terug  begin  verder

Het lyckbedde van wylen Heer Ioan Banning Wuytiers,
priester.*

Brandende, en lichtende. Ioan. 5.

 
Wie leght hier doot te bedt, gelijck ontschapen?1
 
Heer BANNING heeft zijn dootschult afgeleit,2
 
Doch is niet doot: hy rust, en schynt te slaepen,
 
Tot dat Godts dagh het licht en duister scheit,
[p. 270]
 


illustratie
Lyckbedde van den eerwaardigen heer Joan Banning Wuytiers, naar Th. Matham.

[p. 271]
5
De lichamen vereenight met de zielen,
 
Hem opweckt met d'aertsengelsche trompet,6
 
De worm kan 't lijf, geensins den geest, vernielen.
 
WUYTIERS ontsliep, en ging gerust te bedt,
 
Om vrolijck op te staen in 't ander leven,
10
  Daer volgen hem zijn wercken voor Godts troon,10
 
En tuigen van wat geest hy was gedreven,11
 
Die Christus raet, en wetten, en geboôn12
 
Waerdeerde meer dan tydelijcke goeden,13
 
Godts armoe koos voor wellust, eer, en staet,14
15
Den armen zocht te troosten, en te voeden,
 
Zich zelf besneedt van pracht en overdaet,16
 
Om milder Godts nootdruftigen t'onthaelen.
 
Godts outer was zijn vrijburgh dagh op dagh,18
 
Het kruis zijn staf, in 's lichaems smerte en quaelen,
20
  't Getydeboeck, dat voor hem open lagh,
 
Zijn uurwerck, om aendachtigh op te mercken.21
 
Een ander leert met woorden, stem, en spraeck:
 
Dees leert en sticht met wandel, en met wercken,23
 
En licht vooruit, gelijck een heldre baeck.
25
Al 't maeghschap, dat verstroit geduurigh verder
 
Van waerheit dwaelde, en nergens weide vondt,
 
Broght hy te koy gelijck een oprecht herder;25-27
 
Dies eert en kust het zijn' geloken mont.
 
Nu rust, WUYTIERS, gy hebt uw' stryt volstreden.
30
  Gedenck ons toch by Godt in uw gebeden.
 
 
 
J.v. Vondel.

W. van der Laegh scripsit et sculpsit.

*Van 1660. - Volgens de tekst van de calligraphie, door W. van der Laegh gesneden (Unger no. 631). Het motto is ontleend aan Joh. 5, vs. 35: Hij was een brandende en lichtende kaars.
Joan Banning Wuytiers (1591-1647), zoon van Govert Dircksz. Wuytiers, lakenkoper, in 1579 raad, in 1581 Schepen van Amsterdam, en de steun der reformatie aldaar, en van Debora of Dieuwertje Banningh, wier naam hij mede voerde. Hij was de eerste van zijn geslacht die tot de moederkerk terugkeerde, in 1619 ontving hij de priesterwijding. Zie Bijdr. v.d. gesch. v.h. Bisdom Haarlem II (1874), blz. 277-282. In 1660 heeft Th. Matham hem op zijn doodbed gegraveerd. Vondels gedichtwerd fraai geschreven en gegraveerd op een afzonderlijke plano (297 × 153 mM.). Dus 13 jaar na zijn dood. 't Lat. bovenschrift beteekent: Zalig de doden die in de Heer sterven, Apoc. 14.
1leght: ligt; ontschapen: ontzield (vgl. Lat. denatus). (Ned. Wdb. X, 1954).
2heeft zijn dootschult afgeleit: heeft zijn schuld aan de dood voldaan, is gestorven (Ned. Wdb. I, 1131).
6aertsengelsche: van de aartsengel Michaël.
10Zie Openb. 14, 13: en hunne werken volgen met hen.
11van: door.
12Christus raet; vgl. Godts raet in vs. 74 van ‘Maeghdepalm voor Anna Bruining’ en de verklarende noot in dl. 8 blz. 669.
13goeden: goederen, bezit.
14wellust: genot.
16zich besneedt van: zich onthield van (Ned. Wdb. II, 2064).
18vryburgh: de plaats waar hij zich vrij en veilig voelde.
21zijn uurwerck: daarnaar mat hij zijn tijd af; aendachtig: vroom; mercken: letten.
23wandel: zijn levensgedrag.
25-27Hij won een groot deel van zijn familie en bijna alle aanverwanten voor het oude geloof, o.a. twee kinderen van zijn zwager, burgemeester Jacob Poppen (1576-1624) en de oudste zoon van burgemeester Barthold Cromhout (1550-1624). Zie Elias: Geschiedenis van het Amsterdamsche Regentenpatriciaat 's Grav. 1923, blz. 24. Het onderschrift betekent: W. van der Laegh schreef en sneed het.
terug  begin  verder