Op de schoone Eliza.
aant.
*
De geestige Natuur, belust wat schoons te maelen,
1
Nam vroegh in 't oosten waer den klaren morgenstont;
Toenze, uit den slaep geweckt, van duizent nachtegaelen,
3
Den dauw en geur ontfing in haeren nuchtren mont.
4
5
Zy mengt, uit roozendauw en honigh, en amandel,
Een leenigh klay, en kneet, herkneet het, en bootseert
Een beelt, zoo net dat geen vernuft dit eedler handel,
7
En niet een eenigh lidt aen zijnen eisch ontbeert.
8
[p. 276]
De dageraet bestelt haer roozen voor de kaecken,
9
10
En goutdraet voor het hair, en perlen voor 't gebit,
En stralen voor 't gezicht, waer van de minnaers blaken,
11
En kriecken voor den mont. wat wonderwerck is dit!
12
Zy blaest een' geest, een ziel, een gunst door al de leden.
13
Men zagh de weêrga van een hemelsche Pandoor,
14
15
Een schoonheit, van haer lief geviert, en aengebeden,
15
Die koos voor zulck een' schat noch marmer, noch ivoir.
Waer deught en schoonheit zijn gescheiden d'een van d'andere;
17
ELIZA
paert de deught en schoonheit met elckandere.
*
Van of vóór 1660. - Afgedrukt volgens de tekst in
Hollantsche Parnas
, blz. 4.
1
geestige:
kunstrijke.
3
van:
door.
4
nuchtren:
pas ontwaakte, fris in de morgen.
7
net:
keurig afgewerkt;
handel:
zou kunnen bewerken.
8
En geen enkel lid overblijft dat niet aan hoge eisen beantwoordt.
9
bestelt:
verschaft.
11
gezicht:
blik;
waer van:
waardoor.
12
kriecken:
kersen.
13
gunst:
bevalligheid.
14
een hemelsche Pandoor:
Pandora, volgens de Grieken de eerstgeschapen vrouw, door alle goden met velerlei geschenken begiftigd.
15
van:
door.
17
Waar ook deugd en schoonheid van elkaar gescheiden mogen zijn.