t'Amsterdam, by de weduwe van Abraham de Wees, op den middeldam. 1660.
*Van 1660. - Volgens de tekst van de afzonderlijke uitgave in plano (Unger no. 603). Het motto ontleend aan Aeneïs I, 281, betekent: zal tot beter inzicht komen, waarbij in dit verband als subject te denken is: het Engelse volk.
Amsterdam zond aan Karel II na zijn verheffing tot koning (zie het vorige gedicht) een deputatie om hem geluk te wensen en uit te nodigen tot een bezoek aan Amsterdam vóór zijn vertrek teneinde daar feestelik te worden ontvangen. In opdracht van burgemeesters schreef Vondel dit gedicht, dat uit naam van burgemeesters de koning bij deze ontvangst zou worden aangeboden, maar dat niet tot zijn recht is gekomen, daar Karel het hem verzochte bezoek niet heeft gebracht. Zie Schillings, Vondel en de regeerders van Amsterdam, Amsterdam 1917, blz. 78.
9-10Vondel laat het stamhuis van de Stuarts dus opklimmen tot de tijd van Alexander de Grote, en menige andere stam overwinnen (ontluisteren).
11brommende op: pronkende met. De bedoeling schijnt te zijn dat in het wapenschild ook jongere bestanddelen opgenomen waren, maar dat de oorsprong ligt in de vroeg-Germaanse tijd. Gotten (Goten) is dan de verzamelnaam voor Germanen (in deel 3, blz. 379, gebruikt V. het voor de Zweden).
13-14dees zou: Karel; dreef te wet: deed neerdalen in de Westelike zee, bij de zeegodin Thetis (vs. 16).
40d'Eenhoorn: het fabelachtig dier, als schilddrager van de koninklike wapens van Engeland en Schotland. Het koninklike schip doorklieft voorspoedig de wateren, op weg naar Engeland.
41groeien: genieten, gevoelen zich gelukkig; dees stadt: Amsterdam.
65-68Onder Richard Leeuwenhart nam Engeland deel aan een kruistocht, maar bij de Nijl en de Rode zee is hij niet geweest.
70Daer: waar; Godt en mensch: de God-mens, Christus.
71een slagh van Lepante: in de Griekse haven Lepanto versloeg Don Juan van Oostenrijk in 1571 de Turken.
69-72Beroep op Karel I om deel te nemen aan de strijd tegen de Turken.
72zijn grootvaêrs zeetrompet: Vondel doelt hier op de Zegezang, door Karels grootvader Jacobus I gedicht der ere van de overwinning bij Lepanto, en door Du Bartas in het Frans vertaald.
73-74Dan schiep ick lust: dan zou ik lust krijgen, zijn daden te verheerliken in een epos, naar het voorbeeld van Vergilius Maro (op Maroos draf).
84den gloet: de blakende hartstocht van de burgeroorlog.
85uit eenen boom: zinspeling op de boom waarin Karel zich verscholen had om de nasporingen van de soldaten van het Parlement te ontgaan. Op die boom schreef Jan Vos een gedicht. (Alle de Gedichten 1662, 206).
94Zie blz. 250. Vlooswijck (zie deel 8, blz. 771), Graef en Maerseveen (zie deel 6, blz. 909); Outshoren: Cornelis de Vlaming van Outsoorn (1613-1688), in 1660 burgemeester (zie blz. 174 van dit deel).