
Johan Maurits naar de prent van Th. Matham
OP zijn ouden dag gaat Vondel zich dikwijls vereenzelvigen met personen, welke hij in zijn treurspelen laat optreden. Bij het gedwongen rustige werk, dat de Beleenbank hem te doen gaf, namen zijn gedachten een wijdere vlucht, en verhieven zij zich boven de dagelijksche zorgen waarin zijn gezin hem neertrok.
Zijn theologische en kerkhistorische studiën samengevat in de ‘Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst’ (1662) en ‘de Heerlijckheit der Kercke’ (1663), wisselde de dichter af door zich te verdiepen in den Bijbel, waarvan geen hoofdstuk, geen bladzijde, hem vreemd was. Zoo leefde hij mede met de groote figuren uit de Heilige Boeken, alsof zij tot zijn naaste verwanten behoorden.
Toch was zijn eerste tooneelspel nadat hij het poortje van de Bank tot een veeljarig dagelijksch verblijf was binnengetreden op 31 Januari 1657, geen bijbelstuk, maar speelde het midden in de heidensche wereld van Salmoneus (1657), den ijdelen koning die Jupiter wilde nabootsen. Het stuk moest Lucifer vervangen in den tooneeltoestel, die ook bij Salmoneus bruikbaar was; een prozaïsche reden. Maar Vondel, die zich niet alleen door hekeldichten wilde verweren tegen de predikanten, die zijn geniaalste drama hadden doen beletten, wist in Salmoneus de voornaamste bezwaren van de bedienaren des Goddelijken woords te parodieeren. Zoo zingen de Priesteren in den eersten rei, wel met toespeling op het stuk:
Toen Vondel hierop zijn Bijbel opensloeg voelde hij weer een onweerstaanbaren lust om daarin een onderwerp te vinden tot verdediging van zijn heilig tooneel tegen de predikanten. Hij wreekte zich in: ‘Samson of heilige wraeck’ (1660). Het is duidelijk, dat de dichter zich tot zekere hoogte vereenzelvigt met den krachtigen Samson, en de predikanten als de priesterschap van Dagon, den afgod, doet leven. Dagon wil beletten, dat in zijn tempel, ‘in de kercke een spel van zinnen’ zal worden opgevoerd door den blinden Jood (Joost = Vondel). Het treurspel is dan vol van allerlei bedekte toespelingen op Vondel's tooneel;1) van Samson-Vondel geldt het:
Duidelijk klinkt uit den mond der Dagon-priesters:
Zij willen hun kerk niet ontwijd zien door een tooneelspel dat Samson daarin gedwongen zal opvoeren.
Maar de vrouwen vooral willen Samson in zijn blindheid weer zien voorspelen, hoe hij door Dalila machteloos is gemaakt; zij (v. 661)
Hierna treedt de Vorst op, om in de taal van Vondel diens tooneel te verdedigen: (vers 668 volg.)
Ook de Aertspriester wijdt nog eenige aanmoedigende verzen aan het tooneel. (v. 793-805)
Zoo geeft het derde bedrijf een doorloopende verdediging van Vondels tooneelwerk in aansluiting bij diens Tooneelschilt.
Gedurende de stille kantooruren kwam vader Vondel steeds voor den geest het beeld van zijn hartelijk beminden zoon, in 1659 wegens zijn wangedrag en schulden naar Indië verbannen en op zee gestorven. Hij kan zijn verdriet niet verzwijgen. Zelfs in een brief aan Huygens, om prinses Amalia te bedanken voor den hem verleenden eerepenning, verontschuldigt hij zijn laat antwoord door ‘een donckere nevel van wereltsche moeyelyckheit, die juist omtrent dien tijt mynen onmaghtigen geest benevelde en belette door te schijnen met een dun straeltje van schuldige danckbaerheit.’
Toen kwam hem weer het beeld van David voor den geest en het lot van diens zoon Absolon, en hij vond troost door zijn smart te deelen met die van den profeet. Zijn leed paste zoo nauw bij Vondels smarten, dat de dichter zich ook geestelijk verwant moest gevoelen, met de ellende van dezen vader. Met hem verzucht de dichter:
Wij hooren Vondel over zijn weelderigen zoon klagen (v. 1400).
Schrijnend klinkt zijn leed over den verloren jongen, in de woorden van David: (vers 1561)
Als zelfverwijt volgt Vondels vers: ‘Och had ik schrap gestaen ... Ik duwde, o zoon, den dolk u in die schoone borst. Uw vader draagt de schuld.’
Nog jaren daarna is zijn smart niet geluwd, en vindt Vondel in (1663) Faëton, den roekeloozen zonnemenner, het evenbeeld van zijn onvergetelijken zoon. Weer komt het zelfverwijt aan den dag. Door een onvoorzichtige belofte van Febus, (Apollo) den vader, was aan Faëton toegestaan den zonnewagen door het luchtruim te voeren; evenals Joost Jr. wellicht met te groote toegevendheid was opgevoed. Faëtons moeder Klymene en de ‘Zonnelingen’, zijn zusters, raden hem den ondoordachten tocht af:
Is het niet, of we vader en moeder Vondel, met zuster Anna en de
vrouw van Joost, den onbezonnen Joost hooren toespreken, om geen roekelooze stappen te doen?
Ook in de ‘Rey van Uuren’, na het tweede bedrijf, gevoelt men het nog schrijnende leed van den ouden dichter over zijn reeds lang geleden verloren zoon:
De klacht, dat de liefde van de ouders voor de kinderen zoo krachtig is en die der kinderen voor de ouders zoo koud en kil, is Vondel uit het hart gegrepen. Allerlei bijzonderheden in dezen rei slaan geheel op de ondervinding door den dichter van zijn ondankbaren zoon verkregen in zijn slecht gedrag. De bedoeling, zijn ongelukkig kind erin te schetsen, is volkomen duidelijk. En als Faëton is neergestort, jammert de vader nog: (vs. 1417)
Het vijfde bedrijf bevat nog vele klachten van Febus, nl. Apollo, den dichtergod, dien Vondel verpersoonlijkt, over diens dooden zoon Faëton.
Dit treurspel is het klaaglied van Vondel, waarin hij zijn rampspoedigen zoon betreurt, aan wiens ongelukkigen dood hij geen afzonderlijken lijkzang heeft gewijd. De dichter vermocht zijn eindeloos leed slechts weer te geven in een drama, waarbij hij een groote rol speelde, en zich zelf weergaf onder den schijn van Febus-Apollo.
Het verzet der heerschende kerk tegen Vondels tooneel bezat in Ds. Wittewrongel zijn meest bespraakten en ijverigsten woordvoerder. Vondel had daarom op hem in het Lucifer-jaar 1654 de twee mythologische spotballaden gedicht, die ik besprak in Dl. V, blz. 38 van deze uitgave. Sedert dien, in 1655, had Wittewrongel een Gereformeerde zedenleer uitgegeven, zonder, ook niet in den tweeden druk van hetzelfde jaar, Vondel aan te duiden. Toch zou hij ook als penvoerder Vondel nog eens de les lezen. Dit gebeurde in het begin van 1661, toen een derde druk van zijn werk verscheen, die eigenlijk geen herdruk was, maar een zeven- of achtmaal vergroote nieuwe uitgave van zijn zes jaar geleden verschenen werk: Oeconomia Christiana Ofte Christelicke Huys-houdinghe. Bestiert naer den Reghel van het suyvere
Woordt Godts. Door Petrum Wittewrongel, Bedienaer des H. Euangelij, in de bloeyende Gemeynde van Amsterdam.
Zóó luidde de titel van de eerste uitgave in 1655, insgelijks die van de tweede in 't zelfde jaar, met bijvoeging van Den tweeden Druck. 't Zijn beide bescheiden 8o boekjes, het eerste telt 490, het tweede, iets grooter van formaat maar naar den inhoud ongewijzigd, 457 bladzijden. Het uitgeversadres is bij alle drie drukken hetzelfde: Amsterdam, de Weduwe van Marten Jansz. Brandt en Abraham van den Burgh, boekverkooper bij Jan-Roon-Poorts-Toren in de Gereformeerde Catechismus. Het jaartal op het titelblad van de derde uitgave is 1661; 't voorwerk is gedagteekend van begin Februari.
Deze derde uitgave is minder bescheiden van opzet en omvang. Zij bestaat uit twee gelijktijdig verschenen dichtbedrukte kwartijnen, het eerste van 840, het andere van 1194 bladzijden, ongerekend het uitvoerige bijwerk. Het tweede boek is geheel nieuw, het eerste op 233 bladzijden na, die een eenigszins gewijzigden herdruk bevatten van de geheele eerste uitgave. Echter is ook van dit herdrukte gedeelte het karakter mede gewijzigd door het nieuwe verband, bepaaldelijk door het voorwerk: een Dedicatie aan de Amsterdamsche Regeering en een Aenspraecke aen de Dienaren, ende aen alle die in de Kerckelicke bedieninghe zijn. De gezamenlijke inhoud der twee boeken, die weinig minder zou beslaan dan twee deelen van deze Vondel-uitgave, telt 104 capittels: het eerste boek, 't minst lijvige, bevat 60, het tweede 44 hoofdstukken, waarvan het slotcapittel (men zie het opschrift hierna blz. 380) donder-en-bliksem preekt tegen het tooneel, de hoofden vragend van minstens twee Muzen en den ouden treurspeligen poëet prijsgevend aan de Gereformeerde en publieke verachting.1)
Voor de literatuurgeschiedenis is dus slechts het slotcapittel van 't tweede boek van onmiddellijk belang. Maar men mag den staart niet misprijzen vóór men aandacht heeft geschonken aan den karakteristieken kop, dat is het voorwerk van 't eerste boek. Dat hoofd, wel niet geheel toevallig gesteld in Vondels decoratieven stijl van dien tijd, prijkt boven een plech-
tige Dedicatie: ‘Aen de Edele Groot-achtbare, Hoogh-geleerde, Wyse, seer Voorsienighe Heeren, de Heeren Regeerende Burgermeesteren van de wijdt-beroemde Stadt Amsterdam. Cornelis van Vlooswijck, Heer van Vlooswijck, Diemerbroeck, ende Papekoop. Dr. Geerard Schaap, Heer van Kortenhoef. Cornelis de Graef, Vryheer van Suyd-Polsbroeck. Ioan vander Pol.’ Deze toewijding, 'n twintig grooter gedrukte bladzijden, klaagt op oudtestamentischen toon over de ‘roepende zonden’ en is bevreesd voor nieuwe straffen Gods. ‘Om welcke droeffenissen voor te komen’, ds. W. ‘met uytkiesinge van bysondere Texten’ een tijd lang geijverd heeft op den kansel. Die predicatiën, bij- en uitgewerkt zijn nu op papier gebracht. De auteur vraagt een gunstig onthaal bij de Regeering. Hij heeft de Gereformeerde Kerk van Amsterdam welhaast drie en twintig jaar gediend en is ‘genegen, om voor alle de eere, ende vriendschappen - schrijft hij - die ick onder uw wyse, ende hoog beroemde Regeeringe, in desen mynen dienst gunstelick genoten hebbe, een openbaer Gedenckteecken, ende bewijs van myne schuldighe danckbaerheyt, by dese na te laten.’ Niet zonder waardigheid wijst hij de Burgemeesters op hun plicht om een voorbeeldig gezinsleven te leiden. ‘Houdt het my oock te goede, Ed: Groot-achtb: Heeren; so ick in dese myne Aensprake, te lange hier op gestaen hebbe. Ick soecke oock uwe Zielen te behouden.’
In een ‘aenspraecke tot den leser’ van het tweede boek keert de gedachte aan een ‘gedenkteeken’ terug in dezen zin: ‘De Doodt sal menighmael seer haest, een getrouwen Herder, ende Leeraer van sijne kudde wechnemen; die dan nog in sijne Schriften leeft, ende by sijne Gemeynte eene gezegende gedachtenis naer hem laet.’ Ds. W. mag hier aan zich zelven gedacht hebben; had hij een voorgevoel van het einde dat reeds 't volgende jaar kwam?
Met opoffering van zijn nachtrust tot schade van zijn gezondheid, heeft hij eerst nu den ontzaglijken arbeid van dit handboek der Gereformeerde zedenleer voltooid ... Men voelt, dat hier een godsdienstig man aan het woord is, die schrijft ‘sub specie aeternitatis’, en men verstaat het, dat de Regeering met Van Vlooswyck aan het hoofd den, ondanks zijn hartstochtelijke onverdraagzaamheid eerbiedwaardigen geestelijke een aanzienlijk bedrag aan geld ten geschenke gaf.
't Was natuurlijk niet altijd onvermengde zelus Domini, die dezen ijveraar verteerde. Op blz. 303 van het eerste boek, waar hij goed op dreef raakt in 't geheel nieuwe gedeelte van zijn werk, schrijft hij over hypocrisie: ‘De Kercke Christi heeft ten allen tijden daer mede verontreynight geweest. Ende om hier niet te spreecken van de Kercke des Anti-Christes, welckers hooft den rechten Hypocrijt speelt, sich uytgevende voor een Stadthouder onses Salighmakers, ende nasaet van Petrus, betoont hem te zijn de grootste vyandt van de Leere Christi ende des Apostels Petri enz.’
Ds. Wittwrongel had twee vijanden voor het leven: den paus en ... den tooneelier. Op bladzij 305 van 't zelfde boek spreekt hij van Hypocryten, die ‘de slimste soorte van de Comedianten gelijck zijn, die niet alleen niet en zijn de gene die sy schijnen, maer inwendigh heel anders genatureert zijn als sy haer uytwendigh vertoonen; die seer levendigh de persoon ende de kloeckmoedigheydt van Alexander sullen repraesenteren, ende selfs vertsaeghde ende bloode menschen zijn; die met den mondt de onkuysheydt tegenspreecken, ende in haer herte de selve beminnen; de deught prijsen ende selfs t'eenemael ondeugende zijn; ende alsoo niet alleen haer selven, maer oock andere schandelick bedriegen. Sulcke waren de Schrift-geleerden ende Pharizeen in den Evangelio.’
Het verdient opmerking, dat Vondel in zijn Tooneelschilt in 't geheel niet reageert op Wittewrongel's antipapisme, maar wel ondeugend zinspeelt op den schriftgeleerde als hypocriet ofte ... tooneelspeler (zie dit deel, blz. 388, r. 198-vlg.).
Op blz. 1192-3 van zijn tweede boek geeft de predikant de volgende boutade ten beste:
‘Desen yver van de Gereformeerde Leeraren, en kan Tertullus niet verdragen; insonderheyt, om dat die tegens sijnen Lucifer is aengeset geweest. Dat moeyt de goede man seer, dat de naecktheyt van dat schoone kindt, soo verre ontbloot is: Hoewel hy wil schijnen aldermeest daer van gevoeligh te zijn, dat het Wees, ende oude Mannen-huys door het sluyten van den kostelicken Tooneel-Hemel [zie dl. V, blz. 710], sulcken schade daer door heeft geleden; die hy door het dichten van sijnen Salmoneus (hoewel niet veel beter van stof als sijnen Lucifer) moest soecken te vergoeden. Even of dit oock sijne ergerlicke spelen moeste goet maken, datmen tot profijt van de gemelte Godtshuysen speelt. Maer wy hebben hier vooren, het woord van Christi Discipelen, recht daer toe gepast; ende seggen nog eens, waer toe dit verlies?... Ende behalven dat, so is het seer weynigh, dat de Godts-huysen daer van trecken. Daer
blijft veel (gelijckmen seght) tusschen de kay, ende 't schip. 't Meeste wert in onnutte onkosten, ende het voeden van so vele onnutte, ende ledige buycken deurgebracht. Hy weet oock best, wat hy voor de moeyte van sijn dichten heeft.’
Waar Ds. Wittewrongel meer principieel tegen de tooneelkunst theologiseert, verkondigt hij de min of meer klassieke opvatting der Gereformeerden, als hij tegen Tertullus Vondel aanvoert:
‘Of schoon voortreffelicke ende geleerde Mannen, haer bemoeyt hebben, om selfs eenige Comedien ende Tragedien te schryven (die by vele met goede stichtinge gelesen zijn) wat kan hem dat helpen? Want van het schryven, tot het spelen te besluyten, dat gevolgh [= die gevolgtrekking] en deught niet (Bk. II, p. 1190).
Binnen enkele maanden was Vondel gereed met zijn verweer: 't schitterend pleidooi van zijn Tooneelschilt.
De dichter begon zijn pleitrede met de aanhaling van een gezegde van Erasmus, dien hij teekent als ‘de naemhaftige en rustige Hollander, die van wijsheit en letteren t'samenhing;’ en vervolgt ‘dat men naulijx iet moght uitgeven, of hoefde het met de schiltwacht van een voorrede te beschutten.’
‘Wie bij den wegh timmert, lijdt veel aanstoots. Zoo gaet het oock met den schouburgh, en tooneel en tooneelspelen, die oordeelooze gezellen te byster in het licht staen, omdat hunne tedere harsens niet kunnen begrypen de waerde van een overoude kunste ons door zoovele wyzen en treffelycke verstanden aengeprezen!’
Verder verzoekt Vondel dat zij ‘die het gigagen en d'aenklaghten der tooneelschenderen aenhoorden’, hun oordeel zullen opschorten en niet zonder kennis van zaken vonnissen, ‘ten laste van schouburghoofden en tooneelieren’. In gedegen proza bepleit Vondel dan uitvoerig het nut van den schouwburg, waar, als in een levende, sprekende schilderij, getracht wordt het hart der toeschouwers te roeren. ‘Het ooghmerck der treurspelen is, den verwilderden aert in te toomen, en zeden in te scherpen ....’ Is het ooghmerck des redenaars en der schilderkunst goed, hoe kan het zuivere wit ter tooneelkunste zwart en quaet zijn?’ De schouwburghoofden kunnen niet vatten: ‘dat men het tooneel zoo schendigh over de hekel behoorde te haelen.’ Later vermeldt Vondel dan, hoe tegenover Wittewrongels
optreden staat de waardeering die Vondel als dichter ondervond van den ijverigen Rijnsburgschen Collegiant Joachim Oudaen ofschoon deze vaak zijn tegenstander en berisper was. Vondel beroept zich voorts nog zeer juist op zijn vrienden de Jezuieten: ‘Al de waerelt gewaeght van de geschicktheit, en bequaemheit der Societeit in het manieren regelen en zedevormen der leergierige jongkheit, het welck zy mede uitwerckt door Godtvruchtighe en stichtelijcke tooneelspelen en tooneeldansen, wijt afgescheiden van lichtvaerdigheit, en bederf van goede zeden, by haer ten hooghsten gehaet.’
Voor het dansen op het tooneel wordt dan prof. Gerard Vossius als getuige opgeroepen: ‘De hooghgeleerde Vossius, zoo diep in letteren gedompelt, en wien schyngeletterden geen hantwater mogen geven, zeide, dat er dryderhande muzijck was: mont muzijck, hantmuzijck, en voetmuzijck, By mont muzijck verstont hy maetgezank, by hant muzijck vingerspel, op tamboeren, cymbalen, fluiten, en snaeren, ons van den koninglijcken profeet aengeprezen en, bij voetmuzijck het geregelt danssen. Of men nu op eenen vloer, of op een tooneel danste, dat gelt evenveel, behoudens dat de dans geene lichtvaerdigheit of ongemaniertheit, met reden strafwaerdigh, naer zich sleept.’ .... ‘Maer waerom’ het behantvaste en gewettighde tooneelrecht bepleit? De domme onwetendheit heeft toch geen ooren om te hooren .... Het schijnt, dat ‘een behantvast aenklaeger .... al wat hem lust straffeloos mag uitbraken op de oeffeninge eener vrye kunste .... by burgemeesters en wethouders nu al over zooveel jaeren ingewillight.’ Op dergelijke scherpzinnige wijze verdedigde Vondel tusschen het pandhuiswerk door, zijn heiligdom den Schouwburg.
Al verscheen het boekje anoniem, niemand twijfelde er aan, wie de auteur was, en het bleef ook niet onbestreden. Spoedig verscheen: ‘Tooneelschilts-verplettering. Of grondig bewys, van d'ongesoutenheyt der Pleyt-reden voor het tooneelrecht.’ Een goed geschreven, maar zeer grof pamflet, waarin behalve hatelijkheden op den paus, ook een onedele herinnering voorkomt aan Vondels ongelukkigen, naar Indië verbannen zoon, die hem diep moet hebben gegriefd1).
Evenveel moeite om Vondels ‘Tooneelschilt’ te bestrijden gaf zich Jacob Koemans, die het in 1662 aan de kaak stelde in een zeer lang gedicht, een soort samenspraak tusschen Alcipus en Leander, getiteld ‘Schouwspels beschouwing’, een poeem in drie deelen of bedrijven waarin ook Lucifer, Belial, Beelzebub, helsche list en al 't gesnor der zwarte engelen, ten tooneele verschijnen en Vondels werk parodieeren.
De beste weerlegging door den gesmaden poëet was diens uitgave reeds in de eerstvolgende jaren van twee nieuwe treurspelen: in 1663 ‘Batavische Gebroeders’ en ‘Faëton’, en van ‘Adam in Ballingschap’ in 1664. Deze enorme werkkracht van den ouden dichter voor het tooneel wekt nog te grooter bewondering, als men weet, dat hij gelijktijdig twee omvangrijke leerdichten deed verschijnen: ‘Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst’, evenals het epos ‘Joannes de Boetgezant’ in 1662 verschenen, en daarop ‘Heerlyckheit der Kercke’ in 1663. In de Bespiegelingen had Vondel reeds lang zich verdiept, want in 1659 was reeds een gedeelte er van uitgegeven. De ‘Batavische Gebroeders’, opgedragen aan Burgemeester Simon van Hooren, kan beschouwd worden als een uitvoering van zijn tweede eposplan nu in dramatischen vorm. De inhoud teekent den opstand der Batavieren onder Claudius Civilis. Het werd in het jaar der uitgave driemaal vertoond, op 11, 14, 18 Juni 1663. In plaats van de gebruikelijke opdracht aan een of ander voornaam personage, heeft Vondel aan de reeds vroeger hier besproken ‘Faëton’ een brief doen voorafgaan: ‘Aen de Tooneelbegunstigers’ waarin hij zich bij voorbaat verdedigt tegen verwijten wegens het mythologische onderwerp zijner keuze: ‘Alle groote historie-schrijvers over de Nederlandsche oudheid getuigen hoe de heilige Willebrort in deze landen den nacht der Heidensche afgoderije verdreef!’ Niemand, meent Vondel, zou dus uit zijn ‘ten treurtooneele voeren’ van Faëton besluiten, dat hij het heidendom weer zou willen invoeren. Neen Vondel wil juist ‘alleen tot verbeteringe der zeden, tooneelwijs ontvouwen deze schoone fabel by Ovidius .... inzonderheit ten spiegel van reuckelooze stouten, uitgebreit.’
Vondels Joannes de Boetgezant geeft aanleiding de vraag te stellen: heeft de dichter Dante's Divina Commedia gelezen? In Dl. II, bl. 8-9,
heb ik reeds aangetoond dat Vondel door de studie van Tomasso Garzoni's ‘Piazza Universale’, waarin meermalen verzen van den grooten Florentijn worden aangehaald, met diens gedicht niet onbekend kan zijn gebleven.
De verwantschap van Joannes de Boetgezant met sommige verzen van de ‘Divina Commedia’ is het eerst opgemerkt door prof. J.M. Schrant in zijn uitgave van Vondels epos in 1840. Vooral heeft prof. B.H. Molkenboer O.P. in den bundel ‘Omaggio dell'Olanda’ (1921) bij de 600-jarige herdenking, een parallel weten te trekken tusschen beide dichters onder anderen door de overeenstemming aan te wijzen in den gang en de inrichting der ‘Altaergeheimenissen’ met de ‘Divina Commedia’. (Zie aldaar: ‘Dante en Vondel’.)
Dat er ook ‘Enkele aanrakingspunten’ vallen op te merken tusschen Vondel en Dante heb ik nog verder uitgewerkt in een studie in ‘Rondom Vondel’ op bl 70-77. Het valt dan ook bezwaarlijk aan te nemen, dat Vondel, die vele jaren zich heeft toegelegd op de vertaling van Tasso's ‘Gerusalemme Liberata’, zich tot den diepzinnigen Florentijn in zijn verheven godsdienstige bespiegelingen niet aangetrokken zou hebben gevoeld, toen hij zich verdiepte in zijn eigen godsdienstige beschouwingen. Zie ook Dr. J.L. Cohen, Dante in de Nederl. Letterk. bl. 42 volg.
Verschillende gelegenheidsgedichten van Vondel hebben uit de jaren, in den Lombard doorgebracht, veler namen vereeuwigd. Margaretha van Vlooswyck, de dochter van zijn beschermster Anna van Hoorn, trouwde 1 Augustus 1662 met den Engelschen Ritmeester Robert Honywood. Zij werd door Vondel bezongen in een lang mythologisch huwelijksgedicht van weinig dichterlijke waarde. Vier jaar later werd haar broeder Nicolaas van Vlooswijck, die door Vondel indertijd geprezen was, omdat hij zoo mooi de rol van Filedonius had gespeeld in het tooneelstuk van zijn schoolrector Van den Enden; ingehuldigd als Drost van Muiden en opvolger van den dikken Gerard Bicker, die zoo laf zijn post verlaten had, toen Willem II in 1650 de stad met zijn leger naderde. Nicolaas van Vlooswijck was van een anderen aard en had in Mei 1663 zijn aanstaande vrouw Leonora, dochter van den Rotterdamschen burgemeester Jan van der Meyden, geschaakt, door haar, in een vat gekuipt, te laten vervoeren; een ge-
durfde onderneming! Vondel huldigde den nieuwen Drost in een opgewekt, zoetvloeiend gedicht.
Het huwelijk van een katholiek bruidspaar van oud aristocratisch geslacht, namelijk Jacoba van der Wiele van de Werve en Bartholomeus Kromhout, gaf Vondel in Mei 1663 aanleiding tot een bruiloftsvers, dat vrij flauw en smakeloos is, een blijkbaar weder besteld werk.
Meermalen werd de dichter genoodigd en onthaald op de patricische hofsteden in het Gooi van de Hinlopens, de Sixen, de Baecken op Scheybeek. Hun lommerrijke bosschen en parken inspireerden Vondel, den echten natuurvriend tot de fijngevoelde dichtjes als ‘Wiltzangh’ en ‘De getrouwe Haeghdis’ (1660), waarin hij zoo zuiver zijn onbezorgd gemoed laat spreken, als hij zijn bekommeringen van zich af kon zetten. (Vergelijk Dl. IV, bl. 29).
Den onfortuinlijken Aartsbisschop Philippus Rovenius (zie Dl. V bl. 464) ‘die drywerf twaelef jaer in druk, den stoel van Willebrort bekleedde’, bezong Vondel op nieuw bij diens portret door Matham gegraveerd; dezelfde die van den priester-bekeerling Banning Wuytiers in 1660 op diens doodsbed een staalgravure had gesneden; ook deze werd door Vondel in een bijschrift herdacht.
Op een der vele portretten door Filips Koning van Vondel geschilderd, dichtte deze in 1662 het bekende bijschrift: ‘Ick telde vyf-en-seventigh’. Mogelijk is het ook dat Vondels gedichtje slaat op het andere portret van Vondel door Filips Koning in 1662 op doek gebracht en door Vondel reeds bedicht als ‘Myne afbeelding in 't kleen’.1) (Zie Dl. VIII, 212).
Artus Quellinus, de beeldhouwer van het Amsterdamsche stadhuis had, blijkbaar voor elk der beide Jezuietenschuilkerken, een marmeren beeld vervaardigd namelijk een van S. Ignatius en een van S. Franciscus Xaverius, waarop Vondel vóór 1660 een paar bijschriften gaf. Het eerste beeld van S. Ignatius is lange jaren in het latere Koninklijke Paleis te Amsterdam bewaard gebleven. H.M. de Koningin Regentes schonk het aan het Museum van den Amstelkring. (Zie Dl. VIII, bl. 757).
Echt vroolijk Amsterdamsch had in 1661 zijn lied geklonken ‘Op het Klokmusijck t'Amsterdam’, waarin hij zoo terecht de namen vereeuwigt van den beiaardier Verbeek en van den klokkengieter François Hemony, dat ik mij niet kan weerhouden hier een paar strofen er uit over te nemen. Laat de Grieken zwijgen van hun Amfion met zijn gouden lier, op wiens klanken de steden gebouwd werden. Dit zijn fabels maar: