t'Amsterdam,
Voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam. 1660.

KONING DAVID IN BALLINGSCHAP
VAN 1660. AFGEDRUKT NAAR DE TEKST VAN DE eerste uitgave (t'Amsterdam, Voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, 1660). Het titelblad is op de vorige bladzij typografisch nagevolgd. Unger Bibliographie, nr. 604.
1 Onder Sint Lukas kunstgebroederschap, de schilders, is een1 2 gemein spreeckwoort [eene waerheit, al over twee duizent jaeren,2 3 by den grooten treurspeldichter Euripides gesterkt,] gangbaere3 4 munt: Kleene beelden kleene, groote beelden groote misslagen:4 5 het welck niet ongerijmt op het beloop van het toneel der weerelt5 6 slaet, daer eenerhande gebreken van kleenen of grooten nadruck6 7 zijn, naer de kleenheit of grootheit der personaedjen, die daer heure 8 rol speelen: en de ridder en drost Hooft zeide niet buiten reden,8 9 dat d'allerschoonste dingen by inbeeldinge bestaen. Deze beide9 10 grontstellingen kan men lichtelijck met voorbeelden verlichten. De10 11 grootmaghtigste aertsengel Lucifer, Godts stedehouder, bespiegelde11 12 hoe heerlijck het zoude zijn, indien hy het leen van zijne kroone12-13 13 niet langer by Godt, zijnen schepper, hoefde te verheffen, be- 14 rockende hierom eenen burgerkrijgh in den hemel, en, van eenen14 15 schoonen aertsengel in eenen gruwzaemen draeck, misschapen,15 16 sleepte eenen staert van het derde deel der starren met zich ter16 17 eeuwige duisternisse. Een goude kroon op het hooft te willen drae- 18 gen, als Absolon, of de korte wellust van een schoon vrouwenbeelt18 19 te genieten, als David, wat staenze zoone en vader dier! Heilige19 20 en weereltsche bladen zijn dicht bezaeit met diergelijcke voor-20 21 beelden, daer dickwijl eene heele weerelt, en duizenden onno- 22 zelen meer om te lijden hebben dan de menschelijcke natuur
23 maghtigh is uit te harden: en de heilige Geest toont ons, als in23 24 eenen klaeren spiegel, wat het gezicht van eene badende Bersabe24 25 vermagh op den grootdaedigen koning David, eenen profeet,25 26 yveraer voor de wet, en man naer Godts hart; en hoe het reucke-26-27 27 loos verydelen der zinnen eeuwen van jammeren en oorlogen na 28 zich sleept, die, uit Davids huis gesproten, alle zijne afkomste, en28 29 nazaten, uitgezondert Salomons geluckigen tijt, verduuren, en29 30 profeet Nathans dreigement, uit Godts mont, bevestigen: gelijck 31 dat schrickelijcke vonnis met deze woorden gevelt lagh: Het zwaert31-35 32 zal in der eeuwigheit van uwen huize niet aflaten. ick zal een ongeluck 33 uit uwen huize tegens u verwecken, uwe vrouwen voor uwe oogen wech 34 rucken, uwen naesten geven, en hy zalze by klaeren zonneschijn be- 35 slaepen. Hier koos ick koning Davids ballingschap, en haer jammer- 36 lijck gevolgh, als een leerzaem voorbeelt, dat rijcke stof en leven- 37 dige verwen tot eene spreeckende tooneelschildery bestelt: want37 38 men ziet in dien schichtigen ommezwaey van staet allerhande38 39 hartstoghten zich openbaeren, en t'zamenworstelen in lijdende en 40 verblijdende personaedjen, naer datze hier nadeel of voordeel40 41 uit trecken. Een oude getuighenis zeght van Euripides Fenisse,41 42 by den heer gezant Huigh de Groot, onsterfelijcker gedachte-42 43 nisse, geluckigh en heerlijck vertaelt, dat het een treurspel is, 44 gepropt van hartstoghten, rijck van personaedjen, en vol uitnee-44 45 mende spreucken. Hoe na of verre ick, in de schaduwe van zulck45 46 eenen aelouden voorganger, volge, daer van zou de heer Burger- 47 meester konnen oordeelen, indien hij zich gewaerdighde by ge-47 48 legenheit eens zijne oogen op de tekeninge en schickinge van dit48 49 treurtafereel te slaen, terwijl ick wensche te blijven
Weledele en grootachtbaere heer
Uwe weled. en grootachtb. ootmoedige dienaer
J. V. Vondel.
1 Toen David, zoon van Jesse, en koning van Juda en Israël, zich1 2 door overspel met Berseba, en door moort met Urias bloet be-2 3 smet hadde, dreighde hem profeet Nathan, uit Godts mont, met3-6 4 eenen langduurigen nasleep van straffen en plaegen, hier op te 5 volgen, schoon de misdaet, door schultbekentenisse, en boetvaer- 6 digheit, gezoent was. Hierop volghden eerst het overlijden der6 7 vrucht, Ammons zusterschennis, Absolons broederslaght, en7 8 endelijck, na zijne gelede ballingschap en verzoeninge, des zoons8-9 9 wederspannigh opzet, om naer vaders leven en kroon te staen. 10 De zoon, verzagh zich van eenen stoet lijfschutten, wagens, en10 11 paerden, ging, als rechter, in het poortgerecht zitten, en, overschoon11 12 en bevalligh, onderhiel de gemeente minzaem, en gespraeckzaem,12 13 en onderkroop allengs het hart van alle stammen. Toen Absolon13 14 nu den tijt rijp zagh, om het schelmstuck in 't werck te stellen,14 15 nam hy, glimpelijck en schijnheiligh, oorlof van den vader, om15 16 naer Hebron, der Hebreen gebedeplaets, te reizen, en zich t'ont- 17 slaen van den bant der offerbelofte, waer door hy, geduurende de17 18 ballingschap, zijn geweten aen Godt verbonden hadde. Ondertus- 19 schen washet [ongetwijfelt met Achitofels raet] besteecken, dat alle19 20 stammen, van Dan tot Berseba, zich daer zouden gereet houden,20 21 op den naem van 's princen bedevaert en offer te helpen bekleeden.21 22 Hy komt dan te Hebron, daer Achitofel, 's konings geheimraet,22-23 23 en de stamheeren, op het kerckhof der aertsvaderen, met den 24 prince in vloeckverwantschap treden, Absolon, met geklanck van24 25 bazuinen en volle staetsie, voor koning afkundigen, hem zalven,25 26 en kroonen, en voort gewapender hant naer Jerusalem, den rijx- 27 stoel, optrecken. David besluit, op deze onverwachte maere, de27 28 stadt te verlaeten, en tien beddegenooten den burgh te beveelen.28 29 Hy treckt schreiende, het hooft met eenen rousluier beschaduwt,
30 en baervoets, met aertspriesteren, Leviten, de bondtkiste, en alle 31 zijnen aenhang, ter stede uit, over de Cederbeeck, naer den Olijf- 32 bergh, en, daer geene openbaeringe noch goddelijck antwoort 33 uit den genadetroon verneemende, gebiet d'aertspriesters met33 34 hunne zoonen, en de Levyten, en het heilighdom weder stedewaert34 35 te keeren, ofze hem, in dien droeven schijn, noch moghten dienen,35 36 en voor gevaer waerschuwen. Ondertusschen ruckt de zoon, door 37 zuster Thamars tusschenspraeck niet vermorwt, zonder slagh en37 38 stoot, Jerusalem in, beraet zich met Achitofel, die [om der weife- 39 lenden aenhang te verzekeren van des zoons onverzoenbaerheit 40 met den vader,] den nieuwen koning, nu zijnen heer, raet Davids 41 beddegenooten in het openbaer te beslaepen, en den balling ter- 42 stont in zijn zogh te volgen. Chusaï, Davids geheimraet, en vrient,42 43 ten hove wederkeerende, stoot Achitofels raetslagh van terstont43 44 de koning te vervolgen glimpelijck om, en wint uitstel. Simei, 45 Sauls bloetvrient, komt oock in de stadt, en verhaelt, om gunst45 46 by den wederspanneling te winnen, hoe hy den balling, arm en 47 nootdruftigh, van Siba ter noot met luttel voorraet voorzien, te47 48 Bahurim vloeckte, en met steenen smeet. Absolon vaert voort, 49 om 's konings beddegenooten te misbruicken. Achitofel, ziende 50 zijnen raetslagh door Chusaï omgestooten, en wanhoopende aen 51 Absolons behoudenis, besluit uit mistroostigheit zich in Gilo, zijne51 52 stadt, om het leven te helpen, waerop d'aertspriesters, wien het52 53 toekomende geopenbaert wort, Absolons aenstaende nederlaegh 54 voorspellen, en hoe hy, na het verlies des veltslaghs, onder het 55 vlughten, in 't bosch van Efraim, by zijn haer en locken aen eenen 56 boom hangende, den dootsteeck in zijn harte zou gevoelen.
57 Het inhoudt van dit treurspel is geschept uit het tweede boeck57 58 der koningen, en Josefus zevende boeck van de geschiedenissen 59 der Joden.
60 Het tooneel is te Jerusalem, voor Davids burgh. Het treurspel 61 begint te midnacht en endight met den avont. De Levyten bekleeden61 62 den rey.
ABSOLON. De Prins.
THAMAR. De Princes.
DAVID. De koning.
REY van LEVYTEN.
URIAS GEEST.
DAVIDS BEDGENOOTEN.
JOAB. De Veltheer.
BODE.
TWEEDE BODE.
AERTSPRIESTERS.
BERSABE. De koningin.
ACHITOFEL. Hofraet.
CHUSAI. Hofraet.
SIMEI. Sauls bloetvrient.