terug  begin  verder
[p. 21]

Vondels werken
Negende deel

[p. 23]

J. V. Vondels
Koning David In ballingschap.
Treurspel.aant.

 

t'Amsterdam,
Voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam. 1660.



illustratie

[p. 24]

KONING DAVID IN BALLINGSCHAP

 

VAN 1660. AFGEDRUKT NAAR DE TEKST VAN DE eerste uitgave (t'Amsterdam, Voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, 1660). Het titelblad is op de vorige bladzij typografisch nagevolgd. Unger Bibliographie, nr. 604.

[p. 25]

Den edelen en gestrengen heere Andries de Graef,
Ouden raet en rekenmeester der Graeflijckheit van Hollant en Westvrieslant &c. Burgermeester van Amsterdam.*

1 Onder Sint Lukas kunstgebroederschap, de schilders, is een1 2 gemein spreeckwoort [eene waerheit, al over twee duizent jaeren,2 3 by den grooten treurspeldichter Euripides gesterkt,] gangbaere3 4 munt: Kleene beelden kleene, groote beelden groote misslagen:4 5 het welck niet ongerijmt op het beloop van het toneel der weerelt5 6 slaet, daer eenerhande gebreken van kleenen of grooten nadruck6 7 zijn, naer de kleenheit of grootheit der personaedjen, die daer heure 8 rol speelen: en de ridder en drost Hooft zeide niet buiten reden,8 9 dat d'allerschoonste dingen by inbeeldinge bestaen. Deze beide9 10 grontstellingen kan men lichtelijck met voorbeelden verlichten. De10 11 grootmaghtigste aertsengel Lucifer, Godts stedehouder, bespiegelde11 12 hoe heerlijck het zoude zijn, indien hy het leen van zijne kroone12-13 13 niet langer by Godt, zijnen schepper, hoefde te verheffen, be- 14 rockende hierom eenen burgerkrijgh in den hemel, en, van eenen14 15 schoonen aertsengel in eenen gruwzaemen draeck, misschapen,15 16 sleepte eenen staert van het derde deel der starren met zich ter16 17 eeuwige duisternisse. Een goude kroon op het hooft te willen drae- 18 gen, als Absolon, of de korte wellust van een schoon vrouwenbeelt18 19 te genieten, als David, wat staenze zoone en vader dier! Heilige19 20 en weereltsche bladen zijn dicht bezaeit met diergelijcke voor-20 21 beelden, daer dickwijl eene heele weerelt, en duizenden onno- 22 zelen meer om te lijden hebben dan de menschelijcke natuur

[p. 26]

23 maghtigh is uit te harden: en de heilige Geest toont ons, als in23 24 eenen klaeren spiegel, wat het gezicht van eene badende Bersabe24 25 vermagh op den grootdaedigen koning David, eenen profeet,25 26 yveraer voor de wet, en man naer Godts hart; en hoe het reucke-26-27 27 loos verydelen der zinnen eeuwen van jammeren en oorlogen na 28 zich sleept, die, uit Davids huis gesproten, alle zijne afkomste, en28 29 nazaten, uitgezondert Salomons geluckigen tijt, verduuren, en29 30 profeet Nathans dreigement, uit Godts mont, bevestigen: gelijck 31 dat schrickelijcke vonnis met deze woorden gevelt lagh: Het zwaert31-35 32 zal in der eeuwigheit van uwen huize niet aflaten. ick zal een ongeluck 33 uit uwen huize tegens u verwecken, uwe vrouwen voor uwe oogen wech 34 rucken, uwen naesten geven, en hy zalze by klaeren zonneschijn be- 35 slaepen. Hier koos ick koning Davids ballingschap, en haer jammer- 36 lijck gevolgh, als een leerzaem voorbeelt, dat rijcke stof en leven- 37 dige verwen tot eene spreeckende tooneelschildery bestelt: want37 38 men ziet in dien schichtigen ommezwaey van staet allerhande38 39 hartstoghten zich openbaeren, en t'zamenworstelen in lijdende en 40 verblijdende personaedjen, naer datze hier nadeel of voordeel40 41 uit trecken. Een oude getuighenis zeght van Euripides Fenisse,41 42 by den heer gezant Huigh de Groot, onsterfelijcker gedachte-42 43 nisse, geluckigh en heerlijck vertaelt, dat het een treurspel is, 44 gepropt van hartstoghten, rijck van personaedjen, en vol uitnee-44 45 mende spreucken. Hoe na of verre ick, in de schaduwe van zulck45 46 eenen aelouden voorganger, volge, daer van zou de heer Burger- 47 meester konnen oordeelen, indien hij zich gewaerdighde by ge-47 48 legenheit eens zijne oogen op de tekeninge en schickinge van dit48 49 treurtafereel te slaen, terwijl ick wensche te blijven

 

Weledele en grootachtbaere heer

 

Uwe weled. en grootachtb. ootmoedige dienaer

 

J. V. Vondel.

[p. 27]

Inhoudt.

1 Toen David, zoon van Jesse, en koning van Juda en Israël, zich1 2 door overspel met Berseba, en door moort met Urias bloet be-2 3 smet hadde, dreighde hem profeet Nathan, uit Godts mont, met3-6 4 eenen langduurigen nasleep van straffen en plaegen, hier op te 5 volgen, schoon de misdaet, door schultbekentenisse, en boetvaer- 6 digheit, gezoent was. Hierop volghden eerst het overlijden der6 7 vrucht, Ammons zusterschennis, Absolons broederslaght, en7 8 endelijck, na zijne gelede ballingschap en verzoeninge, des zoons8-9 9 wederspannigh opzet, om naer vaders leven en kroon te staen. 10 De zoon, verzagh zich van eenen stoet lijfschutten, wagens, en10 11 paerden, ging, als rechter, in het poortgerecht zitten, en, overschoon11 12 en bevalligh, onderhiel de gemeente minzaem, en gespraeckzaem,12 13 en onderkroop allengs het hart van alle stammen. Toen Absolon13 14 nu den tijt rijp zagh, om het schelmstuck in 't werck te stellen,14 15 nam hy, glimpelijck en schijnheiligh, oorlof van den vader, om15 16 naer Hebron, der Hebreen gebedeplaets, te reizen, en zich t'ont- 17 slaen van den bant der offerbelofte, waer door hy, geduurende de17 18 ballingschap, zijn geweten aen Godt verbonden hadde. Ondertus- 19 schen washet [ongetwijfelt met Achitofels raet] besteecken, dat alle19 20 stammen, van Dan tot Berseba, zich daer zouden gereet houden,20 21 op den naem van 's princen bedevaert en offer te helpen bekleeden.21 22 Hy komt dan te Hebron, daer Achitofel, 's konings geheimraet,22-23 23 en de stamheeren, op het kerckhof der aertsvaderen, met den 24 prince in vloeckverwantschap treden, Absolon, met geklanck van24 25 bazuinen en volle staetsie, voor koning afkundigen, hem zalven,25 26 en kroonen, en voort gewapender hant naer Jerusalem, den rijx- 27 stoel, optrecken. David besluit, op deze onverwachte maere, de27 28 stadt te verlaeten, en tien beddegenooten den burgh te beveelen.28 29 Hy treckt schreiende, het hooft met eenen rousluier beschaduwt,

[p. 28]

30 en baervoets, met aertspriesteren, Leviten, de bondtkiste, en alle 31 zijnen aenhang, ter stede uit, over de Cederbeeck, naer den Olijf- 32 bergh, en, daer geene openbaeringe noch goddelijck antwoort 33 uit den genadetroon verneemende, gebiet d'aertspriesters met33 34 hunne zoonen, en de Levyten, en het heilighdom weder stedewaert34 35 te keeren, ofze hem, in dien droeven schijn, noch moghten dienen,35 36 en voor gevaer waerschuwen. Ondertusschen ruckt de zoon, door 37 zuster Thamars tusschenspraeck niet vermorwt, zonder slagh en37 38 stoot, Jerusalem in, beraet zich met Achitofel, die [om der weife- 39 lenden aenhang te verzekeren van des zoons onverzoenbaerheit 40 met den vader,] den nieuwen koning, nu zijnen heer, raet Davids 41 beddegenooten in het openbaer te beslaepen, en den balling ter- 42 stont in zijn zogh te volgen. Chusaï, Davids geheimraet, en vrient,42 43 ten hove wederkeerende, stoot Achitofels raetslagh van terstont43 44 de koning te vervolgen glimpelijck om, en wint uitstel. Simei, 45 Sauls bloetvrient, komt oock in de stadt, en verhaelt, om gunst45 46 by den wederspanneling te winnen, hoe hy den balling, arm en 47 nootdruftigh, van Siba ter noot met luttel voorraet voorzien, te47 48 Bahurim vloeckte, en met steenen smeet. Absolon vaert voort, 49 om 's konings beddegenooten te misbruicken. Achitofel, ziende 50 zijnen raetslagh door Chusaï omgestooten, en wanhoopende aen 51 Absolons behoudenis, besluit uit mistroostigheit zich in Gilo, zijne51 52 stadt, om het leven te helpen, waerop d'aertspriesters, wien het52 53 toekomende geopenbaert wort, Absolons aenstaende nederlaegh 54 voorspellen, en hoe hy, na het verlies des veltslaghs, onder het 55 vlughten, in 't bosch van Efraim, by zijn haer en locken aen eenen 56 boom hangende, den dootsteeck in zijn harte zou gevoelen.

 

57 Het inhoudt van dit treurspel is geschept uit het tweede boeck57 58 der koningen, en Josefus zevende boeck van de geschiedenissen 59 der Joden.

 

60 Het tooneel is te Jerusalem, voor Davids burgh. Het treurspel 61 begint te midnacht en endight met den avont. De Levyten bekleeden61 62 den rey.

[p. 29]

De Treurspeelers.

ABSOLON. De Prins.

THAMAR. De Princes.

DAVID. De koning.

REY van LEVYTEN.

URIAS GEEST.

DAVIDS BEDGENOOTEN.

JOAB. De Veltheer.

BODE.

TWEEDE BODE.

AERTSPRIESTERS.

BERSABE. De koningin.

ACHITOFEL. Hofraet.

CHUSAI. Hofraet.

SIMEI. Sauls bloetvrient.

*Opschrift: Zie over Andries de Graeff dl. 8, blz. 674 en Aantekeningen.
1Sint Lukas kunstgebroederschap: het Sint Lucas-gilde, waar Vondel vele vrienden had, en waar hij in 1654 als dichter bekranst werd.
2gemein: algemeen bekend; over twee duizent jaeren: 2000 jaar geleden.
3gesterkt by: bevestigd door, nl. door de praktijk van zijn treurspelen.
4beelden: uitgebeelde personen.
5niet ongerijmt: niet zonder toepasselikheid, treffend.
6eenerhande: soortgelijke; nadruck: gewicht, betekenis.
8niet buiten reden: niet zonder grond, terecht.
9by inbeeldinge: in de verbeelding (van de dichter).
10verlichten: toelichten.
11grootmaghtigste: de machtigste van allen; bespiêgelde: overwoog (Ned. Wdb. II, 2075).
12-13het leen verheffen: de leenroerigheid erkennen (Mnl. Wdb. VIII, 1817); dus: erkennen dat hij zijn macht onleende aan God.
14berockende: veroorzaakte, verwekte.
15misschapen: vervormd tot iets leliks.
16het derde deel der starren: nl. van de engelen (vgl. Lucifer, vs. 1245).
18wellust: genot; vrouwenbeelt: vrouw.
19staen dier: komen duur te staan.
20bladen: geschriften.
23maghtigh is uit te harden: kan doorstaan.
24Bersabe: in de Staten-vertaling Bathseba.
25grootdaedigen: heldhaftige.
26-27reuckeloos verydelen: roekeloze verbijstering (In de Statenb. betekent verijdelen: dwaas, onzinnig worden; Mnl. Wdb. VIII, 1872).
28afkomste: kinderen, naast nazaten: verdere afstammelingen.
29verduuren: langer duren dan.
31-35Zie 2 Sam. 12, vs. 10-11.
37verwen: kleuren; bestelt: verschaft.
38schichtigen ommezwaey van staet: plotselige verandering van omstandigheden.
40verblijdende: zich verblijdende; naer: naar mate. Vgl. met deze passage het Berecht van de Jeptha, dl. 8, blz. 774.
41Een oude getuighenis: Vgl. ‘Inhoudt der Gebroederen van Thebe’, in Vondels Feniciaensche (van 1668).
42by: door.
44gepropt van: overvuld met.
45Hoe na of verre ick volge: Of ik hem al dan niet evenare.
47zich gewaerdighde: zich niet te hoog achtte, de goedheid had, geliefde (Ned. Wdb. IV, 1999).
48schickinge: compositie.
1Jesse (in de Vulgaat voor Isai).
2Vgl. voor Berseba (Bathseba) en Uria: 2 Sam. 11, vs. 2-24.
3-6Vgl. 2 Sam. 12, vs. 1-20; hier op te volgen: die hierop zouden volgen.
6het overlijden der vrucht: nl. van Berseba's kind (2 Sam. 12, vs. 15-18).
7Ammons zusterschennis: 2 Sam. 13 vs. 1-14; Absolons broederslaght (broedermoord): 2 Sam. 13, vs. 28-29.
8-9Vergelijk voor de volgende inhoud het gehele 15de, 16de en 17de hoofdstuk van 2 Sam.
10lijfschutten: lijfwacht van schutters.
11poortgerecht: rechtbank bij de poort; vgl. 2 Sam. 15, vs. 2-6.
12de gemeente: het volk; gespraeckzaem: vriendelik tegenover minderen (Ned. Wdb. IV, 1784).
13onderkroop het hart: wist listig het hart te winnen.
14in 't werck te stellen: uit te voeren.
15glimpelijck: huichelachtig (onder een schone schijn); oorlof: afscheid.
17bant: verplichting.
19besteecken: beraamd.
20Dan en Berseba, de Noordelikste en de Zuidelikste stad van Kanaän.
21op den naem van: onder voorwendsel van; te helpen bekleeden: door hun deelneming bevorderen.
22-23Hebron, het kerckhof der aertsvaderen: zie Genesis 23, vs. 19-20.
24vloeckverwantschap: misdadig bondgenootschap.
25afkundigen voor: uitroepen tot.
27rijxstoel: zetel van de regering.
28beddegenooten: in de Stb. bijvrouwen genoemd; den burgh te beveelen: het paleis toe te vertrouwen.
33genadetroon: hemel.
34het heilighdom: de bondtkiste (r. 30), de ark des verbonds.
35schijn: toestand omstandigheden.
37tusschenspraeck: bemiddeling (poging tot verzoening).
42in zijn zogh (vergelijking, aan de scheepvaart ontleend): op de voet.; Chusaï: in de Statenvertaling Husai, vgl. 2 Sam. 17. vs. 5.
43stoot om: verwerpt; raetslagh: raad; glimpelyck: met listige bedoeling.
45gunst te winnen: in de gunst te komen.
47van: door; ter noot: in zijn ellendige omstandigheden.
51mistroostigheit: wanhoop.
52om het leven te helpen: om het leven te brengen, zelfmoord te plegen.
57geschept: geput.
61midnacht: middernacht. Volgens de klassieke voorschriften voltrekt zich dus de handeling binnen 24 uur; bekleeden: vervullen de rol van.
terug  begin  verder