terug  begin  verder
[p. 266]

Op de toetssteene Feesttafel Der Goden
Bevlochten met den kunstrijcken parlemoerkrans door D. van Rijswijck.aant.*

Clara micante auro, flammasque imitante pyropo.

 
Men hoeft voortaen naer China niet te reizen,1
 
Te ploegen zoo veel zees,2
 
Om in Pequijns geweldige pallaizen3
 
Te spreecken den Chinees:
5
Men hoeft het hof der zonne niet te zoecken,
 
Door Mulciber gebout,6
 
Gelijck het straelt, uit Nasoos geest en boecken,7
 
Van gloet en hemelsch gout:
 
De kunst, die geen Chinezen oit verstonden,
10
  Geen Mulciber bedacht,
 
Wort by der hant in Rijswijx huis gevonden,11
 
In haere volle kracht.
 
Hier staet de disch, het achtkant, om de Goden
 
Uit hunnen hoogen troon
15
Op 't ooghbancket van parlemoer te nooden.15
 
Wat dunckt u van dien toon?16
 
Het lust Jupijn den Nektar hier te drincken.
 
Apollo laet zijn veêl
 
Aen dezen disch, het feest ter eere, klincken,
20
  En huwtze aen Venus keel.
 
Dees tafel spijst de godtheên onder 't zingen
 
Met een gezicht van glans.
[p. 267]
 
Geen diamant verdooft de flickeringen23
 
Van onzen tafelkrans;
25
Een' tafelkrans, zoo rijck van kunst doorvlochten,
 
Als al Vulkanus smeên
 
Oit in den schilt van vorst Eneas wrochten,26-27
 
En dreven onder een.28
 
Hoe zal men best dien krans van schulpen noemen?
30
  Wat tong voltreckt dien lof?30
 
Hier weit het oogh in allerhande bloemen.31
 
De kunst verdooft de stof.32
 
Wie lust die plucke al wat hem magh gebeuren.33
 
't Gezicht heeft vryen keur;
35
Volop van vorm, en levendige geuren,
 
Vier jaergetijden deur.
 
Stoft d'Indiaen op d'endeloze rente37
 
Van 't vrolijck oostsaizoen,38
 
Dat eeuwigh duurt: het is hier eeuwigh lente.
40
  Geen kou verbijt dit groen.40
 
Geen vuile mist, geen hagelbuy, noch sneeuwen
 
Schoffeeren deze verf.42
 
Dees bloemhof houdt een aenschijn door alle eeuwen,43
 
En weet van geen bederf.
45
De honighby vint hier geen bloem bedorven.
 
Zy zuight terwijl ick rijm
 
Den honighdau, en vult haer holle korven
 
Met roozengeur en tijm.
 
Dees veltzwarm ziet den dischbeemt noit verdorren.49
50
  Het leeft'er overal
 
Van krekel, vliegh, wywouter, goude torren,51
 
En joffren, zonder gal.52
 
De maenebloem, de starrebloemen locken53
 
Die vlugge zielen uit.54
55
De morgenstar, de korenbloem, de klocken55
 
Ontluicken op 't geluit.
[p. 268]
 
De kivitsbloem, en keur van schoone tulpen,57
 
Die, als 't kameleon,
 
Met menigh slagh van verwen zijn behulpen,59
60
  Bekooren zelf de zon.60
 
Genoffel, of eenverwigh, of gemengelt,61
 
Gezegent met een lucht
 
Van nagelpoêr, in zoo veel kleurs gesprengelt,62-63
 
Het hart verquickt, als 't zucht.
65
Den Keizer, en de zeven Keureheeren65
 
Zou 't lusten op hun feest
 
Aen 't achtkant van dien disch te bancketteeren,
 
Verheught en bly van geest.
 
Zy zouden hier den berckemeier kranssen,69
70
  Terwijl, tot heil van 't rijck,
 
De schoonheên om de parlemoerkroon danssen,71
 
Op goddelijck muzijck.72
 
Cyrene hoort in haere glaze kooren73
 
Met groot verwondren aen
75
Hoe vier door kunst uit water wort geboren,75
 
En kan het niet verstaen.
 
Haer dochters, alle in moschtapijt bedreven,77
 
Verstaen niet door wiens hulp78
 
Een sterflijck mensch een bloemtapijt kan weven
80
  Uit eene harde schulp.80
 
Wat quist men tijt om 't eeuwige beweegen81
 
Te treffen op zijn hooft!82
 
Dit uurwerck speelt en draeit u eeuwigh tegen,
 
En flickert onverdooft.
85
Dees zonnebloem volght met haer drijvende oogen85
 
De zon, haer' bruidegom.
 
Zy lonckt hem aen, van zuivre min bewogen,
 
En zoeckt zijn gunst alom.
[p. 269]
 
Wanneer haer lief zijn hooft en gouden luister
90
  Des avonts onder haelt,90
 
Dan leentze noch den zonneglans by duister,91
 
Hoe diep hy nederdaelt.
 
De schoonste van dry blaeckende Godinnen93
 
Den gulden appel won:94
95
Maer wat Godin zal onze kunstkroon winnen,95
 
Die rijcke tafelzon?
 
Wie zal dit lot in 't endt ten deele vallen,
 
En erven dees gena?98
 
De tafelkroon, de fenixkroon van allen,99
100
  Is zonder wederga.
 
 
 
J.v. Vondel.

t'Amsterdam, voor de weduwe van Abraham de Wees, op den middeldam. 1660.

*Van 1660. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 619). Het motto, ontleend aan Ovidius' Metam. II, 2. betekent: schitterende van blinkend goud en vlammen nabootsende karbonkel.
Zie over Dirck van Rijswijck deel 5, blz. 808, waar een dergelijk lofdicht van 1654 afgedrukt is. De hier bezongen tafel is bewaard in het Rijksmuseum te Amsterdam. Zie Sterck, Hoofdstukken over Vondel en zijn kring, Amsterdam 1923, blz. 92, en aldaar de afbeelding bij blz. 90.
1Deze inlegkunst werd vooral in China beoefend.
2ploegen: doorklieven.
3Pequijns: Pekings.
6Mulciber, d.i. Vulcanus, bouwde ook de zonnewagen.
7Nasoos boecken: de Metamorphosen van Ovidius (Boek II, vs. 103-10; in Vondel's vertaling deel 7, blz. 445 van deze uitgave.
11by der hant: dichtbij.
15ooghbancket: een lust voor de ogen, met bijgedachte aan de tafel, waaraan zij genodigd worden (vgl. spijst in vs. 21).
16toon: zang(?) (vgl. 't zingen in vs. 21).
23verdooft: overtreft in glans.
26-27Zie de beschrijving van dit schilt in Aeneïs VIII, vs. 439-vlg. en 625-vlg. (in Vondels vertaling deel 6, blz. 850, 851-vlg. en 868, 869-vlg.).
28dreven: van drijfwerk voorzien; onder een: met elkander.
30voltreckt: spreekt ten volle uit.
31weit in: geniet van.
32verdooft de stof: (Ovid.: materiam superabat opus): de kunst der bewerking overtreft de schoonheid der stof.
33gebeuren: ten deel vallen.
37rente: opbrengst.
38oost: oogst.
40verbijt: bijt dood, vernietigt.
42Schoffeeren: schenden; verf: kleur.
43één aenschijn: hetzelfde uiterlik.
49Dees veltzwarm: de hier afgebeelde zwerm van insekten; den dischbeemt: de weide op deze tafel.
51wywouter: vlinder (zie Mnl. Wdb. IX, 569 op viveltere).
52Joffren: juffertjes (Ned. Wdb. VII, 485); zonder gal: zonder bitterheid, liefelik.
53maenebloem: maankopbloem (Ned. Wdb. IX, 39), papaver; starrebloemen: bij Heukels als naam voor de aster, de narcis en de sterremuur.
54Die vlugge zielen: die insekten.
55morgenstar: bij Heukels als naam voor de narcis, de vogelmelk en de boksbaard.
57kivitsbloem of kievitsei (zie Heukels Wdb. der Ned. volksnamen van planten, blz. 105).
59zijn behulpen: gebaat zijn (Ned. Wdb. II, 1486).
60zelf: zelfs.
61Genoffel: anjelier; eenverwigh: van één kleur.
62-63lucht van nagelpoêr: kruidnagelgeur; gesprengelt: gesprenkeld, verdeeld over.
65Keureheeren: keurvorsten.
69berckemeier: beker.
71schoonheên: Gratiën.
72Op: met begeleiding van.
73Cyrene: een Griekse stroomnimf, dochter van de riviergod Peneus. In de bron waaruit de Peneus (in Thessalië) zijn oorsprong nam, bewoonde zij een ‘glazen vertreck’ (glaze kooren). Hier sponnen haar dochters uit schapewol schone klederen (Zie Georg. IV, 281-558; in deel 6, blz. 332-34).
75vier: vuur, (gloed van kleuren, gevormd uit schelpen, uit het water opgehaald).
77moschtapijt: uit mos geweven tapijt(?), vgl. bloemtapijt in vs. 79.
78verstaen: begrijpen.
80harde schulp: paarlemoer.
81quist: verspilt; 't eeuwige beweegen: 't onmogelik samen te stellen perpetuum mobile.
82Te treffen op zijn hooft: te ontdekken, uit te vinden.
85In het middelpunt van de tafel is een zonnebloem afgebeeld.
90onder haelt: onder de horizon verbergt.
91Dan blijft ze die ontleende glans ook in het duister verspreiden.
93blaeckende: schitterende.
94Den gulden appel: door Paris aan Venus toebedeeld.
95kunstkroon: kunstrijke krans.
98gena: gunstbewijs.
99fenixkroon: krans die boven alle andere uitmunt (Ned. Wdb. III, 4431).
terug  begin  verder