1-3staf: scepter; den staf zwaeien: heerschappij voeren. De verroeste ijzeren scepter past bij het helse onderaardse zwarte rijck, daar beneden; sluite: besluit, vaststel.
4goet gekent: als goed beschouwd; koom: uit de oudere vorm: ik kome (vgl. voorstelle en sluite); wijck: oord.
5luste: lustte; ope: in Vondels taal de vrouwelike vorm naast mnl. open.
7Den ommegangk: de triomftocht met Samson (vgl. vs. 20).
55Zie Richteren 14, 1, 2 en 15, 6. Een Thamniet: een Filistijn uit Timnath; dees plaegh: Samson, als lantplaegh (vs. 27); verstack van: beroofde van, zie Richt. 14, 20-15, 2.
81de Godtsdraght en zijn kistspel (hier een minachtend woord): de rondgedragen bondskist, waarboven de Godheid zweefde; heet op: hevig verlangend naar.
95vaer': begeve zich daarheen; zijn personaedje speelt: zijn rol speelt, zijn taak vervult.
96helheiligh: aan de hel gewijd. Woordspeling, als tegenstelling van heilheilig (sacrosanctus), dat ook bij Vondel voorkomt (Ned. Wdb. VI, 455); outerbeelt: vgl. kerckbeelt in vs. 13.
97Verblinde: blindgemaakte (vgl. blindeling in vs. 101).
130in d'oogen druipen: duur te staan komen, op uw verderf uitlopen (Ned. Wdb. III, 3480).
133haverkorsten: haverbrij (oudgermaans voedsel) of korsten van haverbrood? Het woord ontbreekt in het Ned. Wdb.; bry van schorssen: volgens Van Lennep in Zweden nog als voedsel gebruikt.
135boet van: straf voor; moedtwilligheit: kwaadwilligheid.
137tuchtwacht: gevangenbewaarder; hou u hier om: blijf in de nabijheid van.