terug  begin  verder

Kersliedt.aant.*

 
O wat zon is komen dalen
 
In den Maeghdelijcken schoot!
 
Ziet hoe schijntze met heur stralen
 
Alle glanssen doof en doot.4
5
  Ay hoe schijnt dit hemelsch kint,
 
Aller zielen licht en hoeder,
 
Zon en maen en starren blint,
 
Uit den schoot der zuivre moeder!8
 
Englen, daelt van 't Paradijs:
10
  Zingt den hemel eer en prijs,
 
En met vre de harten kroont,
 
Daer een goede wil in woont.
 
 
 
Ziet hoe starooght daer een Oude,13
 
Achter deze maeght, op 't pant,
15
Dat de hemel hem betroude;15
 
Dat de kroon van ootmoedt spant.16
 
Salomon, vol majesteit,
 
Rijck van diamante straelen,
 
Magh het in zijn heerlijckheit19
[p. 277]
20
By Godts nedrigheit niet haelen
 
Englen, daelt van 't Paradijs:
 
Zingt den hemel eer en prijs,
 
En met vre de harten kroont,
 
Daer een goede wil in woont.
 
 
25
Komt, ghy koningen en heeren,
 
U hier spieglen in dit licht:26
 
IESUS zal u ootmoedt leeren,
 
Die zijn hof in stallen sticht.28
 
Ziet de Moeder: ziet den Zoon.
30
Kust de windels: kust de doecken.
 
Buight uw hoofden: buight uw kroon.
 
Zwijght, vernuftigen, en kloecken.32
 
Englen, daelt van 't Paradijs:
 
Zingt den hemel eer en prijs,
35
En met vre de harten kroont,
 
Daer een goede wil in woont.

*Van of vóór 1660. - Volgens de tekst in de Hollantsche Parnas, blz. 5. Dit lied is blijkbaar een bijschrift bij een prent of een schilderij.
4doof: dof, kleurloos.
8zuivre: reine.
13starooght: aanschouwt met aandacht; een Oude: een grijsaard, Jozef.
15betroude: toevertrouwde.
16Dat uitmunt in nederigheid.
19Magh: kan.
26spieglen in: een voorbeeld nemen aan.
28in stallen: vgl. de bekende rei in de Gysbreght, vs. 693-vlg.
32vernuftigen: wijzen.
terug  begin  verder