14zette u haest te prijck: moge u weldra als bruid tooien. Vondel denkt hier aan de zeventiende-eeuwse gewoonte, dat de bruid in het versierde bruidsvertrek ‘te pronk’ zat.
15trouwe uw rechte hant aen mijne: schenke uw rechterhand, als pand van trouw, aan de mijne (trouwen: door een trouwbelofte verbinden; Mnl. Wdb. VIII, 743).
243-47Als hij in zijn kunst het hoogtepunt bereikt. Vondel doelt hier op een geestelik minnelied als de 44ste Harpzang (dl. 8, blz. 333). Het loof en bloemwerck is de dichterlike inkleding van de overbloemde, d.i. met bloemen overdekte, wijsheid. De zin is de eigenlike allegoriese bedoeling van het minnelied.
248liefde en min: in de zeventiende eeuw, op het spoor van Coornhert en Hooft, onderscheiden als geestelike en zinnelike liefde.
249-50En wat Abizag jegens mij te kort mocht komen aan verliefdheid, kan zij me vergoeden met haar van David zelf geleerde wijsheid.
260-61Den recht gewettighden: de wettige troonopvolger; reuckloos naer de kroon gesteecken (gestoken): roekeloos naar de kroon gestaan; zie over deze foutieve beeldspraak Ned. Wdb. VIII, 348; dat: wat.
262-65houde te leene: heb ontvangen; te leven: te beleven; wit: doel; beschieten: bereiken.