terug  begin  verder

Grafdicht van den heiligen Vader, Bruin van Keulen,aant.*

Stichter van de Karthuizers Orden.

 
Dees zerck bedeckt den helt, die, als een fackel, lichte,
 
En d'eerste in wildernis des Heilants schaepskoy stichte;2
 
Zyn naem was Bruin, een zoon van Keulen, aen den Ryn.
 
De lust tot aendacht dreef hem voort naer een woestyn,4
5
Tot in Kalabrie. Hy leerde Christus wetten.5
 
Zyn lippen rustten noit Godts waerheit te trompetten,6
 
Zoo luide dat zyn faem door al de weerelt klonck.
 
Genade, en geen verdienste, in 's mans gestrengheit blonck.8
 
De zeste in Wynmaent zagh hoe ziel en lichaem scheide.9
10
Het lichaem rust in 't graf, de ziel in Godts geleide.10
*Van of vóór 1660. - Volgens de tekst in Hollantsche Parnas, blz. 515.
De H. Bruno van Keulen werd ± 1040 te Keulen uit een adellik geslacht geboren, studeerde in de theologie en werd kanunnik. Sinds 1086 leefde hij met zes gezellen in hutten in de woeste bergkloof Chartreuse bij Grenoble, en stichtte daar de Kartuizer orde.
2des Heilants schaepskoy: zijn klooster.
4aendacht: vrome overpeinzingen.
5Tot in Kalabrie: in 1094 bouwde hij een nieuw Kartuizerklooster bij Della Torre in Kalabrië.
6te trompetten: luide te verkondigen.
8Zijn strenge onthouding liet hij niet gelden als persoonlike verdienste, maar als een genadegave Gods.
9Hij stierf 6 Oktober 1101.
10in Godts geleide: onder Gods hoede.
terug  begin  verder