terug  begin  verder

De gestuite Minnegodt.aant.*

Op de hofstede van de Hinlopens buiten Naerden.

 
De fiere Venus sprack
 
Tot haeren kleenen dwergh:2
 
Ga heen bestorm het dack
 
Van 't forsse Rustenbergh,4
5
Dat met ons torts en wapens schimpt,5
 
Zoo trots, dat my 'er 't hart af krimpt.6
[p. 278]
 
Cupido schoot en toogh
 
Zijn snelle vleugels aen:7-8
 
Hy nam zijn' taeien boogh
10
  En koker, zwaer gelaên
 
Van pijlen, scherp gewet, en gladt,
 
En daerme hene op 't luchtigh padt.12
 
 
 
In 't vliegen zagh de Godt,
 
Die al de werelt toomt,14
15
De toppen van het slot
 
Van verre door 't geboomt
 
Uitsteecken, en hy streeck 'er in.17
 
Wat slot, wat sterckte keert de min!
 
 
 
Doch 't ging hem in dit perck19
20
  Uit zijne gissing: want20
 
Een ieder op zijn werck21
 
Boodt rustigh wederstant,22
 
Zoo ras hy toeley om terstont23
 
Te treffen wat hy bezigh vont.
 
 
25
De voorste klonck de scheer25
 
Met yver hem naer 't hooft;
 
Een zorghelijck geweer.27
 
Hoe stont de Min verdooft!28
 
Een andre smeet met kracht en stijf,29
30
Den looden inckpot hem naer 't lijf.
 
 
 
De derde kerft en kruist,31
 
En snijt en steeckt te fel.
 
Het snoeimes in de vuist
 
[Al naem de Min de Hel
35
Te baet] ontzagh noch pees noch schicht.34-35
 
De looze Schutter viel te licht.36
 
 
 
De vierde sufte niet,37
 
Maer greep het lange roer,
[p. 279]
 
Dat menigh vogel schiet.
40
  Hy mickte, en dreighde, en zwoer
 
Den schutter in een omzien ras
 
Te steken in zijn vogeltas.42
 
 
 
De Minnegodt, in 't endt
 
Gekeert van daer hy quam,
45
Zijn moeder heeft bekent45
 
Dat pijl noch minnevlam
 
Niet hechten kan op dit geslacht,47
 
Dat bezigh ledigheit veracht.48
*Van of vóór 1660. - Volgens de tekst in de Hollantsche Parnas, blz. 6. Zeer bevriend was Vondel met de regentenfamilie Hinlopen, die hij bezocht op haar hofstede Eickhof (zie deel 4, blz. 602 en deel 5, blz. 160 en 500) en later op hun buitenverblijf Rustenbergh bij Naarden. Dit behoorde omstreeks 1660 aan Jacob Jacobsz. Hinlopen (1621-1679), zoon van Jacob Jacobsz. Hinlopen en Sara de Wale, wier huwelik Vondel in 1618 had bezongen, zie deel I, blz. 781. De zoon, evenals zijn vader lakenkoper, trouwde in 1642 met Anna Tholincx. Hun drie dochters en de zoon waarvan in dit gedicht sprake is, waren dus nog heel jong.
2haeren kleenen dwergh: Cupido (vgl. vs. 7).
4forsse: versterkte, weerstand biedende.
5ons torts en wapens: onze toorts en pijlen; schimpt: de spot drijft.
6af: van.
7-8toogh aen: trok aan.
12't luchtigh padt: zijn weg door de lucht.
14toomt: bedwingt.
17streeck: vloog omlaag.
19perck: terrein.
20Uit zijne gissing: buiten zijn berekening.
21op zijn werck: aan zijn arbeid.
22rustigh: krachtig.
23toeley: het er op toelegde.
25klonck: wierp; scheer: schaar (van haar naaigerei).
27zorghelijck geweer: een angstwekkend wapen.
28verdooft: versuft.
29stijf: stevig, met forse zwaai.
31kruist: waarschijnlik is hier bedoeld: het kruisen bij het kweken van planten; te fel: zeer bedrijvig.
34-35Al zou Cupido de hel te hulp genomen hebben, (het had niet gebaat).
36viel te licht: schoot te kort.
37sufte: draalde. De vierde was de enige zoon, Jacob Jacobsz. Hinlopen (1644-1705), zie Elias.
42vogeltas: de tas voor het gedode gevogelte.
45bekent: meegedeeld.
47Niet hechten kan: geen vat kan krijgen.
48bezigh: steeds bezigheid zoekende.
terug  begin  verder