235Van Dan tot Berseba: in het gehele Joodse land (zie David in B., Inhoudt r. 20). wat oude, kunne en staet: mensen van verschillende leeftijd, sekse en stand; bederf: ondergang.
249'k Had dicht gebleven: ik had gezwegen, het geheim bewaard; klaer: onomwonden.
250schijn: voorwendsel; haer t'ontleggen: voor haar te verbergen (ontleggen: verwijderd houden).
251-254groene basten: in de Statenbijbel: verse zelen die niet verdroogd zijn (Richteren 16, 7-14).
254-55Gods vyant: de Filistijnen; laegen: hinderlaag: nl. nadat zij driemaal vergeefs door de hulp van Delila hem het geheim hadden getracht te ontlokken.
256dus: op deze wijze; als uitgestort: haar zelfbeheersing verloren hebbende. Van Lennep wijst er op, dat Dido's verwijten aan Eneas hierbij Vondel voor de geest kwamen, vgl. Aen. IV, vs. 305-23.
257Meineedige aert: meinedige; een hart toedraegen: liefhebben.
258my uw hart ontveinst: veinst mij niet lief te hebben.
260Van moeders lichaem: van uw geboorte af; schoer: met oe-klank; vgl. vs. 72 en Van Helten: Vondels Taal I, § 14; 't ruige hooft: vgl. de ruige locken in vs. 9.
261spaentge uw lust: onthoud gij u (spanen = spenen).