terug  begin  verder
[p. 272]

Op de Afbeeldinge Van de E. Joffer,
Isabelle Benzi.aant.*

Door Karel van Savoy geschildert.

Gratior & pulchro veniens in corpore virtus.

 
Het voeght geen gryze pen door minne te verwilderen,1
 
En, als de zonnebloem, te weiden het gezicht2
 
In 't licht van onzen tijt, te schoon om uit te schilderen:3
 
Den ouderdom betaemt een staetiger gedicht.4
5
Noch laet ick eene poos mijn zinnen hier verlocken5
 
Door 't aes der schilderye, en 't morgenlicht der jeugt,6
 
Van d'ongeschape hant volschapen, en voltrocken;7
 
Een voorbeelt te gelijck van schoonheit en van deugt.
 
Verwaentheit, kommerlijck van schoonheit af te scheien,9
10
  In eene, aen wiens gedaente iet wenschelijx ontbreeckt,10
 
Bedwingt de vrye hant des schilders haer te vleien;11
 
Hoe klaer de waerheit oock het veinzen tegenspreekt.12
 
Verwaentheit wil dat kunst ontveinze de gebreken:
 
De spiegel is t'oprecht, het kristalijn te vroom:14
15
En waer Natuur bezwijckt, daer stutten haer de streken.15
 
Dus schat zich armoe rijck, in eenen zoeten droom.
 
Onnoodigh is het hier de Schoonheit wijdt te zoecken.
 
De miltheit van Natuur, al teffens uitgestort,18
[p. 273]
 
Te rijck valt voor penseel, panneel, en schilderdoecken.
20
  Hier schiet, aen geest en kunst, Apelles veel te kort.
 
Waer ISABELLE, in d'eeuw van 't uitgeleerde Athenen,21
 
Daer d'aengebede kunst de keur van joffren had,
 
Het aldoorsnufflende oogh des kunstenaers verscheenen,
 
De beitel had haer' schijn in marmersteen gevat;24
25
Gevat voor Pallas, of een Venus, ofte t'zamen
 
Voor Venus, en Minerve, en op 't altaer ge-eert
 
Het eenigh beelt, daer twee godinnen in verzamen,27
 
En met die majesteit de kercken gestoffeert.28
 
Hier schijnt een dageraet in 't aenschijn op te blozen,29
30
  Voor 't rijzen van de zon; te mengen blanck en root.
 
Bezielde lelien en levendige roozen,31
 
Verquickt toch BENZI, den getrouwen mingenoot.
 
Verquickt hem met uw' geur, o onverwelckbre bladen!
 
Gy Schoone, laef zijn hart met die robijne schael34
35
En nektar van uw' mont, en laet hy zich verzaden
 
Met leckernyen van uw lippen, zoet van tael.
 
Vertroost hem met een' blick van blinckende turkoozen,
 
Twee kokers, daer de Min haer pijlen in verberght.
 
Al waer zijn hart, zoo kil als berghkristal, bevrozen,
40
  Het smolt van eenen gloet, noch noit vergeefs geterght.40
 
Het hooge voorhooft geeft een achtbaerheit aen 't wezen.41
 
De boog der winckbraeu leert ons zedigheit en tucht.
 
De voeghelijckheit wort in 't blonde haer geprezen.43
 
Geen hairlock krult noch speelt te wuft in d'ope lucht.44
45
Waer toe noch hulp gezocht aen perle en diamanten,
 
Aen stricken van gesteente, en vergehaelt cieraet?
 
Volschapenheit behoeft noch ketens, noch karkanten,47
 
En neemt, op 't hooghste feest, noch kunst noch pracht te baet.
 
Zy pronkt met genen schijn van kleuren noch van geuren;
50
  Te vrede met Godts gifte, en 't aengeboren schoon;
 
Geschenk, dat, eens om d'eeu, een lantschap mag gebeuren.51
 
Zoo blijft de Schoonheit waert verheven op den troon.52
 
De leden op hun maet, en d'aengenaeme zwieren,53
 
De verf, van pas gemengt, en op haer eige ste,54
[p. 274]
55
De ziel, door al de leên, als sprengkelen van vieren55
 
En voncken, uitgespreit, ontvoncken stroom en zee.
 
Maer merck eens hoeze sticht alle opgetoge zielen,57
 
Wanneerze, met haer kroost en kinderen verzelt,
 
Ten outer komt, om voor 't gekruiste Lam te knielen,
60
  Waer in zy haer geluck en hooghsten zegen stelt.
 
Hier kroont Godtvruchtigheit de Schoonheit met de stralen
 
Van opgetogenheit en ootmoedt en ontzagh:62
 
Dan dwingt Gena Natuur voor schooner glans te dalen,
 
Gelijck de scheemring sterft door 't leven van den dagh.
65
Het sterflijck lichaem wort met al zijn schoon begraven,
 
En 't allerschoonste lijck in stof en stanck verrot;
 
D'onsterfelijcke ziel, de deught en beste gaven
 
Verduuren d'eeuwigheit, in d'eeuwigheit van Godt.68
 
Heeft d'opperste Gena Natuur in haer verheven,69
70
  Hoe zal Godts Heerlijckheit verheffen die Gena,70
 
Als hy zijn beelt bekleet, in 't licht van 't ander leven,71
 
Daer Godt het schoonste blijft, en zonder wederga!
Op de zelve.aant.*
 
Dees Schoonheit wort met recht van kenners aengebeden,1
 
Of liever Godt in haer, die op de Godtheit wijst,2
 
De bron van al het schoon. De schoonheit en de zeden
 
Gaen zelden dus gepaert. waer blijft de goude lijst?4
5
Hier eischt de schilderkunst een lijst, bezet met steenen,5
 
Die zullen meer waerdy ontfangen van dit beelt.
 
In ISABELLE is ons een nieuwe star verschenen.
 
Bezieze door en door. Wat leden zijn misdeelt?
 
Zy kan van dichte by de zon en 't oogh verdragen:9
10
  Ia zoo de Morgenstar in haren plicht ontbrack;10
 
Men zetteze, voor dagh, voor dauw, op haren wagen.11
 
Dat leven is te sterck, of alle verf te zwack.12
 
Het overschrijt de maet der sterfelijcke menschen.
 
Kent BENZI zijn geluk; hy kan niet schooners wenschen.14
*Van of vóór 1660. - Volgens de tekst in de Hollantsche Parnas, blz. 1. - Het motto, ontleend aan Aeneis V, 344, betekent: de deugd is nog bevalliger, wanneer zij met lichaamsschoonheid verenigd is.
Opschrift: Isabella Bosmans van Amsterdam trad 27 Jan. 1640 in het huwelik met Giovano Batista Benzi, van Como, oud 38 jaar. - De schilder Karel van Savoy, geb. te Antwerpen ± 1621, vestigde zich te Amsterdam, waar hij in 1649 huwde met Catharina Wandelman (een zuster van Joannes, zie deel 8, blz. 721) en in hetzelfde jaar het burgerrecht verwierf. Zijn sterfjaar is onbekend. Hij schilderde mythologiese taferelen en ook altaarbeelden voor de Amsterdamse kerken (Würzbach).
1Het is ongepast dat een grijze dichter zich door de minne tot dartele liederen laat verleiden.
2te weiden het gezicht: zijn ogen te verlustigen.
3't licht van onzen tijt: de nu stralende zon, figuurlik voor de schone Isabelle.
4staetiger: ingetogener.
5Noch: toch.
6't aes: het lokaas.
7Door Gods hand volmaakt geschapen.
9Verwaentheit: ijdelheid; kommerlijck: bezwaarlik. Schoonheid maakt gewoonlik ijdel.
10wiens: wier; iet wenschelijx: iets dat zij liever anders zou zien.
11Bedwingt: noodzaakt; haer te vleien: haar portret te flattéren.
12het veinzen: nl. de onjuiste weergave van de schilder (vgl. ontveinzen: in vs. 13).
14het kristalijn het glas of de waterspiegel (vgl. spiegelkristalijn op blz. 264, vs. 43); te vroom: te rechschapen, te eerlik (nl. om de waarheid te verbergen).
15bezwijckt: te kort schiet; streken: nl. van het penseel.
18al teffens: tegelijk.
21uitgeleerde: volleerde.
24schijn: gestalte.
27verzamen: verenigd zouden worden.
28En (had); gestoffeerd: versierd.
29op te blozen: in haar blos te voorschijn te komen.
31levendige: levende, echte.
34robijne schael: frisrode lippen.
40van: door; noit vergeefs geterght: onweerstaanbaar.
41wezen: gelaat.
43voeghelijckheit: gepastheid, ingetogenheid.
44wuft: dartel.
47Volschapenheit: volmaakte schoonheid; karkanten: halssieraad van goud en juwelen.
51eens om d'eeu: eenmaal in een eeuw; lantschap: landstreek; gebeuren: ten deel vallen.
52waert verheven: waard om verheven te worden (nl. door die zeldzaamheid).
53zwieren: gelaatstrekken.
54verf: kleur; haer eige ste: de juiste plaats.
55sprengkelen van vieren: uitspattend vuur.
57opgetoge: in vrome gedachten verdiepte.
62opgetogenheit: zie bij vs. 57.
68Verduuren: duren langer dan.
69Heeft Gods genade in haar de hoogste aardse schoonheid belichaamd.
70verheffen die Gena: die genade nog in sterker mate openbaren.
71zijn beelt bekleet: haar, naar Zijn beeld geschapen, een verheerlikt lichaam schenkt.
*Van of vóór 1660. - Volgens de tekst in de Hollantsche Parnas, blz. 3.
1van: door.
2wijst op: onze gedachten richt op.
4dus: zó.
5steenen: edelstenen, d.w.z. een gouden lijst is voor zoveel schoonheid niet kostbaar genoeg.
9de zon en 't oogh verdragen: men mag haar bij daglicht gerust van nabij bezien.
10de Morgenstar: Venus; ontbrack: te kort schoot.
11voor dagh, voor dauw: zo vroeg mogelik.
12Dat leven: het levende model,; verf: kleur.
14niet: niets.
terug  begin  verder