[p. 338]
Het derde bedryf.
ABIZAG. BERSABA
.
Abizag
:
770
'K heb 's konings oogen, tot mijn droefheit, eerst geloken,
770
En wort ten hove alree gelastert en besproken,
771
Als of ick weifelde, en, lichtvaerdigh in mijn trou,
Den prins Adonias ten troone opvoeren wou,
Waeruit hy onlangs van de trappen neêr quam storten.
775
Zoo durf men reuckeloos mijn' naem en faem verkorten,
775
En stooren 't nieuwe rijck des zoons op 's vaders graf:
776
Maer al deze opspraeck zal verdwijnen, als het kaf
777
Voor 't stuiven van den wint, koom ick gehoor te krijgen.
Men kan met glimpen eene onnoosle maeght betijgen,
779
780
Niet overtuigen: doch eer 't lasteren geloof
780
Ten hove wint, en groeit, wort my geraên ten hoof
Te klaegen, en in 't licht dit ongelijck te toonen.
782
Ten minste magh mijn klaghte Adonias verschoonen,
783
En vryen voor gevaer, uit zulck een lasterstuck
785
Te schroomen: want hy, droef van 't koningklijck geluck
Misdeelt, en niet gekent voor 's vaders eerstgeboren,
784-86
Behoorde, zonder schult, in zijn heer broeders toren,
Hem al te maghtigh, niet te sneuvelen, gelijck
788
Een die zich met verraet indringen wil in 't rijck.
790
Daer komt de koningin. het voeghtme haer t'ontmoeten,
790
En drywerf uit ontzagh eerbiedighlijck te groeten.
De hemel zegene de groote koningin.
De godtheit zegene van 's hemels hooge tin
Des konings moeder. dat zy lang geluckigh leve,
795
En niemant ongestraft haer' opgangk tegenstreve.
795
Bersaba
:
Abizag, spruit uw wensch uit een oprecht gemoedt,
796
En stemt die met uw hart, verwacht van ons al 't goet,
Dat 's konings kroon vermagh: maer spruitze uit een geweten,
[p. 339]
Van wederspannigheit en schalck bedrogh bezeten,
799
800
Zoo treffe een vloeck uw hooft, en drijve u uit het hof.
Abizag
:
Genade, ô koningin, wanneer gaf ick u stof
Tot onbenoegen? wat verleider zaeit mistrouwen
802
En onmin tusschen ons? kon oit de zon aenschouwen
Twee eveneensgezinde als wy, die in den arm
805
Van eenen koning korts noch lagen zacht en warm,
805
Hem hielden lijf en ziel aen een door minzaem paeren,
806
En schutten wat zijn hart kon quetsen en bezwaeren,
807
En onderdrucken in dien zwacken ouderdom.
Wy stutten elck hem, als een vierige kolom,
810
En vingen, toen hy storf den adem met de tippen
810
Van onzen rooden mont en liefelijcke lippen.
'K heb hem ten uitersten onscheibaer bygestaen:
812
En komt dus plotsling uw betrouwen om te slaen?
Gy moght uw hart alleen Abizag toebetrouwen.
814
815
Geen koninginnen, geen van al des konings vrouwen
Verdienden dees gena ten hove: en zoudtge nu
Haer aenzien met den neck, afkeerigh stuur en schuw?
817
Dat hoede Godt. dat durf, dat wil ick nimmer hoopen.
Mijn hart, dit zuiver hart (Godt weet het) staet noch open
820
Alleen voor Berseba: gunt gy een' ander 't oor,
Zoo gun genadigh uwe Abizag, oock gehoor,
Eer gy haer ongehoort, en tegens recht en reden
Betight. dat voeght het hof, en hoffelijcke zeden.
Bersaba
:
Geveinsde, waentge dus uw schande t'overkleên?
824
825
Hoe schoon gy 't quaet vermomt, men ziet door 't mommen heen.
825
Woudt gy met 's konings zoon op dit beding verzaemen?
826
En most men heden my voor mijnen zoon beschaemen
Door d'eerste voorbede en dit huwelijxverzoeck?
Gy waert my, simple duif, in 't veinzen veel te kloeck:
829
830
Maer veins uit al uw maght, en vlam op dertigh rijcken;
830
Gy zult, als konings bruit, met geene rijxkroon prijcken.
Den prins Adonias zal 't eeuwigh rouwen, om
[p. 340]
Dat hy ter sluick dien wegh naer Davids troon opklom.
De boosheit wort een poos bedeckt met schoone glimpen,
834
835
Maer melt den meester haest. men magh geen tweewerf schimpen
835
Met majesteiten. neen, hy worstelt tegens Godt,
Wie tegens 's hemels wil en uitgedruckt verbodt
837
't Gezalfde en wettigh hooft naer zijne kroon durf steecken.
Abizag
:
Genadighste, gedoogh dat wy een luttel spreecken
840
Voor onze onnozelheit, en neem zoo lang gedult.
840
Bersaba
:
Onnozel zijtge niet.
Abizag
:
gy zult de minste schult
By ons niet vinden, schoon hier schult in wort gevonden.
842
Bersaba
:
Ick weet Adonias heeft zich niet onderwonden
843
U aen te zoecken, of gy droeght 'er kennis af.
844
Abizag
:
845
Dat 's waer, hy melde 't my in 't heenegaen. ick gaf
Mijn oordeel op dien eisch, en riedt den helt getrouwelijck,
Zoo kort na vaders doot, ontijdigh van geen houwelijck
Te reppen; een verzoeck, dat langsaem zou beslaen.
848
Maer lichter kan men minne een' jongelingk ontraên,
850
Dan minnaers, heet van gloet, intoomen en regeeren,
De liefde wil te noo 't geliefde pant ontbeeren.
Bersaba
:
Dat gy met schijn van ernst hem 't huwelijck ontriet,
Stack 't vier in 's minnaers hart. 'k geloof u verder niet,
853
Zagh door de trali, toen gy gingt naer Arons kooren,
855
Wat hy u heimelijck toeluisterde in uwe ooren.
855
Abizag
:
Mevrou, verschoonme toch, met een den jongelingk.
Hy luisterde ons in 't oor hoe hy te raede gingk
In dit gewightigh stuck met geene onwijze heeren.
858
Bersaba
:
Dat zijn de valcken die dus schalck te zamen zweeren,
860
Om prins Adonias te helpen aen het rijck.
[p. 341]
Abizag
:
Aen rijck noch kroon: maer aen een eerlijck huwelijck,
861
Gelijck een' prins betaemt, door voorbê van de moeder,
En loutere gena des konings, zijn' heer broeder.
Bersaba
:
Tot noch toe worden my de raetsliên niet gemelt.
Abizag
:
865
Aertspriester Abjathar, en Joab, Davids helt,
En outste veltheer, bey beproefden, en getrouwen.
Bersaba
:
Twee vogels, afgerecht om dit verraet te brouwen,
867
Naerdienze met den neck beide aengezien ten hoof,
De klaeuwen willen slaen in zulck een' scepterroof.
Abizag
:
870
De hemel strafme, viel dit oit in mijn gedachten.
Bersaba
:
De straf is voor de hant.
871
Abizag
:
mevrou kan dit verzachten,
Ten beste schicken by den koning, haeren zoon.
Bersaba
:
Zoo holp ick hem en my om leven staet en kroon.
873
'K verzocht het huwelijck uit alle mijn vermogen,
875
En vindme in dit verzoeck te schandelijck bedrogen.
875
Een prins, wien 't huwen luste ontbrack noit rijcke stof.
Men vintze in 't gansche rijck. hy hoeft geen schoone in 't hof
Te zoecken, om verraet te stichten, koninginnen
Te trouwen, en door haer het hart des volx te winnen.
880
De hartquetzuur des staets, noch nauwelijx geheelt,
880
Wort weder opgekrabt. hy rekent zich misdeelt
881
In 't erfrecht van de kroon. dit kan hy niet verduwen.
De koning vont den draet: nu zal het gansche kluwen
883
Haest volgen. dit verraet, in 't heimelijck gesticht,
884
885
Wort nagespoort. het wil, zoo helder als het licht,
885
Opdaegen. Salomon, in zijn beleit zoo prijsbaer,
886
Kon zijn gequetste kroon genezen heel bewijsbaer,
887
[p. 342]
En heelen, zonder 't recht te schorten: maer hy gaet
Omzichtigh, en gebruickt gewight, en toets, en maet.
890
Zoo vint geen lastervlack op zijne kroon te vatten.
890
Abizag
:
Ick wenschte Adonias met al mijn bloet en schatten
Te redden uit dien noot. mevrou, verschoon den helt,
Den zoon van David toch.
Bersaba
:
indien verschoonen gelt,
Betrou de broeder zal den broeder eerst verschoonen:
894
895
Maer Godt die Salomon verhief op Davids troonen,
Eischt dat hy 't kroonrecht streng hanthave in zijne kracht.
Dit voeght den koningen van Abrahams geslacht,
Die, als het Godt behaeght, hunne eige vrucht niet spaeren.
Abizag
:
Hou aen om uitstel, of de koning moght bedaeren
899
900
In zijn verbolgenheit.
Bersaba
:
wanneer een koning 't recht
En ongelijck in zijn verbolgenheit beslecht,
901
Dan gaet de gramschap blint ter vierschaer voor de reden.
902
De koning Salomon stapt met gewisse schreden
Zachtzinnigh naer den troon, voor 't storten van dit bloet.
904
Abizag
:
905
Helaes, mijn bloet wort koudt van angst en schrick, mijn moedt
Loopt over. kan men nu geen hoop noch troost verwerven,
905-906
En moet Adonias den doot zoo bitter sterven,
In 't bloeienst van zijn jeught? hoe boet men deze scha?
908
Bersaba
:
Zoo 't u geraden dunckt, beproef of gy gena
910
Ten hove voor den troon van Salomon kunt winnen.
Daer komt de koning uit zijn kabinet van binnen,
Zwaermoedigh, hangends hoofts, en met dit recht belast.
912
Vermurwtge 's konings hart: ick stel my zelve vast,
913
En wil beloven 't zal aen Berseba niet hangen
914
915
Hem weder in gena, gelijck voorheen, t'ontfangen.
[p. 343]
Mijn zoon heeft reede uw komst vernomen. hy ziet uit.
Verbidtge Adonias, en wort het recht gestuit
917
Door uw bemiddeling: de prins, noch onverwezen,
918
Verrijzende, achte zich dan anderwerf verrezen.
919
SALOMON. ABIZAG
.
Salomon
:
920
Hoe krachtigh is de liefde in 't nijpen van den noodt.
Een weerelooze maeght ziet leven aen noch doot.
921
Abizag komt bedruckt ten hove om troost, en midden
Door al de lijfwacht heene Adonias verbidden.
923
Zy knielt. gy komt te spa, hier gelt geen nabeklagh.
925
Indien voorbidden den betighten helpen magh,
Bidt voor u zelve, die den prins holpt harrenassen,
926
En onder bruiloftsschijn den koning woudt verrassen.
927
Hadt mijn heer vader u dees schalckheit toebetrout?
928
Gy blonckt aen zijne kroon, gelijck gesteente in gout,
930
En diende hem getrou voor andre bedtverwanten.
930
Maer hy beschonck u milt met perlen en karkanten,
931
En goot in uwen schoot een zee van schatten uit.
Uw gunst en schoonheit streeck dien koninglijcken buit.
933
Doch geen miltdaedigheên een wufte vrou verbinden,
934
935
Die wispeltuurigh zich van allerhande winden
Beweegen laet, en, van staetzuchtigheit vervoert,
936
Jerusalem en 't hof in brant zet, en beroert.
937
Uw schoonheit en gezagh en rijckdom, zoo veel gaven
Den jongling prickelden om hooger aen te draven,
939
940
En zorgelijck en steil te grijpen naer den staf,
940
Dien vader my door Godts gena rechtvaerdigh gaf.
Indien u 't huwen luste, en liepen uwe zinnen
Op eene wederga: wy, die uw heil beminnen,
942-43
Niet min dan vader in zijn leven, hadden u
945
De keur uit al het hof van zelf geschoncken: nu
945
[p. 344]
Misbruicktge uw' zegen, en, dat nimmer wort geleden,
946
Wilt op ons staetgevaer u listigh uitbesteden
947
Aen broeder, dien gy jaeght in een gewisse doot.
Hoe onlangs is 't geleên dat hy ten outer vloot,
949
950
Verbaest een' vryburgh zocht om 't lijf in noot te bergen?
950
En durf men mijn genade en goetheit weder tergen?
951
Een die gewijt wert om Godts stammen te gebien,
Kan dees goeds moedts en koel dien lozen handel zien?
953
Abizag, kon men u dees boosheit toebetrouwen?
954
955
Hoe wort die schoone prins misleit door list van vrouwen!
Abizag
:
Genade, ô Salomon. geloof geen los gerucht.
Salomon
:
Geen los noch loos gerucht. wat durf de scepterzucht
957
Niet aengaen! meentge uw schult te decken met ontveinzen?
958
Abizag
:
De hartekenner kent de harten en gepeinzen,
960
En weet dat geen verraet my in de zinnen schoot.
Hoe zoude ick eerloos, korts uw vaders bedtgenoot,
961
En trouwe nootvriendin, my laeten blint bekooren,
962
Om, tegens zijnen zin en wet, Godts uitverkoren
Te stooten uit dien troon, van Gode u toegeleght,
964
965
By Davids jongsten wil? dat waer het heiligh recht
965
Ontheiligen. ick heb my voor mevrou, uw moeder,
Ontschuldight. wort'er schult gevonden by uw' broeder,
966-67
En is de prins misleit, en jammerlijck vervloeckt;
968
Ick kenme vry van schult. indien men 't onderzoeckt
970
En naerspoort, geene smet zal in Abizag blijcken.
970
Het stont met uw verlof hem vrij op huwelijcken
Te dencken: 't afslaen stont aen uwe majesteit.
972
Salomon
:
Sta op, kent gy u vry. 't is dan het loos beleit
973
Van trouweloozen, die ter offermaeltijt liepen,
974
[p. 345]
975
En, op bazuingeschal, geluck heer koning riepen,
Van alle stammen met triomfe toegestaen.
976
Nu durf men weder stout dien onwegh inneslaen.
977
Abizag
:
Die misdaet wert gezoent, by uw heer vaders leven.
Salomon
:
Het bleef gezoent, waer hy niet wederom gesteven.
979
Abizag
:
980
Hy ziet niet verder dan door d'oude koningin
980
Abizag t'eischen tot een bruit en gemaelin.
981
Dit huwlijck stelde hy aen zijn heer broeders zeggen:
982
En toen hy heden my het huwen voor quam leggen,
Ontriet ick hem met ernst ten hoof naer my te staen,
984
985
Doch stelde my den wil des konings onderdaen.
985
Hoe geeft mijn simpel hart dan stof tot achterdencken?
986
Salomon
:
Men zocht door deze trou de majesteit te krencken,
987
En op uw bruiloft my te dingen naer den hals,
988
Met eenen naer dees kroon.
Abizag
:
Abizag was noit valsch:
990
Hoe zouze op koningsmoort toeleggen ongenadigh?
Salomon
:
Neef Joab in den aert is bitter en moordaedigh.
991
Dat bleeck aen Abner en aen Amaza weleer,
992
Twee helden in het spits van zijn vermomt geweer
993
Gesneuvelt, daer hem 't recht noch reên van staet te geven.
994
995
Hy wert met Abjathar van eenen geest gedreven
995
Adonias, van zelf kroonzuchtigh, eenen smaeck
Te geven van verraet, en broederlijcke wraeck,
996-97
En u van 't huwen met dien stouten prins. hier draeien
Dees voorbeên op. men zoeckt Abizag eerst te paeien
998-99
999
[p. 346]
1000
Met zulck een' bruidegom, de gading van haer jeught,
1000
En dan, in 't midden van de feest en bruiloftsvreught,
1001
Den jongsten broeder met zijn vaders zerck te decken.
1002
Abizag
:
Zou zich een broeders hant door broedermoort bevlecken?
Salomon
:
Dat is gebleken aen den schalcken Absolon,
1005
Die speelde 't Ammon by den wijn. staet Salomon
1004-5
Nu van Adonias een beter lot te hoopen?
Abizag
:
Om Thamars schennis heeft zich Absolon verloopen,
1007
Uit een geterghde wraeck: dat schelmstuck gaf hem stof.
1008
Salomon
:
En prins Adonias, onterft van vaders hof
1009
1010
En kroone, kan dien smaet verkroppen noch verduwen;
Dies ziet de wraecklust uit, om, onder schijn van huwen
1011
Aen schoone Abizag stil door Joab, schelmsch van aert,
1012
Zijn' broeder by den wijn te komen onder 't zwaert.
1013
Abizag
:
De koning wort bewaeckt met zijne leeusbanieren.
1014
1015
De koning zit bestuwt van hofwacht en staffieren.
1015
Salomon
:
Zoo dicht niet, of het gaept by wijlen voor of na.
1016
Men slaet gelegenheit, en plaets en tijden ga.
De zee, by 't schoonste weêr, leght stil en op haer luimen.
1018
Een storm steeckt schichtigh op: dan ziet men 't water schuimen,
1019
1020
En zich verheffen, dat het aen de starren plast.
1020
Zoo vindt de zeeman, die niet opwaeckt, zich verrast,
1021
En strijckt het zeil te spade, en kan het roer niet dringen.
1022
Een koning wapene zich veiligh voor bespringen.
Wy willen schrap staen, eer al 't stamhuis, bly van geest,
1025
En vrolijck by den wijn, op dat geveinsde feest,
[p. 347]
Eenstemmigh uitroepe, op geklanck van moortbazuinen:
1026
Lang leef de koning, en de koningin van Suinen.
1027
Wy willen tijdigh eerst de hant slaen aen dien rey.
1028
Abizag
:
Natuur, die my beschonckt met schoonheit, hoe beschrey
1030
Ick uw miltdaedigheit en schadelijcke gaven,
Die prins Adonias, den koningklijcken braven,
1031
Ten val gedijen! och, had koning David my
1032
Gelaeten buiten 't hof, zoo moght Abizag, vry
Van achterdencken, in het bloeienst van heur jaeren,
1034
1035
En buiten opspraeck, met een wedergade paeren.
1035
Nu is Abizag, flus noch 's konings bedtgenoot,
1036
Eene oirzaeck van des zoons al t'onverdiende doot.
Salomon
:
Abizag niet, maer door haer trou ten troon te stijgen,
1038
Dat's oirzaeck van zijn doot.
Abizag
:
'k zal dan van d'oirzaeck zwijgen.
1040
De stam van Jesse ontzey noit vyant zijn gena,
1040
En minst den eigen zoon, die, zonder wederga
In wederspannigheit, den vader dong naer 't leven.
1041-42
Salomon
:
Door vaders goetheit wert de boosheit meer gesteven
1043
Toen Absolon, gesterckt van aller stammen stem,
1044
1045
Hem sedert met gewelt dreef uit Jerusalem,
En in zijn ballingschap gewapent naer quam zetten.
1046
Abizag
:
Zoudt gy uw eerste recht met broederbloet besmetten?
1047
Salomon
:
Met geen onschuldigh, maer strafschuldigh broedersbloet:
Abizag
:
Het maeghschap grenst te na.
1049
[p. 348]
Salomon
:
wie naer de kroon steeckt moet
1050
Het boeten met den hals. de kroon lijdt geen verschooning.
1050
Dees misdaet quetst het hart des rijx, dat is de koning,
Het eigen beelt van Godt, op 't rijxaltaer gewijt.
Abizag
:
En Godt schelt daeghlijx zelf der boozen misdaet quijt.
1053
Zoo beelt de koning best de Godtheit uit naer 't leven.
1054
1055
De Godtheit treckt min lof uit straf dan uit vergeven.
1055
Salomon
:
De Godtheit in het recht ziet geen persoonen aen.
1056
Abizag
:
Gena kan eeuwigh, geen gestrengheit lang bestaen.
1057
Men geeft den koningen den titel van genadigh.
1058
De faem van goetheit, licht verzoenbaer, en weldaedigh,
1059
1060
Verleent meer luisters aen den opgangk van uw rijck.
1060
Salomon
:
Noit droegh een rijck gerust twee koningen gelijck,
1061
Gelijck de weerelt geen twee zonnen kan gedoogen.
Abizag
:
Een rijxzon Salomon verheught der stammen oogen:
1063
Hoe zouze Abizag dan bedroeven in den zoon
1064
1065
Van David, die u zette in 't gout van dezen troon?
Geen vleier van het hof misleide u met zijn treken.
1066
Salomon
:
Abizag rust. het recht wort met dit tegenspreecken
1067
Eer aengeterght, en min geleenight, en verzacht.
1068
Gy wort ten hove met dees voorspraeck meer verdacht.
Abizag
:
1070
Genadighste, gedoogh dat wy ons zelven quijten.
1070
Salomon
:
Zoo quijt u dan heel kort. dit jammeren, dit krijten,
[p. 349]
Dit kermen vordert niet. nu klaegh uw hart voort uit.
1072
Het recht gaet zijnen gangk. kort af uw klaghte, en sluit.
1073
Abizag
:
Genadighste, eene maeght is teder,
1075
En allerteêrst in dit geval,
Daer 't 's konings broeder gelden zal.
1076
Ick worpme aen uwe voeten neder,
1077
Als voor een' vryburgh in den noot.
1078
Gekerm noch traenen kunnen baeten.
1080
Vergeefme, ick moet mijn traenen laeten.
Verdiende Adonias de doot,
Zoo wijt het my. is dit te stuiten;
Gy kunt Abizag, waert veracht,
1083
By vaders vrouwen, dol verkracht
1085
Van Absolon, met muuren sluiten.
1084-85
Zoo kanze door dit huwelijck
Den jonglingk niet ten troone opvoeren,
Noch door haer staetzucht 't rijck beroeren.
1088
O Salomon, ô licht van 't rijck,
1090
Verdoof den glans der majesteiten
1090
Niet in uw' broeder met de kling:
Zoo moetge by nakomeling
1092
En nazaet voor uwe eer niet pleiten.
Gena, geen recht zy uw besluit.
1095
Kies van dees beide 't veilighste uit.
Salomon
:
Rijs op, Abizag. wy, gedient by 't meeste voordeel,
1096
Beloven u voor Godt door geen ontijdigh oordeel
Noch hem, noch 't heil des volx, noch onzen naem en eer
Te quetsen. neen gewis: betrou dat nimmermeer.
1099
1100
Wy willen 't heiligh recht om gunst noch afgunst buigen,
1100
Noch op een donkre blijck maer wettige getuigen
1101
Het vonnis vellen; 't zy men 't recht uitvoere, of zwicht'.
1102
Zoo schroomen wy geensins 's volx opspraeck, noch het licht.
[p. 350]
Dees zwaerigheit treft my, zijn' broeder, eerst in 't harte.
1104
1105
Rijs op Abizag. God verlichte u in dees smerte.
BANAJAS. SALOMON
.
Banajas
:
Genadighste, ick verwacht, tot 's konings dienst bereit,
In dezen stant den last van uwe majesteit.
1107
Salomon
:
Hoe gaet het, Banajas? wat mompelen de lieden?
Zal prins Adonias, of Salomon gebieden?
Banajas
:
1110
Elck heeft de bruiloft van Abizag in den mont.
1110
Salomon
:
Wat dunckt u van dees bruit, en zulck een trouverbont?
Banajas
:
Z'is teffens rijck, en schoon, en, boven haere dagen
1112
En kunne, alreede wijs. zou zy den zoon mishaegen,
Een maeght, die vader, zwack van ouderdom, beviel?
Salomon
:
1115
Zy kent geen wederga. de glanssen van haer ziel
En geest, die door de wolck van 't schoone lichaem straelen,
Verbeelden 't ooge, dat een engel neêr quam daelen
1117
In menschelijcken schijn, met sterflijckheit bekleet.
1118
Natuur heeft teffens al het eêlste aen haer besteet.
1120
Zoo 't eerstgeboorterecht niet street met vaders orden,
En Godt, die my verhief, wat konze minder worden
1120-21
Als koningin van 't rijck? want schoon het hof haar riep,
En zy, gelijck een roos, in vaders armen sliep,
Z'is noit van hem gerept, maer zuiver maeght gebleven:
1124
1125
En storf ick kinderloos, 'k wou haer aen broeder geven:
1125
Nu staet Adonias te vroegh op voor den tijt,
1126
En terght de wettigheit, ter heerschappy gewijt.
1127
Zoo vader David my dit voorrecht had geweigert;
Ick waer te vrede, en hy ten rijxtrappe opgesteigert
1129
1130
Met 's volx toejuichen: nu verbintme staet en plicht
[p. 351]
Te hindren dat my geen onterfde sta in 't licht.
1131
Heer vader spelde lang mijn' opgang door de galmen
Van hemelsch harpgezangk, en stroide olijf en palmen
Den vredevorst ter eere, en zette in 't lang en breê
1134
1135
Mijn grenzepaelen uit, van d'eene aen d'andre zee,
1135
Van Faroos Nijl tot aen d'Eufraet, en Nimrots stroomen:
En durf Adonias vermeten my 's rijxtoomen
1137
Ontrucken tegens Godts en vaders jongsten wil?
1138
Banajas
:
Indien men spreecken magh in broederlijck geschil,
1139
1140
Het voeght onwettigen voor wettigen te wijcken,
En Godts orakelen. men magh de dertigh rijcken
In een gesmolten niet verdeelen: dat staet vast.
Het is geen suffens tijt. 't gemor der burgren wast
1143
Alle oogenblicken aen. zoo veele aenhangelingen,
1144
1145
Die onlangs met gejuich ter offermaeltijt gingen,
Om prins Adonias te helpen op den stoel,
1146
Verwachten 't woort van hem: en wiltge stil en koel
Van ver dit aenzien: hy zal d'eerste rol herspelen.
1148
Het oproer kanckert in. men moet staetkanker heelen
1149
1150
Met vier en yzer, eer die inkruip' naer het hart.
1150
Salomon
:
Ick vindme van weêrzy benepen en benart.
1151
Hier staet mijn wettigh recht, daer d'opspraeck en de laster;
Hier 's huwlijx aenzoeck, daer 't gevolgh. wy dienden vaster
In 't vonnissen te gaen, om door geen los besluit
1153-54
1155
Te slibbren. bloetrecht eischt een klaer bewijs vooruit,
1155
Dat op getuigen rust van onbesproke koppen.
1156
Men hoeft veel stofs, om al wat gaept den mont te stoppen;
1157
Dies liet ick door de stadt naerspooren wat'er broeit,
1158
En wacht getuigen, hoe hier Joab onder roeit,
1159
1160
Met Abjathar. bezet terstont de poort en vesten
Van Davids stadt met wacht van alle vier gewesten.
[p. 352]
Gy hebt de Kreten en de Plethen in uw' eedt.
1162
Ga daetlijck heene, en hou u op mijn leus gereet.
1163
REY VAN HOFJOFFEREN
.
Zangk
:
Had Jesses jongste zoon niet verder
1165
Dan 's vaders stal gezien,
Genoeght te leven, als een herder,
1166
En kudden te gebiên;
Hoe vrolijck zouden zijne zoonen
Den haet en nijt ontgaen,
1170
En onbekoort naer koningskroonen
1170
Noch heerschappyen staen!
De kroonzucht, nu hun aengeboren
In 't vaderlijcke hof,
Komt reis op reis het hart bekooren,
1175
En geeft krackeelen stof.
1175
Hoewel de princen snel, als schimmen,
Verdwijnen uur op uur,
Noch zoeckenze al in top te klimmen,
Op 't wanckele avontuur.
1179
1180
Men vint geen rust in koningshoven.
Het hooge daelt: het laegh stijght boven.
Tegenzangk
:
De zoons belaegen eige vaders,
De broeder 's broeders staet.
Het hof krioelt van aertsverraders.
1185
Elck vlamt op eige baet.
1185
Men leght op rooven toe en moorden.
Geveinstheit, vol bedrogh,
Verlockt een duif met schoone woorden.
De koning staet, och och,
1190
Gereet alle oogenblick te glijden.
Biet Godt hem niet de hant,
Hy stort, ten schimp van die 't benijden.
1192
De rijcke tullebant
Geneest geen hooftpijn, purpre broozen
1194
[p. 353]
1195
Voetevel nochte smart.
1195
In doornen pluckt men geur van roozen.
1196
De mont is niet als 't hart.
1197
De goude kelck schenckt moortvenijnen.
De dingen zijn niet als zy schijnen.
Toezangk
:
1200
Godt zelf had Jesses zoon
Ter heerschappy gekoren,
En met den olihoren
1202
Door Samuël uit 's hemels troon
Gezalft by koning Sauls leven.
1205
Hy kreegh dan 't rijck, niet aengedreven
Van kroonzucht, maer door 't hoogh bevel
1206
Geopenbaert aen Samuël.
Zoo volghde Salomon die gangen;
1208
Dies zal hy 't rijck, van Gode ontfangen,
1210
Bezitten, rijck van majesteit,
In vrede en volle heerlijckheit.
Laet ons ter hutte Godt gaen smeecken.
1212
Godt kan der boozen aenslagh breecken.
770
eerst:
pas.
771
besproken:
in kwaad gerucht gebracht (
Ned. Wdb.
II, 2086).
775
durf men verkorten:
durft men te kort doen aan.
776
stooren:
verontrusten (
Mnl. Wdb.
VII, 2226).
777
opspraeck:
laster.
779
met glimpen:
met schijn van recht;
betijgen:
aanklagen.
780
overtuigen:
haar schuld aantonen (
Ned. Wdb.
XI, 2143).
782
ongelijck:
(het mij aangedane) onrecht;
in 't licht te toonen:
in het licht te stellen.
783
magh:
kan.
784-86
vryen:
vrijwaren;
uit zulck een lasterstuck te schroomen:
dat, gelijk te vrezen is, uit zulk een schandelike aantijging kan voortkomen;
misdeelt van:
geen deel hebbend aan;
gekent voor:
erkend als.
788
te sneuvelen:
ten val te komen.
790
t'ontmoeten:
tegemoet te gaan.
795
haer' opgangk tegenstreve:
haar macht, haar invloed vermindere.
796
oprecht:
rechtschapen.
799
bezeten van:
vervuld met;
schalck:
listig.
802
onbenoegen:
ongenoegen.
805
eenen:
een zelfde;
korts:
kort geleden.
806
hielden lijf en ziel aen een:
hem in het leven hielden;
minzaem:
liefdevol.
807
schutten:
afweerden.
810
storf:
stierf.
812
ten uitersten:
in zijn laatste ogenblikken;
onscheibaer:
onafscheidelik.
814
toebetrouwen:
toevertrouwen.
817
stuur:
stuurs, vertoornd;
schuw:
synon. van afkerig.
824
t'overkleên:
te bemantelen.
825
vermomt:
achter een masker verbergt (vgl.
mommen
).
826
beding:
afspraak;
verzaemen:
huwen.
829
kloeck:
listig.
830
vlam op:
verlang vurig naar.
834
glimpen:
schijn, voorwendsel.
835
melt:
verraadt;
haest:
weldra;
schimpen:
de spot drijven.
837
Wie:
die;
uitgedruckt:
uitdrukkelik.
840
onnozelheit:
onschuld.
842
schoon hier schult in wort gevonden:
al zou er van schuld sprake zijn.
843
zich onderwonden:
het aangedurfd.
844
aen te zoecken:
ten huwelik te vragen.
848
beslaen:
zijn beslag krijgen, ingewilligd worden (
Ned. Wdb.
II, 2027).
853
Stack 't vier:
ontstak het vuur.
855
toeluisterde:
toefluisterde (vgl. vs. 857).
858
geen onwijze:
zeer verstandige.
861
eerlijck:
eervol.
867
vogels:
vgl.
valcken
in vs. 859.
871
voor de hant:
nabij.
873
holp om:
beroofde van.
875
te:
zeer.
880
hartquetsuur:
de wonde (door David's dood).
881
opgekrabt:
opengekrabd.
883
den draet:
de eerste gegevens om het komplot (het
kluwen
) op het spoot te komen.
884
Haest:
weldra.
885
wil:
zal.
886
Opdaegen:
aan den dag komen;
prijsbaer:
loffelik.
887
heel bewijsbaer:
op grond van duidelike aanwijzingen had hij dadelik het recht zijn loop kunnen laten (
zonder 't recht te schorten
, vs. 888).
890
vint te vatten:
kan vat krijgen op;
lastervlack:
smet door onrechtmatige daad.
894
zal eerst:
zal de eerste zijn die.
899
Hou aen:
dring aan;
of:
in afwachting of.
901
ongelijck:
onrecht.
902
voor de reden:
in plaats van de rede, het verstand.
904
Zachtzinnigh:
bedachtzaam.
905-906
mijn moedt
(= gemoed)
loopt over:
ik ben mijn aandoeningen niet meer meester.
908
bloeienst:
bloeiendst;
boet:
herstelt.
912
Zwaermoedigh:
gedrukt;
hangends hoofds
(absolute genitief): met hangend hoofd;
met dit recht belast:
gebukt onder deze rechterlike plicht.
913
ick stel my zelve vast:
ik verbind mij er toe(?).
914
niet hangen aen:
niet liggen aan.
917
Verbidtge Adonias:
verkrijgt gij door uw voorbede genade voor Adonias;
recht:
vonnis.
918
onverwezen:
niet veroordeeld.
919
anderwerf:
zie 1
Koningen
1, 50-53;
verrezen:
in eer hersteld.
921
ziet aen:
geeft acht op.
923
Adonias verbidden:
zie vs. 917.
926
holpt:
hielpt;
harrenassen:
zich wapenen, fig. voor: de aanslag beramen.
927
onder bruiloftsschijn:
onder het voorwendsel dat het slechts om een huwelik te doen was (vgl. 684).
928
u dees schalckheit toebetrout:
deze boosaardige list van u verwacht.
930
voor andre bedtverwanten:
boven andere echtgenoten.
931
karkanten:
halssieraden van goud of edelgesteenten (
Ned. Wdb.
VII, 1621).
933
gunst:
liefde;
streeck:
verwierf.
934
verbinden:
zijn in staat om te binden.
936
van staetzuchtigheit vervoert:
door heerszucht meegesleept.
937
beroert:
in beroering brengt.
939
hooger aen te draven:
naar een hogere positie te streven.
940
zorgelijck en steil:
met inspanning en moeite (vgl.
De Roomsche Lier
, vs. 78: verdrietigh en steyl);
staf:
scepter.
942-43
liepen uwe zinnen op:
ging uw verlangen uit naar.
945
van zelf:
uit eigen beweging.
946
dat nimmer wort geleden:
wat nooit geduld kan worden.
947
op ons staetgevaer:
onze positie in gevaar brengend;
u uitbesteden:
in het huwelik treden.
949
vloot:
vluchtte.
950
Verbaest:
ontsteld;
vryburgh:
vgl. vs. 436.
951
mijn genade tergen:
mij, ondanks mijn genade, prikkelen.
953
dien lozen handel:
die listige handelwijze.
954
toebetrouwen:
zie vs. 928.