terug  begin  verder
[p. 102]

Koning David Herstelt

VAN 1660. AFGEDRUKT NAAR DE TEKST VAN DE eerste uitgave (t'Amsterdam, Voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, M.DC.LX). Het titelblad is op de volgende bladzij typografisch nagevolgd. Unger Bibliographie, nr. 620.

[p. 103]

J. V. Vondels
Koning David Herstelt.
Treurspel.aant.

t'AMSTERDAM,
Voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, M.DC.LX.



illustratie

[p. 104]

Den weledelen en gestrengen Heere Cornelis van Vlooswyck,
Heere van Vlooswijck, Diemerbroeck, en Paepekoop, Burgermeester en Raet van Amsterdam.

1 Onder de natuurlijcke hartstoghten is der ouderen kinder-1 2 liefde, Στοργή by de Griecken geheeten, overkrachtigh, en niet2 3 alleen den redelijcken maer oock stommen dieren eigen. Het3 4 luste Plutarchus, de doorzichtige zedekenner, en uitneemende4 5 zedevormer, beknopt deze stof te handelen, die een wijtloopende5 6 berecht vereischt, en met rijcke voorbeelden kan bekleet worden.6 7 Dees beminner der wijsheit ontvouwt hoe natuur den ouderen in-7 8 boesemde hunne afkomst zorghvuldigh op te queecken, en te8 9 beschutten, zonder hoop van eenige vergeldinge uit haer te ver- 10 wachten. Hy wijst in zijne slotrede ons aen hoe deze kinderliefde10 11 elck zoo diep ingeprint is, dat men het voor een heiloos voorspoock11 12 hielt, zoo dickwijl eenigh dier zijn eige jongen verslont. Euripides, 13 in zijne Elektre, neemt waer hoe Klytemnestre, in stervens last,13 14 haere bloote borsten buiten den sluier toont, om de dochter, door 15 het herdencken datze die gezogen heeft, van den moedermoort af 16 te schricken: en gelijck aen veel liefs veel leedts vast is, zoo lijdt16-17 17 natuur nergens gevoelijcker dan in het harte der ouderen, om de 18 kinders in lijden; het welck van den voorzichtigen hofraet Chusaï18 19 mede door den aert der stomme dieren wert uitgedruckt met zijne19 20 gelijckenisse van de beerinne, die, van haere jongen berooft, 21 het woudt met huilen overendt zet. By Ovidius verandert Niobe21 22 van droefheid in eene steenrotse, om de nederlaegh van haere zoonen22 23 en dochteren. In Euripides Fenisse neemt Jokaste de moeder zich 24 uit wanhope het leven, en stort neder op de lijcken van beide haere 25 zoonen, in het lijfgevecht omgekomen. Lukretius gedenckt hoe25

[p. 105]

26 d'offerpriesters het zwaert, waer mede Ifigenie zal geoffert worden, 27 voor Agamemnons oogen verbergen. De schouburgen vloeien van 28 traenen, daer Ulysses koninginne Hekuba Polyxena, en Andromache28 29 Astyanax ontweldight, om hun onnozel bloet te storten. Het wort29 30 Junius Brutus tot eene doorluchtige heldendaet toegeschreven,30 31 dat hy beide zijne zoonen, aen verraet schuldigh, ter straffe vordert,31 32 om het recht en den staet van Rome gestreng te hanthaven. In de 33 heilige bladen ontbreecken ons geene voorbeelden, die dit stercken.33 34 Men hoort 'er Jakobs hartewee om Josef, die, zoo de broeders glim-34-35 35 pelijck uitstroien, van een wilt gedierte verscheurt is. Jochebed35 36 zoeckt uit noot Moses in een riete kist op het water te bergen.36 37 Men ziet Respe, Sauls bedruckte weduwe, onder het gerecht, de37 38 lijcken van haere zoonen nacht en dagh bewaecken, om roofvogels 39 en hongerige ondieren van de lichaemen af te keeren. In Salomons39 40 oordeel wil de rechte de valsche moeder liever haere vrucht ten 41 eigendomme toestaen, dan die met den zwaerde laeten deelen.41 42 Maer de liefde van den aertsvader Abraham, dus lang overgeslagen,42 43 wort hier door betuight, dat hy, in het opofferen van zijnen eenigen43 44 en ter doot gehoorzaemen zoone, zich zelven en natuur, uit liefde44 45 tot Godt, overwon, waerom 's helts geloof en stantvastigheit met 46 zulck eene heerelijcke belofte gekroont wert, en hy Godt den vader46 47 afbeelde, van wien Godt de zoon zelf uitroept: Zo lief had Godt47 48 de weerelt, dat hy zijnen eenigen geboren zoon gaf. In dezen tooneel-48 49 handel draeft de onuitbluschbaere liefde van koning David tot49-51 50 Absolon, onder zoo veele en verscheide hartstoghten van d'andere 51 personaedjen, doorgaens vooruit, onaengezien hy den vader naer 52 de kroon en het hart stack, en zijnen opluickenden Salomon,52 53 namaels 's vaders grooten nazaet, niet dan onheil van dien ver- 54 waten broeder te verwachten stont. Koning Davids weeklaghte 55 en lijckgeschrey om Absolons rampzalige doot, aldus in de heilige 56 bladen uitgedruckt: och, mijn zoon Absolon, och Absolon, mijn zoon,56 57 moght ick voor u sterven! och Absolon, mijn zoon, och mijn zoon

[p. 106]

58 Absolon! schijnt bykans zijne triomfbazuin te verdoven: en de58 59 zon der koningklijke herstellinge komt ten lange leste uit dezen 60 duisteren nacht en nevel van den vaderlijcken rouwe met schooner 61 straelen te voorschijn: doch de reden ontschuldight den afgewor-61 62 stelden en neêrgeslagen vader, aengezien hy al te gevoelijck, oock62 63 met gevaer van zijne kroone, beseft den verdoemden staet, waerin 64 de zoon, die hem zoo na aen het hart lagh, eeuwigh van Godt ver-64 65 stooten blijft; hoewel de bedroefde man, door Joabs raet, en uit hoog- 66 dringenden noot, zijnen onverzetbaeren rou met maght intoomt.66 67 Hier valt in zijnen uitgang het treurspel op het allerkrachtighste,67 68 en gaet alle treurspelen in droefheit te boven. Ick wert ontsteecken68 69 dese treurstof, uit haeren aert zoo hartroerende en leerzaem t'ont- 70 vouwen, en noch te vieriger, aengezien koning Davids herstellinge, 71 als het anderde deel, vast is aen zijne ballingschap, onlangs gespeelt,71 72 op datze tegens elckandere te klaerder afsteecken, en d'onbestan-7272-73 73 digheit van het beloop der weerelt voor der aenschouweren oogen 74 stellende, hun levendigh inboezemen dat er heden niets zoo vreemt74 75 voorvalt, of het is al van outs gebeurt: want onder het omwentelen 76 van het radt van avontuure komen de zelve zaecken, in andere76 77 tijden, plaetsen, en personaedjen, t'elckenmaele weder boven. 78 Ick hoope de weledele heer Vlooswijck, die, als een burgervader, 79 over de burgerye, den staet en de stadt ten beste waeckt, zal my79 80 toelaeten dit treurspel in het licht te brengen, onder de schaduwe80 81 van zijnen naeme, en heerlijck wapen, dat, in alle deelen voltroc-81 82 ken, dit werck eenen luister byzet; terwijl ick wensche altijt te blij- 83 ven,

 

Weledele en gestrenge heer

 

Uwe weledele gestrenge dienstwillige

 

J.v. Vondel.

[p. 107]

Inhoudt.

1 Toen koning David buiten Jerusalem, voor zijnen weêrspan- 2 nigen zoone Absolon, in ballingschap vlugte, wert hy op wegh 3 door Jonathan en Achimaäs, der Aertspriesteren zoonen, gewaer- 4 schuwt van Achitofels raetslagh, om hem terstont te volgen, en4 5 overrompelen, dat door Chusaï, Davids ouden hofraet en begun-5-6 6 steling, omgestooten was. Hy ruckte, op deze waerschuwinge, al6-7 7 den nacht voort, trock 's morgens over de Jordaen, en geraeckte 8 endelijck veiligh te Manaïm, eene stadt in Galaäd, aen den vliet 9 Jakob, daer Isbozeth, Sauls zoon, eertijds zeven jaeren over Juda9 10 en Efraim regeerde. Hier wert hy met voorraet en allerhande noot-10-11 11 druft voorzien van zijne begunstelingen, Machir en Barsillaï, en11 12 in het byzonder van Sobi, prince der Ammoniten. Ten leste quam 13 Absolon met eene groote macht over het water rucken, en den 14 vader op den bodem van Galaäd ten veltslagh uitdagen. David 15 stelde kornels en hopmans over zijn leger, onder Joab, den velt-15 16 heer. De koning, gereet met hun op te trecken, wert van hun en 17 het volck tegengehouden. Hy geboodt Joab en alle overste Absolon 18 te verschoonen, en genadigh te handelen. De veltslagh ging aen18 19 omtrent het bosch van Efraïm, daer Joab d'overhant behielt,19 20 en zijn vyant twintigh duizent mannen verloor. Absolon vlughte 21 op zijn muilpaert boschwaert in, en de haerlocken slingerden om 22 eenen eick, daer de muil onder hem doorging, hy levendigh hangen22 23 bleef. Joab, hier van verkuntschapt, wenschte dat de bode hem23 24 doorstooten hadde, die het uit ontzagh voor den koning weigerde, 25 dies reedt de veltheer zelf derwaert, en stiet den hangenden drie25 26 schichten in het harte, en Joabs schiltknaepen sloegen hem voort26 27 doot. Toen liet de veltheer den aftoght blazen, Absolon in eenen 28 grooten kuil begraven, en met eenen hoop steenen overstulpen.28 29 De vader, van des zoons nederlage verwittight, borst uit in onma-29 30 tigen rouwe, maer wert verzet door Joab, die hem riedt ergernis30 31 en gevaer te schuwen, zich vrolijck voor zijn volck te toonen, en 32 trooste den bedroefde met zijne zeeghaftige herstellinge in Jerusa-32

[p. 108]

33 lem, by het overschot van Absolons leger alree belooft, en door het33 34 wijs beleit der aertspriesteren by alle stammen te bekrachtigen.

35 Het spel begint voor den dageraet, en endight in den avont.35 36 Het tooneel is te Manaïm voor de poorte, in het leger. De hove- 37 lingen bekleeden den rey.37

[p. 109]

Treurspeelders.

JOAB. Koning Davids veltheer.

SOBI. De prins der Ammoniten.

REY van hovelingen.

DE VEERWACHT aen de Jordaen.

DAVID. De koning van Israël.

ABISAÏ. Joabs broeder.

AMASA. Absolons veltoverste.

BERSEBA. De koningin.

JONATHAN. Abjathars zoon.

ACHIMAÄS. Sadox zoon.

CHUSI. De leste bode.

1der ouderen kinderliefde: de liefde van ouders voor hun kinderen.
2overkrachtigh: zeer krachtig.
3den redelijcken (dieren): de schepsels, met rede begaafd.
4Plutarchus, Gri. schrijver (± 50-120 n. Chr.) behandelde in zijn zedekundig-wijsgerige vertogen (Moralia) ook de liefde tot de kinderen; doorzichtige: veel inzicht bezittende.
5zedevormer: die door zijn geschriften bijdroeg tot verbetering van de zeden; handelen: behandelen; wijtloopende berecht: uitvoerige toelichting.
6bekleet: opgehelderd.
7ouderen: ouders.
8afkomst: kinderen.
10zijne slotrede: het slot van zijn rede, vertoog.
11heiloos voorspoock: heilloos voorteken.
13neemt waer: wijst er op(?); last: nood.
16-17lijdt natuur nergens gevoelijcker: worden de natuurlike banden van ouders en kinderen nergens pijnliker gekwetst.
18in lijden: wanneer deze moeten lijden; van: door; voorzichtigen: beleidvolle.
19Chusaï, zie David in Ballingschap, vs. 1609-1610.
21overendt zet: in beroering brengt.
22nederlaegh: ondergang, dood.
25lijfgevecht: tweegevecht (Ned. Wdb. VIII, 2255); Lukretius: Lucretius Carus (± 25 v. Chr.), in zijn leerdicht De rerum natura, boek I, vs. 99. (sensit et hunc propter ferrum celare ministros); gedenckt: herdenkt.
28daer: wanneer. Op verlangen van de schim van de in de Trojaanse oorlog dodelik gewonde Achilles werd Polyxena, dochter der Trojaanse koningin Hekuba, op zijn graf geofferd. Op raad van Ulysses werd na de verovering van Troje Astyanax, enige zoon van Hector en Andromache, boven van de muren geslingerd (uit vrees dat hij later de stad herbouwen zou).
29ontweldight: met geweld ontrukt; onnozel: onschuldig.
30tot: als.
31ter straffe vordert: voor de rechtbank daagt om gestraft te worden.
33stercken: bevestigen.
34-35glimpelijck uitstroien: als vals gerucht verbreiden.
35van: door.
36bergen: beveiligen, redden.
37onder het gerecht: onder de galgen.
39af te keeren: af te weren.
41deelen: verdelen, stukhouwen.
42dus lang overgeslagen: zo lang voorbijgezien, niet gewaardeerd.
43betuight: bewezen.
44ter doot: tot in de dood.
46Godt den vader afbeelde: een voorafbeelding gaf van Gods liefde, die ook zijn Zoon offerde.
47Zo lief etc.: zie Joh. 3, vs. 16.
48tooneelhandel: drama.
49-51draeft vooruit: komt op de voorgrond; doorgaens: doorlopend, steeds; onaengezien: afgezien van het feit dat.
52naer het hart stack: wilde doden; opluickende: jeugdig bloeiende.
56och etc.: zie 2 Sam. 18, vs. 33.
58zijne triomfbazuin te verdoven: zijn voldoening over de triomf te overstemmen.
61ontschuldight: verontschuldigt; afgeworstelden: door de innerlike strijd uitgeputte.
62gevoelijck: gevoelig.
64van: door.
66onverzetbaeren rou: onoverkomelike smart.
67valt op het allerkrachtighste: bereikt zijn hoogtepunt; in zijnen uitgang: aan het einde.
68Ick wert ontsteecken: ik kreeg lust.
71anderde: tweede; vast is aen: verbonden is met, behoort bij; onlangs gespeelt: deze plaats bewijst dat David in Ballingschap inderdaad opgevoerd is.
72te klaerder afsteecken: des te sterker contrast vormen.
72-73onbestandigheit: onbestendigheid.
74levendigh inboezemen: duidelik het feit inprenten.
76de zelve: dezelfde.
79ten beste: tot hun welzijn.
80onder de schaduwe: onder de bescherming.
81in alle deelen voltrocken: in alle opzichten volmaakt.
4raetslagh: plan.
5-6dat: wat; begunsteling: gunsteling; omgestooten: verworpen, niet tot uitvoering gekomen.
6-7al den nacht: de gehele nacht.
9daer: waar; 2 Sam. 2, vs. 8-10.
10-11nootdruft: levensmiddelen; 2 Sam. 17, vs. 27-29.
11van: door.
15kornels: kolonels; hopman: hoofd van een vendel, kapitein.
18handelen: behandelen; ging aen: begon.
19daer: terwijl.
22levendigh: levend.
23verkuntschapt: op de hoogte gebracht.
25dies: daarom.
26schichten: speren; voort: verder.
28overstulpen: bedekken.
29nederlage: ondergang.
30verzet: tot andere gedachten gebracht; ergernis: aanstoot.
32zeeghaftige: triomfantelike.
33by: door (ook in r. 34).
35Het spel loopt in één dag af, en beantwoordt dientengevolge aen de klassieke regel.
37bekleeden de rey: vervullen de rol van, vormen de rei.
terug  begin  verder