belet van de kercke’. Dit zijn Vondels oudste tooneelherinneringen, die hij, met een rijkdom van lectuur uit godgeleerde en profane schrijvers te berde brengt om het goed recht der tooneelopvoeringen aan te toonen. ‘Hoewel het tooneelspel zulck eene ry van eeuwen in eere gehouden, gehanthaeft, en oock gehanteert van Keizeren, Koningen, Vorsten, Veltoversten, Staeten en letterwyzen, voor geen gewelt van eenen hoop dringeren en

[p. 40]

dommekrachten zwicht, nochtans past het den voorstanderen der tooneelen niet altijt stomme honden te zyn, maer hunne loflijcke kunst tegens dwersdryvers en tooneelvlegels te verdaedigen, op dat het stichtelijck gebruick des Schouburghs in aenzien en eere blyve’.

De predikanten konden het met deze qualificaties doen. Vondel gevoelde zich nu verre boven hunne aanvallen verheven. Als gezaghebbend tooneelkunstenaar treedt hij op, die zijn tegenstanders met ironie terecht wijst, omdat hun bezwaren niet alle uit zuivere bron voortkomen, maar mede opborrelen uit hun haat tegen dien brutalen ‘paapschen hond’, wiens tooneelstukken meer invloed hadden dan hun predicaties tegen Lucifer.

Wel niet alleen om de blanco pagina's achter Lucifer te vullen, voegde Vondel nog drie vrome gedichten: Moyses Gezang, Het Geloofs-teken der Apostelen en Het Gebedt des Heeren, aan dit treurspel toe. Het eerste is als een verheerlijking der Godheid tegenover den smaad door Lucifers opstand het Opperwezen aangedaan. Door het Geloofs-teken wilde hij weer getuigen voor zijn geloof in ‘De heilge en Katholycke Kerck’. Het derde, een dichterlijke parafrase van het ‘Onze Vader’, geeft de innig vrome stemming aan, waarin de dichter steeds bleef verkeeren. Ook Eenzaeme Aendacht in de Vasten, blijkbaar gedicht bij een prent, een kluizenaar verbeeldende; Gethsemane of Engeletroost en de Lof-zangen van Sinte Agnes en Sinte Klara, stellen hem voor als te mediteeren in een geestelijke afzondering. Het gedicht Ecce Homo bevestigt dit.

De allerlaatste pagina's zijn gevuld met Vondels Noodigh Berecht over de nieuwe Nederduitsche misspellinge, ter verdediging van zijn beginselen tegen de opvatting van Dominus Leupenius, een voorstander van de verdubbeling der klinkers in open lettergrepen. Onze spelling heeft zoo van ouds aanleiding tot strijd gegeven, evenals nog in onze dagen. Leupenius antwoordde in een lang ‘Naaberecht’, en toonde ook in den Lucifer eenige inconsequenties in de spelling aan; hij noemde Vondel een ‘snoode Aerdworm, [die] sich vermeet den helderen Heemel.... in synen

[p. 41]

dònkeren schouwburg te vertoonen’. Gelukkig brengt thans de spellingstrijd, al is hij soms hartstochtelijk, niet meer zulke scheldwoorden mede.

Toen de Secretaris van Amsterdam, Gerardus Hulft, in 1654 benoemd was tot eerste Raad en Directeur-Generaal van Nederlandsch-Indië, was dit niet slechts voor de Vroedschap een reden om hem met geschenken te vereeren, waaronder een kunstig bewerkte tafel van toetssteen; doch ook aanleiding voor Vondel om zoowel dit geschenk, een kunstwerk van zijn vriend Dirck van Rijswijck, den parelmoerwerker, te bezingen, als een bijschrift te maken op Hulfts portret door Govert Flinck. De dichter moet met den Secretaris bijzonder bevriend zijn geweest, want Vondels mooiste portret, ook door Flinck, werd hem aangeboden, waarschijnlijk door de Vroedschap. Wel een bewijs voor de hooge waardeering waarin de dichter stond. Maar vóór dat de beide kunstwerken den Goeverneur bereikten, ja zelfs vóór de verzending, sneuvelde deze in een gevecht te Colombo op Ceylon. Zoowel zulk een tafel, als Vondels portret zijn ten minste nog in het Rijksmuseum te zien.1)

Zeker het voornaamste huwlijksvers door Vondel ooit gedicht, is dat voor Joan de Witt en Wendela Bicker. Niet slechts wegens den hoogen stand van het paar, doch vooral door de edele gedachten en de welluidende verzen. Het spruit uit 's dichters hart, geheel vervuld van ‘De Witt, mijn trouwen held, op Katoos ouden stoel, aan 't roer des lants gestelt’, en van de herinnering aan dien Kato, Oldenbarneveldt, die dezen stoel eens bekleedde. Een prachtwerk, dat in stijl de Geboortklock voor den geest roept, hoewel het geen anderen mythologischen opschik heeft dan de onmisbare vergelijking met Hercules en Venus. De dichter gevoelde ook het politieke belang der verbintenis van den Raadpensionaris met het machtige Amsterdamsche Regentenpatriciaat.

Tal van gelegenheidsgedichten geven blijk van waardeering van Vondels poëzie door voorname Amsterdamsche families; al was

[p. 42]

er wellicht besteld werk bij, dit vermindert niet de waarde van de opdracht. De huwelijken van Hoofts zoon, Aernout met Maria van der Houve, en van Joan Six met Margarita Tulp, beide bruiden dochters van bekwame geneesheeren; van Govert Flinck met Sofia van der Houve, werden bezongen.

Bij de Sixen stond Vondel reeds lang in de gunst. Hij kende het hartelijke familie-leven van de kinderen met de oude moeder Anna Wijmers, en weet in zijn bruiloftsdicht een gevoelige snaar te treffen door van den bruigom en zijn broeders te herinneren:

 
Wat eer wat dienstbaerheit oit kint zijn waerde moeder
 
Van harte opdraegen kon, als een vereischte schult,
 
Die droegenze op aen haer, uit schijn niet, noch vergult
 
Met een geveinst gelaet, maer uit oprechte trouwe.
 
Wat was het een vermaeck voor d'oude weduwvrouwe
 
Zich dus te zien gedient, door haer gehoorzaem bloet!

Het geheele gedicht is fijn gevoeld en intiem; nu volkomen vrij van mythologisch klatergoud. Ook katholieke, en adellijke bruidsparen, Peter Nooms en Beatrix Ram van Schalckwyck, evenals Gysbrecht van Zusteren met Helene Donkers werden door Vondel gehuldigd. En het ‘Inwijden’ in 1655, van Fabio Chigi tot Paus Alexander VII, wel den hoogst door hem vereerden kerkvorst, vond weerklank in Vondels snaren.

Tusschen al dat kleinere gelegenheidswerk moet het voor het dichterhart een opleving zijn geweest zich te kunnen uitstorten bij de Inwydinge van 't Stadthuis t'Amsterdam, het eeuwige monument voor het sluiten van den vrede. ‘De Inwydinge, - zegt zoo juist Mejuffrouw M.E. Kronenberg, in haar voortreffelijke uitgave, - is het hooglied van Amsterdams grootheid’.

Vondel heeft in zijn gedicht den bouw van het Stadhuis mede beleefd. Men ziet hem staan kijken bij het groeiende bouwwerk. Vooreerst bij het heien, als: ‘Het Noortsche mastbosch neemt het Raethuys op den rugh’. Vol leven beschrijft hij het eerste werk boven den grond:

 
De bouw van 't Raethuis schynt op dezen trant te gaen.
 
Dus komt een regement ruighwerckers op de baen,
 
En schickt den baiert op van balcken steen en masten.
[p. 43]
 
Steenzaegers, kanters, en polijsters, fluxe gasten,
 
Een ieder past zijn werck te spoeden, even drock.
 
Men draeft 'er af en aen, op 't luiden van de klock.
 
Men voert pylasters aen, en voedsel voor de muuren.
 
De bicksteen wast en groeit, om al de stadt te schuuren,
 
En d'afval van arduin, vertreden, en veracht,
 
Als puin en stof, betaelt den Trezoorier noch pacht.

Hoe geniet de dichter van den durf der Regenten, die zulk een gebouw lieten optrekken, zoodat: ‘Dus schijnt de weerelt heel om Amsterdam gebouwt’. Hoe vol bewondering is hij voor den kunstzin van bouwmeesters, beeldhouwers en schilders. De architekt Daniël Stalpaert verklaart hem de kunstwerken: ‘Toen Stalpaert mij de kunst aldus liet zien en hooren, Op 't Raethuis, steegh mijn lust... mijn geest gingh weiden, in beelde- en schilderkunst verruckt’.

Het gedicht is vol leven en geestige tafereeltjes: Vondel staat te kijken tusschen het volk bij de Kamer voor huwelijkszaken, waar, evenals nu, de bruidsparen over de tong gaan:

 
Terwijl de drang des volcks en toeloop vast de wangen
 
Der bloode bruiden verft, in 't op-en-nedergaen
 
Van 't Raethuis, naer hun straet, bestroit met pallemblaên,
 
En goude loveren, door eene straet van menschen,
 
Die 't nieugetroude paer den schoot vol zegen wenschen;
 
Of weegen onderling de bruit, en bruidegom,
 
Te rijck, te vreck, te lang, te kort, te wijs, te dom.

Evenals het gebouw, is het gedicht een echt Amsterdamsch kunstwerk. De dichter is nu in zijn volle kracht: eenvoudig, natuurlijk en verheven. Het nu zoo sombere ‘paleis’ was toen als Raadhuis schitterend door den glans van den blanken steen. Moge het weldra ook weer als Raethuys toegankelijk zijn voor iedereen, ter bewondering van wat nog in onveranderden luister is gebleven.

Voor zijn heerlijk ‘Epos van Amsterdam’ werd Vondel door de ‘Regeerders der Stadt’ vereerd ‘met een zilvre kop of schaal’, verhaalt Brandt.

Zoo leefde Vondel het leven mede van zijn grootsche stad; maar ook het godsdienstige Amsterdam had steeds zijn hartelijkste belangstelling. Het ‘Eeuwgetijde van den H. Vader Igna-

[p. 44]

tius’ werd in de Jezuïeten-statie herdacht en door Vondel gevierd in een verheven lierzang. Enkele jaren na zijn huldiging door Vondel, deed Alexander VII den dichter op nieuw een lofzang aanheffen, toen in 1657 de Sociëtas Jesu te Venetië, die in 1606 was opgeheven, door dezen Paus was hersteld.1)

‘Indien ik den troost der psalmen niet hadde, ik verging in mijne ellende’ heeft Vondel gezucht in droevige dagen van tegenspoed en familieleed; bij tusschenpoozen vertaalde hij dan enkele van Davids lierdichten. In 1657 verscheen dit groote werk in 12o formaat, en het werd door den dichter toegewijd aan de Vorstin, reeds lang het voorwerp van zijn bewondering, Christina van Zweden, die, na haar afstand van den troon en bekeering, den toenaam Alexandra had aangenomen ter eere van den Paus. Toen was zij door den dichter reeds bezongen in drie gedichten: Afbeeldinge van Christine der Zweden Gotten en Wenden Koninginne, in 1653; Op den afstant der kroone en het reizen van Koningin Christina, in 1654; en hare Blijde Inkomste te Rome, in 1656.

In de opdracht van de Harpzangen spreekt Vondel Christina toe: ‘Gy, die de kerne en kracht van veele tongen, Oock 't Neêrlantsch kent, zult, zoo my d'eer gebeurt, Best smaecken of ick wel hebb' nagezongen Den Harpenaer, die heilrijck juicht of treurt’.

Weinig bijzonderheden weten wij van de waardeering door Vondels tijdgenooten aan zijn gedichten bewezen. Zeker heeft hij, naast lof, ook hoon ondervonden. Over de Virgilius-vertaling zagen we Barlaeus en Hooft meesmuilen; Huygens vatte eens in een brief aan Hooft zijn oordeel over den dichter als volgt samen: ‘Vondelens geschriften rekene ick onder de dinghen daervan niet wel te oordeelen is. Sy duncken my oneenparigh ende haer selven hier en daer beschamende. Soo valt er in 't gros weinigh van hem te verklaren’. Zulk een meening klinkt toch verbijsterend, en heeft wel als ondergrond wat afgunst, en verblinding door partijdigheid. Huygens' verzen, dikwijls vol valsch vernuft en gezochtheid, zijn door een geheel anderen geest geïnspireerd dan Vondels gedich-

[p. 45]

ten. Alberdingk Thijm heeft de waarde der laatste zoo juist omschreven: ‘Krachtig, frisch, nieuw, geestig, beurtelings stout en teder, gloeyend en liefelyck, vaak verrassend natuurlijk zijn zijne dichtvonden; grootschheid van opvatting en adel van gevoel breekt altijd bij hem door. Bij al de rijpheid en vindingrijkheid van zijn geest, had hij iets kinderlijks, dat iedereen voor hem won’.aant.

Van Huygens' verzen kan dit niet gezegd worden. Hij kan Vondel ook niet echt waardeeren, omdat de Haagsche hoveling nu eenmaal nuchterder van aanleg was dan de eenvoudige Amsterdammer. Vondel, daarentegen, stelde Huygens, als dichter, op hoogen prijs. Zijn Spore voor Christiaen Huigens ... dat hij zijn Heer Vaders gedichten het licht gunne, geeft blijk van bijzondere hoogschatting van deze poëzie. Toen Vondel in 1657 deze uitnoodiging richtte tot den ‘zoon vol geest’, was deze geniale wis- en sterrenkundige door zijn ontdekkingen in de natuurkunde reeds een wereldberoemdheid. En omgekeerd is de schatting, die hij betoonde voor Vondels poëzie zeer opmerkelijk in dit genie, dat geheel voor de wetenschap leefde en zich weinig inliet met politiek of godsdienstkwesties. Aan J. van der Burgh schrijft hij onbevangen wat hij over Vondel dacht en hoe vereerd hij zich door zijne verzen gevoelde. Tusschen allerlei brieven vol mathematische en astronomische betoogen, gericht tot de geleerdste tijdgenooten, worden we verrast door deze oprechte woorden over Vondel:

Je n'entreprendray pas, Monsieur, d'emettre icy les louanges qui sont deues a vos vers,... mais en laisse le soign à mon Pere, qui au moins s'en scaura mieux acquiter que moy, et ne differera pas de vous faire responce et a Monsieur Van Vondel aussi tost que ses forces le luij permettront.... J'en suis de mesme redevable a Monsieur Van Vondele, et en outre de ce qu' en s'adressant à moy par ses vers, il m'a fait de l'honneur que je n'avois ny merité ny attendu. Quand vous le verrez je vous supplie de le luy tesmoigner de ma part, et de l'asseurer que je luy suis comme a vous Monsieur
Le treshumble serviteur
Chr. Huygens de Zulichem1).
[p. 46]

Hoe geheel anders dan 's vaders meening klinken deze woorden; niet in den toon van de toen gebruikelijke, opgeschroefde complimenten, in den regel meer door de mode dan door oprechte waardeering ingegeven. Vondels gedicht is opgenomen in de Korenbloemen van 1658.

In de Turken zag Vondel de ergste vijanden der Christenheid. Over een nederlaag door hen geleden kon zijn dichterlier dan ook niet zwijgen. De Venitiaansche vloot versloeg in 1656 dicht bij Constantinopel deze aartsvijanden van het Christendom, en de dichter jubelt Op den zeetriomf der heerschappye van Venetië: ‘Noch leeft de Zeeleeuw van Sint Marck, | En keert met afgeruckte snuiten | Van Zeegalajen, fors, en sterck, | Op trommelslagh, trompet, en fluiten, | Al brullende, uit het bloedigh perck’.

Heel wat vreedzamer kon nu weer Vondels Jaghtzang klinken aan Johan Mauritius, die aan Burgemeesteren en Wethouders, zijn jachtbuit, wildbraad, had vereerd op hun blijden maaltijd den 2 Februari, bij de vernieuwing van de regeering. Blijkbaar is dit gedicht bedoeld als dankbrief in opdracht van de Vroedschap.

Groot was Vondels vereering voor dezen Prins, dien hij reeds in een ‘Keurdicht’ op zijn keurstadhouderschap had verheerlijkt, toen hij den Keurvorst van Brandenburg vertegenwoordigde ter verkiezing van een keizer in plaats van Ferdinand III.

Vondels eigen rustlooze werk voor studie en poëzie werd door hem zoo juist getypeerd ìn den Knipzang; nu nog ten voorbeeld van velen:

 
Laat het kostelijkst van al
 
U niet reukeloos ontslippen,
 
Dat 's de tijdt, die snel gaat glippen,
 
Zonder dat hy keeren zal.
 
Och, hoe dun is dit getal,
 
Dat zijn uren meet by stippen,
 
Eer de doodt den draadt komt knippen
 
Van hun leven onverwacht.
 
Meest verlooren, minst geacht.