auteur: Joost van den Vondel
editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius
bron:
J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Negende deel 1660-1663. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1936
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads

|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | |
Adonias of Rampzalige Kroonzuchtaant.
VAN 1661. - AFGEDRUKT NAAR DE TEKST VAN DE eerste uitgave (t'Amsterdam, Voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam. M.DC.LXI). Het titelblad is op de volgende bladzij typografisch nagevolgd, Unger Bibliographie, nr. 638.
| |
| | | |
J. V. Vondels Adonias
of Rampzalige Kroonzucht.
Treurspel.
t'AMSTERDAM,
Voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, M. DC. LXI.

| | | |
| |
Den weledelen heere Jacob de Graeff, Jongkheere van Zuidpolsbroeck.*
1 Hier wort het heiligh treurtooneel weder opgeschoven, daer Davids1 2 zoon, Salomon, die gezegende vredevorst, en dat heerlijck voorbeelt2 3 van den toekomenden Messias in zijne heerlijckheit, ter vierschaere3 4 gaet, in zijn eerste recht, het gestrenge halsgerecht over zijnen ouder4 5 broeder Adonias, die, onder schijn van d'overschoone Abizag, zijn 6 vaders ongerepte weduwe, met 's konings believen te trouwen, niet6 7 zonder heimelijck verstant van aertspriester Abjathar, en veltheere7 8 Joab, ten tweeden maele naer de kroon van Juda staet. Hier draven,8 9 onder zoo veele barningen van verscheide hartstoghten, de twee hooft-9 10 cieraeden van een volkomen treurspel, Herkennis en Staetveranderin-10-11 11 ge, op het hooghste: want de beooghde bruiloft verandert in een bloet- 12 bancket, de bruiloftszael in een schavot, en de bruitsledekant in een12 13 graf des rampzaligen bruidegoms, en het erfkroongeschil valt tus-1313-14 14 schen bloet en bloet. Men vint'er die hier een schalck oogh op hou- 15 den, gedenckende aen deze lang geslete spreuck:15
Indien men voor geen rechtbreuck schroom,
In andre zaecken hou u vroom:
20 Eveneens gelijck of Salomons oordeel onrechtvaerdigh waer, aen-20 21 gezien het tegens de natuurwet, en het recht der volcken street, waer 22 by de jongste billijck den outsten broeder, [en byzonder onder de 23 Hebreen, daer d'eerstgeboren eens zoo diep in de erfenisse taste,]23 24 behoorde te wijcken: maer zy letten niet van hoe groot eenen na-24-25 25 druck dit zy, het onfaelbaere bladt, daer het zoo klaer spreeckt, met
| | | |
26 achterdocht van valscheit te bevlecken, en anders dan waerheit, wijt26-28 27 afgescheiden van logentael en onrechtvaerdigheit, te leeren spreec- 28 ken. Een omzichtige wacht zich wel den Heiligen Geest te weder-28 29 streven, die uit den mont van koning David, eenen man naer Godts 30 hart, aldus spreeckt: Onder de zoonen, my van den Heere [want hy gaf30 31 my veele zoonen,] gegeven, verkoos hy Salomon, mijnen zoon, om op den 32 troon van het rijck des Heeren te zitten over Israël, en sprack tegens my: 33 Salomon, uw zoon, zal my een huis, en mijne kerckpoortaelen bouwen: 34 want ick verkoos hem my ten zoone, en wil zijn vader zijn, en zijn rijck 35 eeuwigh bevestigen, indien hy volhardt mijne geboden en rechten, gelijck 36 heden, t'onderhouden. Deze eenige getuigenis, uit meer anderen geko- 37 zen, is alleen genoegh om in het broederlijck halsrecht Salomon te37 38 verdaedigen, eenen koning tot zoo groot eene majesteit en wijsheit ge-38-39 39 schickt, dat hy niet alleen de wijste boven alle menschen genoemt 40 wert, maer oock in gelijckenisse komt by het hemelsche orakel der 41 wijsheit, daer het zeght: ziet hier is meer dan Salomon. Wie zou dan41 42 dorven ontkennen dat de natuurwet en het recht der volcken wijcken42 43 moet, daer Godt zelf spreeckt, en de wet stelt? Ick nam de vrymoedig- 44 heit my zelven d'eer te geven dit treurspel uwe weledele jeught op te44 45 draegen, die, ter burgerlijcke regeeringe geboren, de burgerye hoop45 46 geeft u eens te zien bekleeden den stoel en de staetampten, ten beste 47 van zijne stadt en vaderlant, zoo veele jaeren loflijck, bekleet by wij- 48 len uwen grootdaedigen heer grootvader, wiens naem gy niet on-48 49 waerdigh draeght, en noch waerdiger zult draegen, als zijne dapper- 50 heit en grootdaedigheit eens in u, zijn levendigh afzetsel, op het raet-50 51 huis, herleven zullen. Uwe edelmoedigheit blijckt alreede, gelijck in 52 een voorspel, in het ridderlijck oefenen van brave paerden, om onder52 53 onze jonge ridderschap de kornet te voeren, en princen en princessen53 54 t'onthaelen. In het bespiegelen van die blijde inkomsten u ziende, vie-54 55 len mijne gedachten op den kleenen Priaem, die onder de Trojaen- 56 sche kornet, van edelmoedige jongelingen gevolght wert, en van 57 wien de Poeet zeght
| | | |
59 en ick zette dit vaers op uwen rustigen draf:59
60
Hoe levend ziet die brave spruit
Zijn grootvaêrs aert ten oogen uit. 61
62 Indien het u gelieve dit treurspel, voorgevallen met den intrede 63 van Salomons rijck, gunstigh t'ontfangen; ick zal het my tot eene on-63 64 verdiende eere rekenen, gelijck toen wijlen uw heer grootvader mijn 65 treurspel van Gijsbreght van Aemstel met zijne tegenwoordigheit 66 verheerlijckte. Ondertusschen wensche ick altijt te blijven weledele66 67 heer,
Vwe weledele ootmoedige dienaer
J.v. VONDEL.
| | | | | | | |
Inhout.
1 Prins Adonias, koningk Davids outste zoon, kroonzuchtigh in den1 2 aert, en gesteven door inbeeldinge van zijn voorrecht, stont, met heime-2 3 lijck verstant van aertspriester Abjathar, en veltheere Ioab, vergeefs3 4 naer het rijck, dat hem misluckte: want de vader liet, uit kracht van 5 Godts bevel, Salomon koningk zalven, en ten troon voeren. Kort na Da- 6 vids overlijden hervatte Adonias [met kennisse der gemelde wederspan-6 7 nigen, uit kracht van Davids uitersten wille, ten hove met de neck aen- 8 gezien,] dien aenslagh, doch onder schijn van door voorbede der koningin- 9 ne Bersaba schoone Abizag, Davids ongerepte weduwe, by Salomon ten 10 huwelijck te laeten aenzoecken: maer de jongste broeder roock de schalck-10 11 heit van den outsten, belaste, na rijp beraet, Banajas, overste der hof- 12 benden, Adonias en Ioab met der doot te straffen, en bande Abjathar 13 buiten, en Semei binnen Ierusalem.
14 Het tooneel is op den bergh Sion, in Davids stadt.
15 Hofjoffers bekleeden den rey.15
| |
Treurspeelers.
ADONIAS, Davids outste zoon.
ABIZAG, Davids weduwe.
BERSABA, Salomons moeder.
REY VAN HOFJOFFEREN.
ABJATHAR, Aertspriester.
JOAB out veltheer.
SALOMON, koning over Israël.
BANAJAS, Overste der Hofbenden.
SADOCK, Aertspriester.
NATAN, de profeet.
CHUSAI, hofraet.
ACHIMAAS, Sadocks zoon.
SEMEI, de koningslasteraer.
|
*Bij het Opschrift: Jacob de Graeff: zie dl. 8, blz. 978 en dit deel, blz. 287.
1opgeschoven: opengeschoven (nl. het gordijn).
2voorbeelt: zie het slotvers van het drama.
3toekomenden: toekomstige; ter vierschaere gaet: gaat rechtspreken.
4recht: rechtspraak; halsgerecht: doodvonnis.
6ongerepte: maagdelike (oorspr. niet aangeraakte); believen: toestemming.
7verstant van: verstandhouding met Abjathar en Joab, zie 1 Kon. 1, 7.
8ten tweeden maele: zie voor de eerste maal: 1 Kon. 1, 18 vlg.; draven ... op het hooghste: bereiken het toppunt.
9barningen: branding, woeling.
10-11Herkennis: vertaling van agnitio; Staetveranderinge: vertaling van peripetia. Zie voor beide termen het Berecht bij de Jeptha, in deel 8, blz. 775.
12de bruitsledekant (bij Vondel vr.): het bruidsbed.
13erfkroongeschil: strijd om de troonsopvolging.
13-14valt tusschen bloet en bloet: heeft plaats tussen de naaste verwanten; hier een schalck oog op houden: tegenover deze handelwijze (van Salomon) argwanend staan (het Ned. Wdb. XIV, 231 vermeldt alleen bij Hooft: schalk oog geven: argwaan koesteren).
15gedenckende enz.: Versta: zij halen daarbij de overoude schampere wijsheid op: ‘Gaat 't om een kroon, dan mag men onrecht en geweld te baat nemen, als men voor de rest maar braaf is.’
23eens zoo diep in de erfenisse taste: een dubbel aandeel van de erfenis kreeg.
24-25nadruck: gewicht; het onfaelbaere bladt: de onfeilbare Schrift; daer: waar.
26-28anders dan waerheit te leeren spreecken: de mening te verkondigen dat de bijbel iets anders dan waarheid zou bevatten; wijt afgescheiden van: hoog staand boven.
28omzichtige: voorzichtige.
30aldus spreeckt: zie 1 Kron. 28, 5-7.
37broederlijck halsrecht: doodvonnis over zijn broeder.
38-39geschickt tot: bestemd voor.
41hier is meer dan Salomon: zie Matth. 12, 42.
44uwe weledele jeught: aan u, edele jongeling.
45geboren ter: door uw geboorte bestemd voor.
48grootdaedigen: door zijn daden beroemde; grootvader: nl. Jacob de Graeff (1571-1638), zie dl. 3, blz. 613, en deel 8, blz. 679 en 978.
50levendigh afzetsel: levend evenbeeld.
52brave: dappere. Zie de afbeelding van Jacob de Graef te paard op de titelprent van Dl. VII.
53de kornet te voeren: een afdeling ruiters aan te voeren.
54onthaelen: ontvangen, als erewacht. Dit slaat op de ontvangst van Willem III te Amsterdam; bespiegelen: aanschouwen; van: door.
58Nomen avi referens: de naam van zijn grootvader dragend (Vergilius' Aeneïs V, 564, ook als motto op Jacob de Graeff toegepast, zie dit deel, blz. 287).
59rustigen: krachtige, flinke.
61aert: karakter, zie dit dichtje in deel 5, blz. 372.
66verheerlijckte: vereerde, vgl. deel 3, blz. 613.
TEKSTKRITIEK: In de eerste uitgave is Banajas in de lijst der ‘Treurspeelers’ vergeten. Vondel schrijft ook Abisag en Berseba.
1kroonzuchtigh in den aert: heerszuchtig van karakter.
2gesteven door inbeeldinge van zijn voorrecht: versterkt door de gedachte dat hij het meeste recht op de troon had; met heimelijck verstant van: in geheime verstandhouding met.
6met kennisse: met voorkennis van.
10roock de schalckheit: vermoedde de boze bedoeling.
15bekleeden: vervullen de taak van.
|
|