terug  begin  verder
[p. 296]

Opvaert van Mejoffer Margarite van Vlooswyck.aant.*

 
De tiende zanggodin,1
 
Uit eene roos geboren,
 
Volght negen englekoren,3
 
En vaert ten hemel in,
5
  Op eenen regenboogh,
 
Een schoone wolck van bloemen
 
En verwen, niet te noemen.7
 
De schoone vaert om hoogh,
 
Op galmen van haer keel
10
En harp, door een gemengelt.10
 
Ay zie: zy schynt verengelt,11
 
Ontkleet van 't sterflyck deel.12
 
Zy zweeft al hooger aen,
 
Om 't zaligh licht te groeten.
15
Een geest verroert geen voeten,
 
Maer dryft, gelyck de maen.
 
Margrite, rystge zoo,
 
Ontkleet van mededoogen,18
 
Uit 's minnaers schreiende oogen?
20
  De liefde scheit te noo.20
 
Och, troost den liefdeloozen.21
 
Bestroy hem met uw roozen.
 
 
 
J.v. Vondel.
*Van of vóór 1660. Volgens de tekst in Hollantsche Parnas, blz. 599.
Waarschijnlik slaat dit gedicht op een schilderij of tekening met een afbeelding van Margarite (geb. in 1647, zie blz. 244), die zingende en bloemen om zich heen strooiende omhoog zweeft. Vgl. het overeenkomende gedicht van Jan Vos: Margaretha van Vlooswijck, in een Krans met bloemen geschilderd (Alle de Gedichten, Amsterdam 1662, blz. 177).
1De tiende zanggodin: de tiende Muze.
3negen englekoren: aangevoerd door de negen Muzen.
7verwen: kleuren; niet te noemen: onnoemelik veel.
10gemengelt: gemengd, samenklinkend.
11verengelt: tot een engel geworden.
12Ontkleet: ontdaan.
18Ontkleet van: zonder.
20te: zeer.
21den liefdeloozen: de van liefde (van zijn liefste) beroofde.
terug  begin  verder