auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft en A.A. Verdenius
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Vijfde deel 1645-1656. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1931
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
| |
Het vyfde bedryf.
LANTSKROON. ADELAERT. VRERICK.
1695
Wy naecken d'offerplaets: helaes, men kan niet spader. vs. 1695
Mijn waerde zoon, vergeef, vergeef het uwen vader,
Die, als zijn eigen kint, u opvoedde in zijn huis,
Dat hy, geperst door noot, en schricklijck lantgedruis, 1698
Het onverzoenbaer recht des Zoendaghs niet kan schorten. 1699
1700
Godtvruchtigheit verbiet de Godtheit te verkorten: 1700
Medoogenheit gebiet dat ick uw leven spaer'.
Wat voelt mijn geest een' strijt! o wreet verzoenaltaer,
O zode, durftghe wel het bloet der Goden lecken,
Daer lindeschaduwen oock spin en padden decken? 1704
1705
En zal dit heiligh root besprengklen 't groene bedt,
Dat noit met zulk een bloet gevlackt wert, en besmet? 1706
Wat raet, mijn kint? De zon van uwe jeught aen 't blincken,
En naulix opgegaen, begint in 't gras te zincken,
Als d'andre zon in duin: maer dees keert morgen weêr;
1710
Het licht van uwe jeught en jongkheit nimmermeer. 1709-10
Mijn vader, langer niet mijn vader in dit leven,
Ghy hebt uw eigendom de Godtheit zelf gegeven,
En ick mijn zelven gansch vereert aen 't algemeen; 1713
Benijme niet dien krans, een lot, dat ieder een
1715
Niet toevalt. Laetme gaen den schutter zelf verrassen. 1715
Rechtschapen karel past op dootshooft noch grimmassen 1716
Van grijns of schors des doots, die kinders hier vervaert. 1717
Geluckigh sterft hy, die zijn doot met eere paert. 1718
Nu hoor ick Waerandier noch leven in den zone,
1720
En ken hem in zijn kroost. Dat vader Pan u kroone, 1720
| | | |
Die uwen vader volght in moedigheit en deught. 1721
'k Geloof zijn assche springt en huppelt nu van vreught;
Indien de beenders noch, in hun geruste stoelen, 1723
Zich moeien met ons lot, en iet van 't weereltsch voelen. 1724
1725
Hy scheide met dit woort, van Koenraets arm gestut: 1725
Ick leefde minst voor my, en sterf om 's anders nut.
Ga hene, groet dien helt: vertel hem d'ongelucken,
Die, na zijn ongeluck, niet lieten ons te drucken.
Mijn zoon, indien u noch iet weereltsch quelt, en smart,
1730
Ontdeck my voor het leste al wat 'er leit op 't hart.
De Hemel blijve op ons in eeuwigheit verbolgen,
Indien wy uw verzoeck en jongsten wil niet volgen. 1732
Ick heb een bede op u, en twijfel 'er niet aen 1733
Zy wort gewilligh van u beide toegestaen
1735
Aen een', die gaerne sterft, en vrolijcker zal sterven,
Indien hy na zijn doot 't beloofde magh verwerven.
De lantkappel, de beeck, de lindeboom, de lucht,
Het velt, het stomme vee, de vogel in zijn vlught
Getuige van uw bede, en 't geen wy u beloven.
1740
De donder sla het ooft met vlaegh op vlaegh van boven;
De hagel sla met kracht den bloessem op den boom,
Houdt elck van ons u dit niet eerelijck en vroom. 1742
De koe ga grazeloos en dor en mager quijnen; 1743
De vogel schuwe ons lucht; de duin verjaegh de knijnen; 1744
1745
De visscher vange en vissch' gedurigh achter 't net; 1745
Indien men dezen eedt niet nakome, als een wet.
Houdt op, ick ben gerust, en zonder eedt te vrede.
Uw woort is my genoegh: oock wil ick met geen bede,
Die hooger dan de maght, en boven reden ga, 1749
1750
Belasten eenigh mensch, noch moeien tot zijn scha. 1750
| | | |
Ghy, vader, weet het wel, en d'omgelege dorpen
En duinen, hoe ick 't oogh zoo vierigh had geworpen 1752
Op schoone Hageroos; hoe d'ongelegen tijt 1753
En twist my dit geluck misgunt hebbe en benijt. 1754
1755
Zy blijve nietemin onschuldigh, onbesproken. 1755
De min is keur, geen dwang. Het werde niet gewroken 1756
Aen iemant, die mijn woort ter quader trouwe hiel. 1757
'k Verzoeck alleen op u, indien het zoo geviel, 1758
Dat deze schoone bloem oock maeght quaem t'overlijden, 1759
1760
(Zy leve na mijn doot) ghy woudt mijn grafsteê wijden
Met zulck een zuiver lijck, en onder eenen zerck 1761
Haer zincken in mijn graf, met dit gedicht, en merck: 1762
Hier sluimert Hageroos, by Adelaert gezoncken: 1763
Haer koudt gebeente kan zijn assche noch ontvoncken.
1765
Ick zweer, zoo dat gebeure, en hou het voor gewis,
Een staetsi zal haer lijck, gelijckze waerdigh is, 1766
Gebeuren, langs den wegh, bestroit met groene meien,
En palm en lauwerier; ick zelf de baer geleien, 1767-68
En volgen hangends hoofts, en storten overluit 1769
1770
Mijn' zegen over uwe en hare beenders uit.
Een ieder wil zijn gunst aen zulck een staetsi schencken; 1771
Geen huisman dan zijn vee in sloot of beke drencken;
Geen koe zal haren mont eens zetten aen het gras;
Dat treure, als of zijn groen verslenst verstorven was. 1774
1775
Men zal uw' zerck rontom beplanten met cypressen,
En wenschen datze in 't graf uw minnevier magh lesschen. 1776
Mijn vader, laet ick u omhelzen met een' kus.
Mijn zoon, dat geene doot d'oprechte liefde blussch',
Waermede ick u, een wees, uit vaderlijck ontfarmen,
| | | |
1780
Ontfing in mijnen schoot, en druckte met deze armen
Zoo hartlijck aen mijn hart, het welck benauwt, alree
Dien wilden pijl gevoelt. O smert! o hartewee!
De Goden loonen u al 't goet, aen my bewezen;
Schep moedt: rechtschapenheit behoort geen' pijl te vreezen.
1785
Dat ick u mede omarme, o roem van Leeuwendael!
Ga rustigh hene: sta zoo pal, gelijck een pael. 1786
Uw vromicheit zal doot, en boogh, en pijl vervaren. 1787
Dat u de Goden lang tot nut der menschen sparen.
Ontslame: laet ick my vernedren op mijn knien, 1789
1790
En voor de lantkappel noch d'uiterste eere biên
De Godtheit, die my wacht ten offer, haer beschoren. 1791
O vader Pan, ben ick uit 's Woudtgodts stam geboren,
En eerde ick altijt vroom de Godtheên van de jaght,
Van acker, bosch, en vee, en wat men heiligh acht,
1795
Zoo laet u door mijn doot voor 't lest genadigh stillen: 1795
Verbie zulck offeren, dit jaerlijcks menschespillen;
Een bloetwet al te zwaer. Vermorwt u 's volcks geklagh,
Zoo geef dat Leeuwendael eens adem scheppen magh.
Hier op neem 't offer aen, dat wy u heden schencken.
1800
't Gaet wel, de Godtheit schijnt u gunstigh toe te wencken. 1800
Nu entlijck ree gestaen voor 't outer van den boom. 1801
Waer blijft de Wildeman? ick wacht hem, dat hy koom'.
Ay, vader Lantskroon, ay, wat keert ghy 't hooft ter zijde?
Wat schroomt ghy het geluck, dat my fortuin benijde, 1804
1805
En weigerde al te lang, t'aenschouwen? Keer u om.
Zoo tart mijn hart den pijl, en heet hem wellekom. 1806
De Wildeman genaeckt: zijn schreden zijn niet verre.
Ick zaegh mijn heil voltoit, zoo nu mijn morgenstarre,
Mijn lieve Hageroos hier tegenwoordigh stont,
1810
En my gewaerdighde mijn' geest met haren mont 1810
| | | |
Te vangen, als de ziel ter hartewonde uit zal vaeren, 1811
Noch root en warm van bloet, van bloet, het welck ick gaeren
Ten besten geve, indien ick in haer gunste sterf. 1813
WILDEMAN.
Hier is de Wildeman, de Lantplaegh, het bederf 1814
1815
Der wrevelmoedigen, die d'Ackergoôn onteeren. 1815
Hy liet zich van geen' Reus noch Herkules braveeren, 1816
Van Moor, noch Polyfeem, noch hallef man en paert, 1817
Noch menschevreters, die afgrijslijck wilt van aert,
Gebogen voor zijn' boogh en knodts, zich lieten binden.
1820
Hy groeit in menschejaght, en rooven, en verslinden, 1820
En stapt waer hem de wraeck der Goden henedrijft.
Het gelt nu Leeuwendael, dat noch krackeelen blijft. 1822
Waerachtigh dat's het wit, het welck ons past te raecken. 1823
Sta vast, dit horenpunt zal door de ribben kraecken. 1824
1825
Daer leit het quastigh hout, ons knodts, zoo lang in 't gras. 1825
Nu stijgh dien heuvel op, en mick, en schiet hem ras.
Welaen, mijn fixe boogh, ghy hebtme noit bezweecken; 1827
Mijn wollefspees, te taey in 't recken om te breecken,
Gedoogh dat ick u spann' veel stijver dan voorheen.
1830
Nu op den nagel eerst de scherpheit van het been
Des pijls aldus geproeft: het noodighste moet voorgaen,
Nu aengeleit: sta vast: sta vast, dat zal 'er doorgaen.
HAGEROOS. ADELAERT. VRERICK. WILDEMAN.
Maer allereerst door my. De Wilde treff' mijn hart,
Dat uwent halve koen den strengen moortboogh tart. 1834
1835
Mijn lief, mijn Adelaert, omhels my eens voor 't leste:
Uw trouw verplichte my: nu geef ick 't lijf ten beste, 1836
En trede in uwe plaets. Wat toeft de Wildeman?
Geen schooner wit dan dit. Dat hij den moortboogh spann'
En aenlegge op mijn borst. Schiet toe, schiet toe, ghy rover.
1840
Och Hageroos, mijn bloem, mijn troost, wat komt u over? 1840
| | | |
Wat razerny is dit? wat dolheit komt u aen? 1841
Vertreck, ick ly het niet.
Hoe kan ick schooner staen?
Zoo moet een lief haer lief beschutten, en beschermen.
Zoo sterfze, wel getroost en vrolijck, in liefs armen.
1845
Ghy sterven? neen gewis. Dat ghy uw leven spilt 1845
Voor 't mijn, en uwe borst my diene voor een' schilt;
Ick ly het niet: vertreck, vertreck, mijn uitverkoren.
De Goden eischen my, ten zoen van hunnen toren.
De Goden wraecken my, zoo 't offer hun mishaeght. 1849
1850
Hier wort een jongelingk vereischt, en geene maeght.
Welaen, zoo laet een pijl dan twee gelieven paren, 1851
En recht door mijne borst in 's minners boezem varen, 1852
En hechten hart aen hart, en lijf aen lijf te hoop, 1853
Zoo paren minnaers best: men leit geen' vaster knoop. 1854
1855
Dat gelt dan man en wijf: ick zweer het by den vader. 1855
Vertreck, mijn kint, hy schiet, hy schiet u bey te gader.
Schiet toe, ghy Wildeman, schiet toe: schiet toe: geen noot.
Al wie uit liefde sterft, die sterft de zoetste doot.
Hou op, o Wildeman. o Hageroos, mijn leven.
1860
Doorschiet mijn' boezem eerst. 1860
Ghy zult er beide kleven.
Ick ken noch maeght, noch knecht, wie achter staat, of voor. 1861
De boogh en pijl zijn blint. Dat kost, dat gaet 'er door. 1862
| | | |
PAN.
Hou op, o Wildeman: gehoorzaem ons geboden:
Ontspan den wilden boogh; nu mickt ghy naer ons hart.
1865
Het huwlijck van een paer, geteelt uit Ackergoden,
Vereenigh' Leeuwendael, na zoo veel twist en smert.
VRERICK. LANTSKROON.
Gelooft zy vader Pan, bezorger van ons allen. 1867
Hoe staet de Wildeman? de moedt begint te vallen:
Hy treckt de schouders op, en schudt zijn hooft, noch warm
1870
Van toren. Hy bedaert, en schort met zijnen arm 1870
En ocksel vast de knodts, en deist, niet zonder stenen. 1871
Zoo druipt een suffer af, die tusschen zijne beenen 1872
Den staert vast intreckt, als een dogh, hem veel te sterck, 1873
By d'ooren heeft geschudt, gebeten uit het perck. 1874
1875
Gelooft zy vader Pan, bezorger van ons allen.
Men offre hem geen koe, noch kalf, maer heele stallen.
Hy toomt den Wildeman, verschoont het vrome bloet, 1877
Uit 's Woudtgodts struick geteelt. O Leeuwendael, schep moedt, 1878
Maer zie dit vrolijck paer elckandere nu kussen,
1880
En vryen, mont aen mont: wy hangen ondertusschen
Om d'uitspraeck van Godt Pan in twijfel. Hoe? wat is 1880-81
Het hart van Pan? wie melt ons dees geheimenis? 1882
Wat paer, uit Ackergoôn, en goddelijcken bloede,
Vereenight Leeuwendael? naerdien men noit bevroedde 1884
1885
Waer Vredegunt belandde, of van een kint gelagh; 1885
Het eenigh, daer de hoop van Duinrijcks stam op zagh. 1886
'k Geloof Velleede zou 't Orakel niet ontvouwen. 1887
KOMMERYN. VOLCKAERT. VRERICK. LANTSKROON.
Ick koom ter goeder tijt uit andere landouwen, 1888
Naerdien ick spreken hoor van onze Vredegunt.
| | | |
1890
Wat zegtghe, bestemoêr? 1890
Met oorlof, Heemraet, kunt
Ghy my berichten of de vondeling magh leven?
Is Volckaert niet uw naem?
Het zy zoo, dat 's om 't even. 1892
Wat leit u aen mijn' naem? men noemtme zoo van outs. 1893
My dunckt ick kende u eer, en ken u noch, Godt woud's. 1894
1895
Berichtme toch van 't kint, dat iemant in de heggen,
Op uwe hofstede, eer te vondeling liet leggen. 1896
Hoe moeder? kent ghy dat? en zijn gelegenheit? 1897
Of schort het u in 't hooft?
Geen mensch kan u bescheit 1898
Van zijn geboortelot, en staet, en oudren geven
Den Rijnstroom afgedreven,
Uit eenen hoeck, daer oock de tweedraght op de been,
De rust versteurt; en 's nachts my Vredegunt verscheen, 1901-2
En riep: vertreck, eer u hier nieuwe ellenden drucken.
Bezoeck ons out gewest, het zal u daer gelucken. 1904
1905
Hoe heeft my d'ouderdom verandert, en mijn buurt?
'k Vertrouw de hemel heeft haer herwaert aen gestuurt. 1906
Ick ken dit aengezicht: ick bidde u hoortze spreken. 1907
Heeft iemant van ons vleck erglistigh dit besteken? 1908
Zie voor u, bestemoêr, en stel ons niet te leur 1909
1910
Met logentael, of droom: ghy staet hier voor de deur
Der lantkappelle, en kunt de Godtheit niet bedriegen.
| | | |
Laet andren vry haer tong verhuren om te liegen,
Te beuzelen by 't volck, dat gaerne wort gestreelt: 1913
't Is mijn gewoonte niet; hoezeer ick ben misdeelt
1915
Van 't avontuur, dat my, van have en man versteken, 1915
Zoo lang heeft omgesolt in onbekende streken. 1916
Ghy geeft uw zeggen schijn van waerheit, en van reên: 1917
Maer komt uw rede niet in alles overeen, 1918
Zoo wil het haperen: men zal uw woorden wegen. 1919
1920
Hoe is uw naem? Hoe is 't met uw fortuin gelegen? 1920
Mijn eigen rechte naem is Kommerijn, en stemt
Geheel met mijn fortuin. Ick ben hier niet zoo vremt, 1922
Of wert 'er opgevoedt, gewonnen, en geboren. 1923
'k Heb bey mijn ouders vroegh, ocharm te vroegh! verloren. 1924
1925
Het Leeuwendaelsch krackeel stont my te bijster duur, 1925
Het koste goet en bloet, en leerde een weeuw hoe zuur
Men aen zijn' nootdruft raeckt, daer luttel valt te winnen. 1927
Ick zworf in ballingschap rontom, en kloeck aen 't spinnen, 1928
Beholpme in eerbaerheit alleen, en onhertrouwt. 1929
1930
Zy zworf van deur tot deur, en komt hier arm en out,
En brouwt, om wat genots, de waerheit met de leugen. 1931
Heught u van ons krackeel? 1932
Dan my, die 't eeuwigh smert, dat dit krackeel ontstack, 1933
Gelijck een vuile pest, en sloegh van dack in dack,
1935
Noch feller dan een brant, onmogelijck te blusschen?
Men raeckte hantgemeen: de vroomste schoot 'er tusschen, 1936
Die stercke Waerandier; (hij kreegh den naem van Helt
Niet ydel, noch vergeefs) en Duinrijck zocht gewelt 1938
| | | |
Te schutten, aen zijn zijde, en misverstant te scheiden; 1939
1940
Maer lieten 'er den hals, dat menighten beschreiden. 1940
D'oprechte Godelief verscheide op dit gerucht, 1941
En Lantskroon nam het kint: maar Duinrijcks weeuw bevrucht,
Ontvloot benaeuwt dien moort, en quam uit noot, in heggen 1943
En duin, van eene vrucht, een dochter, te geleggen. 1944
1945
Ick vlughte aen haere zijde, en tuige u waerze bleef. 1945
Getuightghe nu een zaeck, wel twintigh jaer geleden? 1947
Ay Heerschap, steur u niet: dit heeft al meê zijn reden. 1948
Zijt ghy met Vredegunt uit Leeuwendael gevlught?
1950
Zoo waerlijck helpme Pan. Ick berghde zelf haer vrucht, 1950
Toen zy in duin beviel, en storf met deze woorden:
O minnemoêr, de haet zal zoecken te vermoorden 1952
Door lagen of vergift de hoop van Duinrijcks struick, 1953
Dit arm onnozel wicht; dies wil ick dat het duick', 1954
1955
En schuile twintigh jaer, bedeckt voor vrient en mage.
Dit zwoer ick haer, en ley het kint in uwe hage
Te vondeling, heel vroegh, op eenen morgenstont.
Ghy zorghde voor de vrucht, en niet voor Vredegont?
Die storf: ick hebze in duin en onder 't zant begraven,
1960
En vliedende den twist, verkoos een stille haven.
Wat zou men doen? Ick schuwde ons lantplaegh, vol gevaers,
En 't vleck, daer Koeman, och mijn man, gelijck een baers,
Gekerft wiert met een mes, van Vechter, die smoordroncken, 1963
Hem neêrley, daet hy zat, zoo stil, en niet beschoncken. 1964
| | | |
1965
Och Koeman, och, hoe dick heb ick een' man ontzeit, 1965
Mijn schorteldoecken nat, mijn oogen uitgeschreit? 1966
Waer vont men oit een weeuw, zoo stil, en droef van harte,
Als uwe Kommerijn, vol kommer, en vol smerte?
Maer wat verzekert ons van zulck een vondeling? 1969
1970
De bloetroos op den arm, en Duinrijcks merrekring, 1970
Die Vredegunt my schonck, om eeuwigh te bewaren:
Wat zienwe? Duinrijcks merck, een knijn in duin, een knijn.
Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsche schijn: 1974
1975
't Verhael hangt hecht aen een: hier mangelt niet een schakel. 1975
Nu kan ick Pan verstaen, en zie door zijn orakel 1976
Den klaren dagh. Dit paer, uit Woudt-en-Veegodts bloet,
Ontslaet ons Leeuwendael van jaerlijcksche offerboet. 1978
Dees Maeght is 't hart van Pan, haer grootvaêr, en behoeder.
1980
Koom herwaert, dochter, koom, omhels uw tweede moeder,
Omhels nu Kommerijn, en onderstutze in noot.
Z'ontvouwt ons uw geboorte, en berghde u in haer' schoot.
Men hylicke Adelaert en Hageroos te gader. 1983
Ick stel my heden in, gelijck een Vredevader, 1984
1985
Op dat men haet en nijt, als in een graf, bedelf.
De Noortzy blijf voortaen een VRIJHEIT op zich zelf, 1986
Zijn' Heemraet onderdaen. Dat Volckaert daer regeere 1987
Ten beste van het volck, en twist en onheil keere.
Malkandren nu omhelst, en tot een vredepant 1989
1990
Gezegent, en begroet, verwelkomt, hant aen hant:
Dit paer geluck gewenscht, het bruiloftsliet gezongen,
| | | |
En met een rondendans eens in de boght gesprongen, 1992
Ter eere van den Vrede, en onzen Vader Pan,
Die in verlegenheit zijn kinders redden kan, 1994
1995
Hen zegent, na den vloeck, en op der vromen bede,
Door lanttwist baent den wegh tot rust, en PAIS en VREDE.
REY VAN LEEUWENDALERS.
't Is bruiloft in de weide: 1997
't Is bruiloft op het lant.
2000
En huppelt hant aen hant,
Door ongeveinsde min gepaert,
Door reine liefde en trouw vergaert. 2003
2005
De Zuidt-en-Noortzy paren
Zich in dit paer te hoop. 2006
De tweedraght is vervaren: 2007
Men leit een' vasten knoop.
Men weet van lantkrackeel, noch nijt,
2010
Van wederwaerdigheit, noch spijt: 2010
Men zoent, omarmt, bemint en vrijt.
Wy zien de huisliên blijde, 2013
Krieoelen onder 't vee. 2016
De Heemraet leit den Haet aen toom.
De koeien geven melck en room.
Het is al boter tot den boôm. 2019
2020
Men zingt al PAIS en VRE.
|
1698geperst: gedrongen; lantgedruis: onrust, rumoer in het land.
1699schorten: tegenhouden.
1700verkorten: te kort doen, in zijn recht verkorten.
1709-10Dezelfde gedachte is in de vorige Rei uitgedrukt.
1713mijn (vorm uit de volkstaal, door V. in deze periode gewoonlik vermeden): mij; vereert: geschonken; 't algemeen: het algemene welzijn, de gemeenschap.
1715toevalt: ten deel valt.
1716Rechtschapen karel: een flink man; past op: geeft om; grimmassen: vertrokken gezichten. Blijkens de mm brengt V. dit woord in verband met grimmen.
1717grijns of schors: lelik afschrikwekkend uiterlik (vgl. 1682); vervaert: schrik aanjaagt.
1718zijn doot met eere paert: zich eervol met de dood verbindt, zich aan de dood overgeeft.
1720kroost: afstammeling, zoon.
1721moedigheit en deught: kloekmoedigheid en dapperheid.
1723geruste stoelen: rustige verblijfplaatsen.
1724moeien met: bekommeren om; iet: iets.
1733een bede op u: een verzoek aan u.
1743grazeloos: zonder gras.
1744duin: bij V. vrouwelik.
1745gedurigh: voortdurend; achter 't net: waar niets meer te vangen is.
1749Die onuitvoerbaar en onredelik is.
1750moeien: het lastig maken, bezwaren.
1752vierigh: vurig verlangend.
1753d'ongelegen tijt: de treurige tijdsomstandigheden.
1755onschuldigh: ik geef haar niet de schuld; onbesproken: ik keur het niet in haar af, maak er haar geen verwijt van.
1756is keur: berust op vrije keuze; werde: tegenw. tijd: laat het niet gewroken worden.
1757iemant: nl. Hageroos; ter quader trouwe hiel: niet als oprecht gemeend beschouwde.
1759maeght: als maagd, ongetrouwd.
1762zincken (bij V. ook causatief): doen dalen.
dit gedicht, en merck: deze kenschetsende verzen.
1763gezoncken: neergelaten in het graf.
1766staetsi: plechtige uitvaart.
1767-68Gebeuren: ten deel vallen; meien, en palm en lauwerier: palmen lauwertakken.
1769hangends hoofts (oude absolute genitief): met hangend hoofd.
1786rustigh: kloekmoedig, geestkrachtig.
1787vromicheit: onverschrokkenheid; vervaren: vrees aanjagen.
1789Ontslame: laat mij gaan; vernedren: verootmoedigen.
1791haer beschoren: voor haar beschikt, haar toegedacht.
1795voor 't lest: in deze laatste ogenblikken.
1800Hij meent een gunstiger gelaatsuitdrukking te lezen uit het beeld van Pan.
1804dat my fortuin benijde: dat het Lot mij niet vergunde ( benijden wordt bij V. meermalen zwak vervoegd), nl. te sterven ten bate van het algemeen.
1810gewaerdighde: de gunst verleende (vgl. vs. 190); mijn' geest: mijn ziel, die met de laatste adem ontweek, kussend op te vangen.
1811Volgens deze voorstelling zetelde de ziel eerst in het hart, dat met de pijl doorboord zou worden.
1813Ten besten geve: prijs zou geven; in haer gunste: door haar liefde begenadigd.
1815wrevelmoedigen: snodaards.
1816van: door; braveeren: trotseren, overbluffen.
1817Polyfeem: vgl. vs. 1416; hallef man en paert: Kentaur.
1820groeit in: verheugt zich in, geniet van.
1822Het gelt: het is gemunt op.
1823wit: doel (vgl. 1838); ons past te raecken: wij moeten treffen.
1824horenpunt: pijl met hoornen punt.
1825quastigh: voorzien van kwasten, knoesten.
1827fixe: stevige bezweecken: in de steek gelaten ( Ned. Wdb. II, 2521).
1834uwent halve: om uwent wille; koen: vastberaden.
1836verplichte my: verbond mij aan u (door de plicht van dankbaarheid). Nu geef ik mijn leven voor u prijs.
1840wat komt u over?: wat bezielt u, wat gaat ge beginnen?
1841komt u aen: overvalt u.
1849Laat de Goden mij (als offer) niet aanvaarden, verwerpen (accent op Goden).
1854minnaers: geliefden; leit: legt.
1855Dat gelt: dit (schot) is dan bestemd voor.
1860kleven: blijven hangen, het leven verliezen (vgl. 1286).
1861Ick ken: ik maak geen onderscheid tussen; knecht: jongeling.
1862Dat kost: synoniem met: dat geldt: nu wordt het ernst ( Ned. Wdb. IV, 1079).
1871vast: intussen; deist: gaat achteruit.
1872suffer: laffe hond (vgl. 1380).
1874Met het vorige vers hem aan te vullen; gebeten: door bijten verjaagd; perck: strijdperk.
1877het vrome bloet: de dappere afstammeling.
1880-81vryen: liefkozen; hangen in twijfel: verkeren in onzekerheid; Om: betreffende.
1882Wie verklaart ons dat geheim?
1884naerdien: aangezien; bevroedde: te weten kwam.
1886op zagh: naar uitzag; waar de hoop op gevestigd was.
1887't Orakel ontvouwen: de orakelspreuk verklaren.
1888ter goeder tijt: op het juiste oogenblik; landouwen: streken.
1890bestemoêr: vrouwtje; Met oorlof: met uw vergunning, d.w.z. mag ik zo vrij zijn.
1892dat 's om 't even: dat doet er niet toe.
1893Wat leit u aen: wat is u gelegen aan, wat kan u schelen.
1894eer: vroeger; Godt woud's: uitroep: bij God, waarachtig! De oorspronkelijke betekenis (God beschikke het) werd sinds lang niet meer gevoeld.
1896eer: eertijds, indertijd.
1897dat: dat kind; zijn gelegenheit: de omstandigheden waarin het verkeerde, wat er mee gebeurd is.
1898bescheit: inlichtingen.
1901-2Nl. uit Duitsland, verdreven door de dertigjarige oorlog; op de been: aan de gang; Vredegunt, zie vs. 24.
1904het zal u gelucken: gij zult daar voorspoed hebben ( Ned. Wdb. IV, 1302).
1906herwaert aen: hierheen.
1907hoortze spreken: laat ze uitspreken.
1908besteken: beraamd, dit listige plan in elkaar gezet.
1909Zie voor u: neem u in acht; ik waarschuw u.
1913beuzelen: onzinnige praatjes houden.
1915Van 't avontuur: door het lot; versteken: verstoken, beroofd.
1916omgesolt: doen rondzwerven ( omsollen: heen en weer slingeren; Ned. Wdb. X, 556).
1917reên: redelikheid, waarschijnlikheid.
1918Maar als uw gegevens onderling niet overeenstemmen.
1919Zoo wil het haperen: dan zal het er slecht voor u uitzien ( haperen: blijven steken); Ned. Wdb. V, 2134.
1920uw fortuin: uw lot, uw omstandigheden.
1922Haar naam wijst op ‘kommer’ (vgl. 1968); vremt: oude vorm naast vreemd.
1924ocharm: ach (oorspr.: och (ik) arme).
1925stont my duur: kwam mij duur te staan; te bijster: zeer.
1927nootdruft: levensonderhoud; daer: waar.
1928zworf: zwierf (vgl. beholp (1929) naast jonger: behielp, en storf (1951); rontom: overal heen; kloeck aen: ervaren in.
1929Beholpme: voorzag in mijn onderhoud.
1931brouwt: mengt; om wat genots: om er voordeel uit te trekken.
1932van ons krackeel: onze twisten. De bepaling met van kwam in de plaats van een oude genitief.
1933ontstack: ontbrandde.
1936vroomste: dapperste; schoot 'er tusschen: mengde zich in de strijd.
1938Niet ydel: niet ten onrechte.
1939schutten: afweren; misverstant: onenigheid, twist.
1940Het onderwerp zij is niet uitgedrukt; den hals: het leven.
1941oprechte: brave. Godelief was Waerandier's vrouw en Adelaert's moeder; verscheide: stierf; op dit gerucht: na die tijding.
1943benaeuwt: in haar angst; moort: moorddadige strijd.
1944geleggen: bevallen (vgl. 1885).
1945tuige: zal ik getuigen.
1947Accent op nu: Komt ge eerst nu met dat getuigenis?
1948steur u niet: word niet boos; al meê: ook al.
1950berghde: bracht in veiligheid.
1952minnemoêr: later verkort tot min.
1953struick: stam, geslacht.
1954duick': verborgen blijve.
1965ontzeit: (zijn aanzoek) afgeslagen.
1966schorteldoecken: later verkort tot schort: voorschoot.
1969wat verzekert ons: welke stellige bewijzen hebben wij.
1970Zie Inhoudt, r. 22 en 18.
1974Dit komt op waerheit uit: deze mededeling blijkt waar te zijn; liegt: bedriegt.
1976verstaen: begrijpen. Ik zie nu licht in de duistere orakelspreuk.
1978offerboet: vgl. 1557.
1983hylicke (Noord-Hollandse vorm): verbinde door huwelik.
1984Ick stel my in: ik treed op, bied mij aan als ( Ned. Wdb. VI, 1993).
1986Vrijheit: vrije staat (vgl. Inhoudt, r. 51).
1987onderdaen: onderdanig aan.
1989tot een vredepant: als een onderpand voor de vrede (nl. hun verbintenis).
1992boght: rondedans; in de boght gesprongen: hand aan hand een rondedans uitgevoerd ( Ned. Wdb. III, 18).
1994verlegenheit: treurige omstandigheden.
1997Vgl. Geboortklock: vs. 671.
2003vergaert: (in huwelik) verbonden.
2006te hoop: bijeen (vgl. 1853).
2007vervaren: heengegaan.
2010wederwaerdigheit: tegenspoed; spijt: verdriet.
2013huisliên: boeren, landlieden.
2016Krioelen: oorspr.: zich in groten getale wemelend bewegen ( Ned. Wdb. VIII, 281); in dit verband: ijverig bezig zijn, te midden van.
2019tot den boôm: tot de bodem. Bekende spreekwijze: het is alles even voorspoedig, even heerlik.
|
|