terug  begin  verder

De Tooneelbroeders van den Aertshertoge Leopoldus Aen Magistraet en Wethouders van Amsterdam;
Toenze met hunne tegenwoordigheit het tooneel vereerden.aant.aant.*

 
Hebt lof, o eedle Aemstelheeren,
 
Die onze bede niet ontzeit,2
 
En met uw tegenwoordigheit
 
Hier quaemt het treurtooneel vereeren.
5
  Dus is ons speelrol afgerolt5
[p. 291]
 
In 't licht der Denemercksche kroonen.6
 
Dus moghten wy de kunst vertoonen
 
Den Keizerlycken Leopold,8
 
En Holstein, Hollants bontgenooten,
10
  Beminners van den hoogen schoen,10
 
Die geest en wetenschappen voên
 
In hoven, en op trotse sloten.
 
Nu bloeit Athene in Amsterdam;
 
Dewyl het milt met zyne gunsten
15
Het hooft der zeevaert kranst met kunsten15
 
En loof, dat van Parnassus quam.
 
Zoo moet het nieuwe raethuis ryzen,17
 
Het Oost en Westen eeuwen langk
 
Vergulden uwe beurs en banck.19
20
Zoo moeten wy uw heuscheit pryzen.
 
Grootachtbre Vaders, dat uw heil
 
Zich wyder streck' dan eenigh zeil.22

*Van 1653. - Volgens de tekst in Hollantsche Parnas, blz. 360.
Opschrift: Aartshertog Leopold Willem van Oostenrijk (1614-1662), broeder van Keizer Leopold I (zie deel 8, blz. 641), was 1648-1656 landvoogd van de Zuidelike Nederlanden. Hij woonde te Brussel en begunstigde de schoone kunsten. In 1648 of in de eerste helft van 1649 had hij in zijn dienst een troep Hollandse komedianten onder leiding van Jan Baptista van Fornenburgh (geb. 1624), dezelfde die in Vondel's Gebroeders de rol van Joab vervulde, zie deel 3, blz. 300. Van Brussel trok deze troep naar Sleeswijk-Holstein, waar de ‘Brusselse komedianten van den Aartshertog van Oostenrijk’, zoals zij zich nu noemden, o.a. speelden op de bruiloft van Sophie van Sleeswijk-Holstein, die 16 Sept. 1649 met Johan van Anhalt-Zerbst huwde. In 1653 traden zij weer in Amsterdam op. Zie Herbert Junkers, Niederlaendische Schauspieler und Niederlaendisches Schauspiel im 17. und 18. Jahrhundert in Deutschland, Haag 1936, blz. 70-73.
2ontzeit: weigert.
5ons speelrol afgerolt: onze toneelvertoning gegeven.
6Uit dit vers blijkt dat de troep ook in Denemarken had gespeeld; totnogtoe was geen optreden van Nederlandse spelers aldaar bekend vóór 1666, zie Worp, Drama en Tooneel, Gron. 1904, I 46.
8Den keizerlycken Leopold: de aartshertog als zoon van keizer Ferdinand III.
10den hoogen schoen: de kothurn, als symbool van het treurspel, waarbij de acteurs in Griekenland op toneellaarzen speelden.
15Het hooft der zeevaert: de stad Amsterdam.
17Het stadhuis was nog niet voltooid; moet: moge.
19Vergulden: verrijken.
22Zich wyder streck': een verdere vlucht moge nemen.
terug  begin  verder