33dat ongelijck te slechten: het u aangedane onrecht te wreken, oorspr. vereffenen, uit de weg ruimen (vgl. ongelijck beslechten in vs. 286). De verbinding met slechten wordt in het Ned. Wdb. X, 1613 niet vermeld; evenmin in XIV, 1627.
108een bloetgeschil: een geschil, strijd, tussen bloedverwanten (Ned. Wdb. II, 2876).
109-11Vgl. David in Ballingschap, vs. 93-99. De broederslaghter (Absolon) heeft zijn bloet (zijn broeder Ammon) geen vergiffenis geschonken voor de zusterschennis (van Thamar); vergouden: vergolden; in vaders weêrwil: tegen de zin van zijn vader; zelf toegestaen: zichzelf toegekend.
174daer: terwijl; op blijde wijzen: onder begeleiding van vrolike lofzangen.
175-76yver: geloofsyver. Deze regels zijn niet duidelik: zy (173) kan moeielik op vaders (161) terugslaan. Heeft Vondel hier gedacht aan hun dankgebeden of aan de opstijgende geuren van de offers?