auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft en A.A. Verdenius
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Vijfde deel 1645-1656. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1931
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
|
| |
| | | |
Lyckzang over den Heer Kasper van Baerle, Professor t'Amsterdam.aant.*
MUSA VETAT MORI.
Nu daelt de gansche Helikon vs. 1
In rouwe, en schreit een Hengstebron
Van tranen op Apolloos zoon. 2-3
Apollo treet zijn lauwerkroon
5
Met voeten, en verteert, en smilt
Tot water. Och, wie paeit, wie stilt 6
Den vader, die zoo root beschreit, 7
Zijn goude stralen nederleit
Om dien herboren Klaudiaen. 9
10
Een Godt stort nimmermeer een traen,
't En zy om iemant van zijn bloet, 11
Op Pindus toppen opgevoedt.
Nu zwijght de honighzoete tong
Des nachtegaels, die eeuwigh zong,
15
En quinckeleerde 't heele jaer;
Die harp, teorb, en cimbelsnaer, 16
En orgels mengde met zijn keel.
Dees Koopstadt, die een lustprieel, 18
Een Tempe scheen, vol zangk en klanck, 19
20
Begint te quijnen, en leit kranck
Voor over op dien kouden zerck.
| | | |
Een zantkuil, een bekrompen perck 22
Begrijpt dat groote lijck, wiens faem 23
De werelt valt te kleen, en aêm
25
En leven schept uit 's Dichters stof;
Waer eenigh Rijck of Vorstenhof
Hem eert voor zijne heldenmaet; 27
Zoo lang hy luit of trommel slaet.
Ons Hollandt mist zijn Zanggodes,
30
En Aristotels wijze les, 30
En Hippokraet, en Cicero 31
In 't eene lijck. Helaes, hoe noo
Verliest een kenner zijn juweel! 33
Zoo valt oock 't eelste een graf ten deel. 34
35
Men houwe 'r, in een' lauwerkrans,
Dees letters op, ten roem des mans:
Hier sluimert BAERLE neffens HOOFT. 37
Geen zerck hun glans noch vrientschap dooft. 38
|
*Van 1648. Afgedrukt volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano ( Unger: Bibliographie, nr. 456).
Kasper van Baerle (1584-14 Januarie 1648), professor aan het Athenaeum Illustre, beroemd als Latijns dichter en bevriend met Hooft (vgl. Dl. 3, blz. 398). Musa vetat mori: de Muze verbiedt (hem) te sterven, d.w.z. zijn kunst maakt hem onsterfelik.
vs. 1de gansche Helikon: Apollo met de Muzen, die de Helicon bewonen.
2-3een Hengstebron van tranen: de Hippokrene, de bekende bron bij de Helicon. Deze hyperbool is ingegeven door de retories-gezwollen beeldspraak van Van Baerle's Latijnse poëzie. Vgl. evenwel: 'Schrey Cederbeken en Jordanen' in Salomon, vs 1673.
6paeit: brengt tot kalmte, troost.
7Den vader: Apollo, die als zonnegod goude stralen (vs. 8) heeft.
9herboren Klaudiaen: Van Baerle, in wie de geest herleeft van de Latijnse dichter Claudianus (vgl. hiervóór, blz. 245).
11't En zy: tenzij; bloet: verwantschap, familie.
16teorb: de theorbe, een grote luit; cimbel: een driehoekig snaarspeeltuig ( Ned. Wdb. III, 2039). Van Lennep meent dat met deze vier instrumenten achtereenvolgens de Hebreeuwse, Griekse, Latijnse en Nederlandse melodieën bedoeld zijn, als aanduiding dat hij in al die talen dichtte.
19Tempe: het bekende liefelike dal in Thessalië.
22bekrompen perck: klein bestek, kleine oppervlakte.
23Begrijpt: bevat; wiens faem: voor welks roem.
27heldenmaet: grootse, verheven poëzie.
30Aristotels wijze les: de onderrichting van deze grote wijsgeer.
31Hippokraet: beroemd Grieks medicus. Van Baerle wordt zo genoemd, omdat hij na zijn afzetting als Remonstrants predikant ook in de medicijnen gestudeerd had en te Caen de doctorstitel verwierf; Cicero: wegens zijn Latijnse welsprekendheid.
34't eelste: aan het edelste.
37neffens Hooft: Hooft was het vorige jaar in dezelfde Nieuwe Kerk begraven.
38Hun gezamenlike roem en hun vriendschap worden door de dood niet vernietigd.
|
|