t'Amsterdam, voor de weduwe van Abraham de Wees, op den middeldam. 1660.
*Van 1660. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 619). Het motto, ontleend aan Ovidius' Metam. II, 2. betekent: schitterende van blinkend goud en vlammen nabootsende karbonkel.
Zie over Dirck van Rijswijck deel 5, blz. 808, waar een dergelijk lofdicht van 1654 afgedrukt is. De hier bezongen tafel is bewaard in het Rijksmuseum te Amsterdam. Zie Sterck, Hoofdstukken over Vondel en zijn kring, Amsterdam 1923, blz. 92, en aldaar de afbeelding bij blz. 90.
73Cyrene: een Griekse stroomnimf, dochter van de riviergod Peneus. In de bron waaruit de Peneus (in Thessalië) zijn oorsprong nam, bewoonde zij een ‘glazen vertreck’ (glaze kooren). Hier sponnen haar dochters uit schapewol schone klederen (Zie Georg. IV, 281-558; in deel 6, blz. 332-34).
75vier: vuur, (gloed van kleuren, gevormd uit schelpen, uit het water opgehaald).
77moschtapijt: uit mos geweven tapijt(?), vgl. bloemtapijt in vs. 79.