terug  begin  verder
[p. 250]

Opgang Van Karel Stuart
den tweeden Koning van groot Britanje, Vranckrijck en Yrlant.aant.*

IN MELIVS REFERET.

 
De nachtegael heft schooner aen te zingen,
 
Nu STUART rijst veel schooner uit den nacht
 
Van misverstant; en allerhande dingen3
 
Zijn verwe geeft met grooter glans en kracht.4
5
Hy voert, als 't licht, den dagh aen met vier paerden,5
 
En straelen van vier kroonen om zijn hooft,6
 
Die van den glans der oudren niet veraerden,7
 
Een' glans, die 't licht der koningen verdooft;8
 
Een' glans, wien d'eeu des grooten Alexanders
10
  Magh heugen, en ontluistert stam by stam,9-10
 
Die, brommende op den schilt van jonger standers,11
 
Zijn' oirsprong uit het bloet der Gotten nam.
 
Wat zegge ick? liet dees zon in 't onderdaelen,
 
Toen zy het paert des avonts dreef te wet,13-14
15
In 't water niet veel luisters van haer straelen,
 
Terwijlze sliep in Thetis schoot en bedt?
 
Neen zeker, toen zy flaeu scheen, en bezweken17
[p. 251]
 
Op onze kim, ley zy haer licht niet af.18
 
Zy daelde om eens veel stercker aen te breecken,
20
  Al schreide Arkadje, als ofze zonck in 't graf.20
 
Nu vliên verbaesde en ydele geruchten,21
 
Harpy en Sfinx, gebroetsels van den nacht.22
 
De zeepest, zee-en-lantgedroghten vlughten.
 
Het oproer van de hel verloopt zijn wacht.24
25
Wie jaeghtze dus, van schrick en angst bezeten?25
 
Wat vreezenze, dewijl haer niemant jaeght?
 
Geen vlughteling ontvlught het boos geweeten,
 
Den gier, den worm, die 't hart verpickt, en knaeght.28
 
Voor 's konings komste en wagen zweeft Genade,
30
  Rechtvaerdigheit, en Liefde, en Burgerpais,30
 
Vier engelen in zuiveren gewade,31
 
Zoo lang verwacht in 't Engelsche palais.
 
Hoe rieckt die lucht van lelien, en rozen,33
 
De bloemen van 't geheilighde geslacht,34
35
Ten rijxtroon van den hemel uitgekozen,35
 
Gezalft, gekroont, gehanthaeft in zijn kracht!
 
Het Parlement komt eerst den koning eeren,
 
't Gekroonde hooft, waer van hunne eer begint.
 
Britanje, als 't plagh, begint te triomfeeren.
40
  d'Eenhoren bruischt door 't zeegroen heen voor wint.40
 
Nu groeien Y, en Teems, dees stadt, en Londen.41
 
Godts zegen, als een horen, rijck van vrucht,42
 
Stort in den schoot der steên, door trou verbonden,
 
Verbont waer voor de vloeck der welvaert vlught.44
45
De bloetbant van Oranje en groot Britanje45
 
Geeft hoope dat, der bontgenooten bant
 
Bevestight, elck van beide, op zijn kampanje,47
 
Braveeren zal wat zich hier tegens kant.48
 
Het Baltisch meer komt bly de Teems begroeten,49
[p. 252]
50
  Zijn naeste bloet, nu Londen, 's konings hof,50
 
En gansch Europe, aen 't outer van zijn voeten,
 
Hem wieroocken met geur van zege en lof.
 
Wat vreest, de stoel des konings, Koppenhaegen53
 
De keten, om den hals der dootsche Sont,54
55
Nu Batavier en Brit de Beltstrant vaegen,55
 
En spreecken met kortouwen uit den mont?56
 
De Wyssel op dees faem komt nederbruissen
 
In Dantzix schoot met kaenen, zonder tal.58
 
De paertshoef, die den oogst vertradt in Pruissen,59
60
  Verlaet de steên en stroomen overal.
 
Byzansse, dat de rijxgrens van Europe,61
 
En Malte, en Krete, eer trots op hondert steên,62
 
Den doot zwoer, zit versteecken van zijn hoope,63
 
Nu groot Britanje al 't aerdtrijck dunckt te kleen.
65
De tulbant vreest het rijck, dat eer zijn paerden
 
Dorst drencken langs den Nyl, en 't roode meer,
 
Den opgang gaf aen Konstantijns standaerden,
 
En 't heiligh graf beschermde tot Godts eer.65-68
 
Zoo KAREL eens de kruisstandaerden plante,
70
  Daer Godt en mensch zijn leste voetstap zet,70
 
Of voor Karthage een' slagh sloegh van Lepante,71
 
Ick volghde op zee zijn grootvaêrs zeetrompet.69-7272
 
Dan schiep ick lust hem in zijn ballingschappen,
 
Op Maroos draf, te volgen, en een werck73-74
75
Te tekenen, op 't voorbeelt van zijn stappen,
 
Dat d'eeuwen en den afgront valt te sterck.76
 
Gy zoudt hem zien in 't harrenas verlaeten,77
 
Met karrabijns, voor 't recht van d'outste kroon,78
 
Vier geven op meineedige soldaeten,79
80
  En blixemen door levenden en doôn.
[p. 253]
 
Gy zoudt hem zien, begrimt van 's doots grimmassen,81
 
Na d'overdrift der wolcken, droef en naer,82
 
Verrijzen uit zijn vaders heilige assen,
 
Geoffert in den gloet op 't hofaltaer.84
85
Gy zoudt hem zien uit eenen boom herboren,85
 
Op 's vaders troon, al 't rijck voorzien van graen,
 
En 't hongrigh volck, gespijst met weeligh koren87
 
Uit zijnen schoot, den hollen buick verzaên.88
 
Na 'et missen van zijn kroone en vaders leven,
90
  En wat zijn recht ontweldight wert zoo straf,90
 
Behielt de helt, dat hy 't hun kan vergeven,91
 
Om Godt, die al zijn smaet aen 't kruis vergaf.92
 
Zoo schijnt de May van vreught te quinckeleeren,
 
Nu Vlooswijck, Graef, Outshoren, Maerseveen94
95
De Majesteit des grooten Konings eeren,
 
Die met zijn' glans het vrye lant bescheen.
 
 
 
J. V. Vondel.

t'Amsterdam, by de weduwe van Abraham de Wees, op den middeldam. 1660.

*Van 1660. - Volgens de tekst van de afzonderlijke uitgave in plano (Unger no. 603). Het motto ontleend aan Aeneïs I, 281, betekent: zal tot beter inzicht komen, waarbij in dit verband als subject te denken is: het Engelse volk.
Amsterdam zond aan Karel II na zijn verheffing tot koning (zie het vorige gedicht) een deputatie om hem geluk te wensen en uit te nodigen tot een bezoek aan Amsterdam vóór zijn vertrek teneinde daar feestelik te worden ontvangen. In opdracht van burgemeesters schreef Vondel dit gedicht, dat uit naam van burgemeesters de koning bij deze ontvangst zou worden aangeboden, maar dat niet tot zijn recht is gekomen, daar Karel het hem verzochte bezoek niet heeft gebracht. Zie Schillings, Vondel en de regeerders van Amsterdam, Amsterdam 1917, blz. 78.
3misverstant: onenigheid, burgeroorlog.
4verwe: kleur.
5't licht: de zon, als zonnewagen, door een vierspan getrokken.
6vier kroonen: van Engeland, Schotland, Ierland en van Frankrijk, van welk land de Engelse vorsten zich sedert Hendrik V ook koning noemden.
7oudren: voorouders; niet veraerden van: niet onderdoen voor.
8verdooft: overschittert.
9-10Vondel laat het stamhuis van de Stuarts dus opklimmen tot de tijd van Alexander de Grote, en menige andere stam overwinnen (ontluisteren).
11brommende op: pronkende met. De bedoeling schijnt te zijn dat in het wapenschild ook jongere bestanddelen opgenomen waren, maar dat de oorsprong ligt in de vroeg-Germaanse tijd. Gotten (Goten) is dan de verzamelnaam voor Germanen (in deel 3, blz. 379, gebruikt V. het voor de Zweden).
13-14dees zou: Karel; dreef te wet: deed neerdalen in de Westelike zee, bij de zeegodin Thetis (vs. 16).
17flaeu scheen: weinig licht verspreidde.
18Op onze kim: nl. hier te lande, in ballingschap.
20nl. toen het oude Arcadië voor het eerst een zonsondergang aanschouwde. Zie Leeuwendalers, vs. 1666-1677 (deel 5, blz. 340).
21verbaesde: verschrikte; ydele: loze.
22Harpy: bevuilend (lasterlik) monster.
24Het oproer van de hel: vgl. de ‘vermomde Lucifer’ in deel 5, blz. 476; verloopt: verzuimt, verlaat, door weg te lopen (Mnl. Wdb. VIII, 2066).
25van: door.
28verpickt: stuk pikt. Dubbel beeld voor het knagende geweten (vgl. het slot van de Geuse-vesper).
30Burgerpais: binnenlandse Vrede.
31engelen: woordspeling met het volgende Engelsche palais.
33lelien en rozen: de Franse lelie en de Engelse roos (vgl. deel 5, blz. 162).
34't geheilighde geslacht: de Stuarts.
35van: door.
40d'Eenhoorn: het fabelachtig dier, als schilddrager van de koninklike wapens van Engeland en Schotland. Het koninklike schip doorklieft voorspoedig de wateren, op weg naar Engeland.
41groeien: genieten, gevoelen zich gelukkig; dees stadt: Amsterdam.
42horen: de horen des overvloeds.
44de vloeck der welvaert: het monster dat de welvaart bedreigt.
45Dit slaat op het huwelik van stadhouder Willem II met Maria, dochter van Karel I; Bevestight (zijnde): absolute constructie.
47kampanje: bovenste achterdek van het schip.
48Braveeren: trotseren.
49Het Baltisch meer: nl. Frederik III van Denemarken (zie deel 8, blz. 611).
50Zijn naeste bloet: Koning Jacob I van Engeland was in 1589 gehuwd met Anna van Denemarken, zuster van Frederik III.
53stoel: zetel.
54Zie deel 8, blz. 648 en 766.
55Zie over de rol van de Brit: deel 8, blz. 649; vaegen: van vijanden zuiveren.
56kortouwen: scheepskanonnen.
58kaenen: vrachtschepen (Ned. Wdb. VII, 651).
59De paertshoef: nl. van plunderende ruiterbenden.
61Byzansse: de Turken, die in deze tijd invallen deden, in vs. 65 aangeduid als De tulbant.
62eer: eertijds. Homerus roemde Kreta om zijn honderd steden.
63versteecken van: beroofd van.
65-68Onder Richard Leeuwenhart nam Engeland deel aan een kruistocht, maar bij de Nijl en de Rode zee is hij niet geweest.
70Daer: waar; Godt en mensch: de God-mens, Christus.
71een slagh van Lepante: in de Griekse haven Lepanto versloeg Don Juan van Oostenrijk in 1571 de Turken.
69-72Beroep op Karel I om deel te nemen aan de strijd tegen de Turken.
72zijn grootvaêrs zeetrompet: Vondel doelt hier op de Zegezang, door Karels grootvader Jacobus I gedicht der ere van de overwinning bij Lepanto, en door Du Bartas in het Frans vertaald.
73-74Dan schiep ick lust: dan zou ik lust krijgen, zijn daden te verheerliken in een epos, naar het voorbeeld van Vergilius Maro (op Maroos draf).
76den afgront: de hel.
77verlaeten: in de steek gelaten.
78d'outste kroon: vgl. vs. 8-12.
79Vier geven: schieten.
81van 's doots grimmassen: door de aangrijnzende dood.
82Nadat de sombere wolken overgedreven waren.
84den gloet: de blakende hartstocht van de burgeroorlog.
85uit eenen boom: zinspeling op de boom waarin Karel zich verscholen had om de nasporingen van de soldaten van het Parlement te ontgaan. Op die boom schreef Jan Vos een gedicht. (Alle de Gedichten 1662, 206).
87weeligh: overvloedig.
88hollen: uitgehongerde.
90zijn recht ontweldight: met geweld ontrukt aan zijn rechtmatige aanspraken; straf: streng, wreed.
91Behielt de helt: behield hij het voorrecht.
92Om Godt: ter wille van Christus.
94Zie blz. 250. Vlooswijck (zie deel 8, blz. 771), Graef en Maerseveen (zie deel 6, blz. 909); Outshoren: Cornelis de Vlaming van Outsoorn (1613-1688), in 1660 burgemeester (zie blz. 174 van dit deel).
terug  begin  verder