[p. 354]
Het vierde bedryf.
ADONIAS. ABIZAG
.
Adonias
:
Wat raet, Abizag? ô getrouwe halsvriendin,
1214
1215
Hoe jammerlijck bekomt my mijne oprechte min
En liefde t'uwaert, als een schelmstuck, waert te vloecken!
1216
Bespieders brullen om Adonias te zoecken.
1217
Ick bidde u, bergh mijn lijf, Godt geve oock hoe het zy.
1218
Abizag
:
Rampzalige, gy schuilt by niemant minder vry.
1220
Ick zitte om u verdacht, en uw verraeders streecken.
1220
Abizag draeght de schult: zy heeft dit stuck besteecken,
1221
Den prins door haere min misleit, en aengevoert:
1222
Abizag is de pest, die 't gansche rijck beroert.
Wout gy den koning om zijn kroon en leven brengen,
1224
1225
Wat hoeftge Abizag in dat lasterstuck te mengen?
1225
Na wascht haer zee noch stroom van zulck een lastersmet.
1226
De roep is onder 't volck. dit heeft zijn ploy gezet:
1227
En vlughtge herwaert aen, om noch de wraeck te tergen?
1228
Ick zie my zelve noch mijn leven nau te bergen.
1229
1230
Verzie u: pack u voort: vertreck uit mijn gezicht.
1230
Adonias
:
O schoone, my terstont noch liever dan het licht,
1231
Ontzeghtge my uw cel?
Abizag
:
leef raet met uwe raeden.
1232
Adonias
:
Ontzeghtge my uw huis? waerheene? langs wat paden
Ontvlughte ick doots gevaer, in 't nijpen van den noot?
1235
De poorten staen bezet. wat raet? geef ickme bloot,
Men vangt en spantme, en fel beschuldight van een' stercker,
1236
Moet een gevangen zich verweeren uit den kercker.
De rechter is party, en gruwelijck verwoet.
1238
[p. 355]
Abizag
:
Zoo barnt gemeenlijck felst een bloetpleit tegens bloet.
1239
Adonias
:
1240
Och vader David, oudt te vroegh voor my gestorven,
1240
Wat raet voor uwen zoone?
Abizag
:
en my, door hem bedorven?
1241
Adonias
:
Men zalme slaghten tot een zoen voor al het rijck.
1242
Abizag, stort ten minste uw traenen op mijn lijck.
Abizag
:
Vertreck uit mijn gezicht: hier baet geen ydel klaegen.
Adonias
:
1245
De princejaeger blaest den horen onder 't jaegen.
1245
Hy snuffelt om en om, en nadert. och wat raet?
Bezwijckt Abizag my, in dien benauden staet?
1247
Aertspriester Abjathar, och Joab, berght mijn leven.
Abizag
:
Al hadge vleugels om door d'ope lucht te streven,
1250
Hofvalcken zouden u beknellen in de vlught.
Adonias
:
Nu valt een' konings zoon zee, hemel, aerde, en lucht
Te nau. het zweet breeckt uit, en alle haeren rijzen.
Abizag
:
'k Weet u geen' schuilhoeck als een' hollen boom te wijzen,
In 't out cypressebosch. onthou u daer. men zal
1254
1255
U 's nachts bezorgen door een' dienaer langs de wal.
1255
Elendige, nu spoe. Godt helpe u uit den hoogen.
1256
Adonias
:
Leef lang, Abizag, och.
Abizag
:
nu zal ick met mijne oogen
Den helt niet weder zien, ten zy hem Godt bewaert.
1258
Hoe wort dat hooft gedreight van 't broederlijcke zwaert,
1259
1260
Dat princelijcke hooft, te schoon om af te houwen!
Ick hef mijne oogen en mijn handen, dus gevouwen,
[p. 356]
Naer Godt alleen om troost. zie neêr uit 's hemels troon.
Beschut dat konings bloet, ter eere van de kroon.
CHUSAÏ. ACHIMAÄS. SALOMON
.
Chusaï
:
Gestrengheit kan men hier met geen genade mengen.
1264
Salomon
:
1265
Wat komt Achimaäs, wat Chusaï ons brengen?
Achimaäs
:
Godt vry den koning voor den tweeden Absolon.
1266
Chusaï
:
Godt hanthaef Davids kroon in koning Salomon.
Salomon
:
Wat broeit'er in de stadt? is 't beter, ofte slimmer?
1268
Achimaäs
:
Genadighste, waeck op. betrou wy hadden nimmer
1269
1270
Gelooft dat deze pest zoo snel zich spreiden zou
Door 't lichaem van de stadt. wat vint men luttel trou
Ten hove, en onder 'tvolck, aen eer noch eedt gebonden!
Salomon
:
Gy spreeckt uit gissing?
Achimaäs
:
neen, het is te klaer bevonden.
1273
Chusaï
:
Hier baet geen veinzen meer. het gelt uw majesteit.
Salomon
:
1275
Verhael den oirsprong, en den voortgang met bescheit:
1275
Zoo kunnen wy gerust hierop ons oordeel vellen.
1276
Wie zijn de hoofden? wie de rot en rotgezellen?
1277
Chusaï
:
Aertspriester Abjathar, met zijn gezagh in ly,
1278
En Joab, niet gekent in 's rijx veltheerschappy,
1279
1280
Betoverden den prins de kroonzucht te bewimpelen
1280
Met minnezucht: en, om al stil geloof by simpelen
1281
[p. 357]
Te winnen, polsten 't hart des volx, al stil vergaêrt
1282
By avontschemering door Bela, boos van aert,
1283
Die op drysprongen zich alom ter sluick liet vinden,
1284
1285
En roock bedeckt de lucht van alle prinsgezinden.
1285
Hy luisterde wie koel van Davids nazaet sprack,
1286
Den prins Adonias beklaeghde, en zulck een' krack
In zijn gezagh geleên; doch strafteze, die rieden
1287-88
Te sluiten dat de jongste in d'eere van 't gebieden
1289
1290
Den outsten wijcken most. dan wert'er aengehecht
1290
De wettigheit en glans van 't eerstgeboorterecht.
By wijlen street men om den zin van Moses blaêren;
1292
Of Abjathar niet meer het wetboeck zou bewaeren
1293
In d'oude zuiverheit dan Sadock, die ten hoof
1295
Meer gunst won. zomwijl hiel hy zich als stom en doof.
1295
De veltheer Joab wert gelooft, die, out van dagen,
1296
Voor 't wetboeck en het rijck de wapens had gedraegen,
1297
En avrechts zat beloont, daer Banajas het woort
1298
Moght voeren, en de wacht van Davids stadt en poort
1299
1300
Alleen wert toebetrout. dit liep allengs wat verder.
1300
Men gaf'er raetsels uit. wat een' getrouwen herder,
Wat schaepen paste: en of een wacker wachthont niet
Moet bassen om de koy, als haer de wolf bespiet.
1301-3
De weiflaers dongen vast naer 't reetste in zulck een dwarling.
1304
1305
Men deelde d'ampten uit, op 't rollen van den terling.
1305
Men leght zich zelven toe, wil hier geluck toe slaen,
1306
Naer eene lantvooghdy, of rechters ampt te staen,
Of rekenmeesterschap, of in den raet te blincken.
1308
d'Een vat des anders zin, uit wijzen, en uit wincken:
1309
[p. 358]
tekstkritische noten
1310
En wat elck droomt by nacht wort 's avonts opgehaelt.
1310
De hoop des gierigaerts weit ruim en onbepaelt.
1311
Salomon
:
Wat scheen het ooghmerck van dit onderlinge mompelen?
Chusaï
:
Eens by gelegenheit al teffens t'overrompelen
1313
Wat prins Adonias in 't licht staet, en zijne eer.
1314
1315
Men repte noit van u. de kroon is veel te teêr
Om aen te raecken. zy besloten eerst te hinderen
1316
Te keeren die den prins in zijnen staet verminderen,
1317
Waerin hy is gestelt, naest 's konings majesteit:
En, zoo hem 't huwelijck geluckt, door loos beleit,
1320
Het feest te stercken, en, op klinckende bazuinen,
1320
Lang leve Adonias: lang leef de bruit van Suinen,
1321
Te roepen. dit 's bestemt, bezworen veur het koor.
1322
Salomon
:
'K geloof mijne oogen en mijne ooren, als ick hoor
En zie het geen men stroit. het kroonrecht let op blijcken.
1324
1325
Op zulcke tuigen kan de rechter vonnis strijcken.
1325
Chusaï
:
Achimaäs, ontvou het middaghklaer bewijs.
1326
Achimaäs
:
Godt geef de majesteit des konings eer en prijs.
De koning lees dit bladt: zoo wort de stomme spreeckendt.
1328
Salomon
:
Wat naemen zienwe hier in eenen ringk getekent?
1329
1330
Dit's al van 't zelve slagh, dat in het jongst rumoer
1330
Met prins Adonias meineedigh t'zamenzwoer:
En houdt het noch niet op van wroeten en van wrijten?
1332
Hier zienwe burgery, en vreemden, en Levijten,
Aenhangelingen van aertspriester Abjathar,
1335
En veltheer Joab. dit verraederswerck ziet ver.
1335
Roep Natan uit het hof, en Sadock uit Godts hutte.
1336
[p. 359]
NATHAN. SADOCK. SALOMON
.
Nathan
:
Heer koning, wat 's uw wil?
Sadock
:
Godt zegene en beschutte
Den grooten erfgenaem van Davids kroone en deught,
In 't opgaen van het rijck, en 't bloejenst van zijn jeught.
Salomon
:
1340
Nu wort het tijt dat wy of onze erfhaeters buigen.
Beziet dit bladt, en hoort wat stommen u getuigen.
1341
Hooghwijze Chusai, en getrouwe Achimaäs,
Beproeft in vaders dienst, verschijnen recht van pas
Met d'ondertekening der blinde aenhangelingen,
1344
1345
Gereet om onverhoets mijn troonen te bespringen.
Gy ziet de naemen hier in 't ront getekent staen,
Al onder een verwart, en niemant boven aan.
Men kan de hant van al de schrijvers onderscheiden.
Nathan
:
Wy spelden dit een wijl. men magh niet langer beiden.
1349
1350
De schelmen groeien aen in stoutheid en getal.
1350
Sadock
:
Zy rotten vast te hoop heel stil van overal.
1351
Hier roeien Davids zoons, uw broeders, listigh onder.
1352
Dat geeft het oproer kracht. geen vonck vat zoo in tonder,
1353
Als deze drift in 't hart des staets, noch muitgezint,
1355
En weifelachtigh, en bereit om dol en blint
Den andren Absolon Adonias te stijven:
1356
En nu Levijten met hun hant dit onderschrijven,
[Ick ken de naemen, en die letters al te wis]
Wort u betuight wie 't hooft der vloeckverwantschappe is.
1359
1360
Hoe komt zich Abjathar nu weder te vergeeten!
Wat durf schijnheiligheit zich reuckeloos vermeeten!
Wat krijght de myterkroon een lasterlijcke smet!
1362
Hoe voeght dees gruwel een orakel van de wet,
1363
Welx lippen Godt betrout zijn' wil en wet t'ontvouwen!
1364
1365
Dat 's verre van verraet en koningsmoort te brouwen.
1365
[p. 360]
Nathan
:
De koning twijfle nu niet langer aen 't verraet,
Te loos besteecken door twee hoofden van den staet,
1367
Vermomden Abjathar, en Joab, beide schuldigh.
Salomon
:
O vader David, die zoo lang en menighvuldigh
1370
Door rampen wert beproeft, oock in uw naeste bloet,
Wat komt ons over! och wat ongeval ontmoet
1371
Uw' zoone, in 't opgaen en de lente van zijn leven!
Hoe hebt gy Absolon tot tweewerf toe vergeven
Zijn wederspannigheit; en smette ick nu uit noot
1374
1375
Het eerste halsrecht met mijn' lieven broeders doot?
1375
Hoe stootme dit voor 't hart! het hart begint te kloppen.
1376
Wie kan den lastermont der eeuwige opspraeck stoppen?
1377
Sadock
:
Het is natuurlijck dat uw broeders smert u raeckt:
Nathan
:
En koningklijck, zoo gy geweckt voorzichtigh waeckt.
1379
Salomon
:
1380
Men lette op middelen om 't scherpste recht te keeren.
1380
Sadock
:
Gy kunt door geen gena dien boozen aert verleeren.
1381
Salomon
:
Men geef hem keur van beide, een' kercker, of, het zwaert.
Nathan
:
Geen kercker is zoo sterck, die eenen prins bewaert.
Salomon
:
Men laete in ballingschap hem buiten 't rijck omdwaelen.
Sadock
:
1385
Hy zou met 's nabuurs maght gesterckt zijn scha herhaelen.
1385
Salomon
:
Al wie hem hanthaeft, staet mijn ongena t'ontzien.
1386
Nathan
:
Wert Absolon niet stil gehanthaeft onder 't vliên?
[p. 361]
Salomon
:
Hy won geen legers, om den vader aen te randen.
Sadock
:
Hy won de harten, die te Hebron t'zamenspanden:
Salomon
:
1390
Na zijn verzoening met heer vader in het hof.
Nathan
:
Verzoent hy zich met u, dat geeft nieu oproer stof.
Salomon
:
Men zal in Abjathar en Joab 't oproer smooren.
1392
Sadock
:
Men smoore alle oproer eerst in dezen eerstgeboren.
Salomon
:
Ick heb meer broeders: elck voor ander vlamt op 't erf.
1394
Nathan
:
1395
Zy spieglen zich aen prins Adonias bederf.
1395
Salomon
:
Adonias vergat het Absolonsche voorbeelt.
Sadock
:
Zoo ruck het zwaert uit: straf dit stuck, by Godt veroordeelt.
1397
Salomon
:
Heer vader verfde noit de sabel in zijn bloet.
1398
Nathan
:
Dat steef den jongelingk, verstockt in wrevelmoedt.
1399
Salomon
:
1400
Hier dingen om het rijck de broeder tegens broeder.
Sadock
:
En zitge niet gezalft, gekroont, als rijxbehoeder?
Salomon
:
Zoo zat heer vader oock gezalft op zijnen stoel.
1402
Nathan
:
Dat oproer wert gedempt, gesmoort in eenen poel.
[p. 362]
Salomon
:
Tot vaders hartewee, gesmolten in zijn traenen.
Sadock
:
1405
Wat opspraeck gaf dit niet aen Joabs oorloghsvaenen?
Salomon
:
Noch heeft de hemel hem op zijnen troon herstelt.
Nathan
:
Niet zonder uitstaen van het uiterste gewelt.
1407
Salomon
:
Hy heeft Adonias voorheene begenadight;
Sadock
:
Den rechten booswicht, dien gy voorspreeckt en verdaedight.
1409
Salomon
:
1410
Het eerstgeboorterecht misleit hem in dien droom.
Nathan
:
Gy geeft een hollend paert de sporen zonder toom.
Salomon
:
Het zwicht, en voelt bezweet zich zelf nu afgeronnen.
1412
Sadock
:
Het geeft in 't renperck u den strijt noch niet gewonnen.
Salomon
:
Men kan het temmen met een ysren montgebit.
Nathan
:
1415
Betrou geen hollend rijck. bedenck hoe los gy zit.
1415
Salomon
:
Zal nu een konings zoon voor 's broeders slaghzwaert buigen?
Sadock
:
Al 't rijck, Godt zelf eischt recht. heer koning, wy betuigen
1417
Voor uwen troon en Gode en engelen, bereit
Te waecken voor den stoel van uwe majesteit,
1420
Dat wy onschuldigh zijn aen zoo veel ramps, te vrezen
Uit dien weerspannelingk, voor weduwen en wezen,
En 't gansche stamhuis, dat op uwe toezicht rust,
Van Liban tot den Nijl, van zee en waterkust
[p. 363]
Tot aen het roode meer. wy bidden, wy bezweeren
1425
U by dit wieroockvat, laet heden triomfeeren
Het heiligh kroonrecht, dat noch bloet noch afkomst kent.
1426
Zoo houde d'opperste u in eere en ongeschent.
1427
Zoo erve uw koningkrijck op uw nakomelingen,
En geve Levi stof uw' lof te koor te zingen.
1429
Nathan
:
1430
Wy stemmen met dien wensch en 's hoogen priesters mont.
1430
De Godt der vaderen bezegele 't verbont
Met David opgerecht, en heilighlijck bezworen,
Toen u de tempelbou van boven wiert beschoren,
1433
En zulck een rijck belooft, dat eeuwigh duuren zou.
Salomon
:
1435
De Godt der vaderen ontzey den tempelbou
Aen vader, om al 't bloet met zijne hant vergoten:
En zal ick nu den dolck in broeders boezem stooten,
Met een in vaders hart, dat, op zoo streng een straf,
1438
In zijnen ysren slaep, noch opzucht uit het graf?
1439
1440
Hoe redde ick my hier door? ontschuldigh my, heer vader,
1440
Nu 's hemels majesteit en zijne troonen nader
1441
Dan wy, zoo laegh op d'aerde, in dit gevaer gestelt.
Sadock
:
Schep moedt, heer koning: zijt gerust: de hemel schelt
U deze misdaet quijt, indien 't dien naem magh draegen.
1445
Gy zult den oppersten en 't hoogh gerecht behaegen
Door dit zoenoffer, van uw strenge hant verwacht.
Vaer voort, voorstander van 't aertsvaderlijck geslacht.
Salomon
:
Verdaghvaert Banajas.
1448
Sadock
:
hy komt hier aengetreden.
BANAJAS. SALOMON. ABIZAG
.
Banajas
:
Rechtvaerdige erfgenaem van Davids rijck en steden,
1450
Wy komen u ten dienst gehoorzaem en bereit.
Salomon
:
Ga daetlijck heene: straf door last der majesteit
[p. 364]
Den prins Adonias, en Joab: acht geen bede.
1452
Het heiligh slaghzwaert rust in zijne purpre schede.
Trouwanten, haelt het. laet het recht zijn gangen gaen.
1454
1455
Wy kunnen 't kroonrecht nu niet langer wederstaen.
Men moet Adonias en zijne rotgezellen,
1456
Verraeders van de kroon, ten nutten spiegel stellen.
Banajas
:
Hier is het zwaert.
Salomon
:
ruck uit, en lever het ons bloot.
Banajas
:
Daer is 't, heer koning, u ten dienst in dezen noot.
Salomon
:
1460
Ontfang het van ons hant, en hanthaef 't recht rechtvaerdigh.
Banajas
:
Ick ga. zy vlughten beide, en kennen zich strafwaerdigh.
Salomon
:
Hier komt Abizag, root bekreten en ontstelt.
Mevrou, gy komt te spa: het vonnis leght gevelt.
1463
Abizag
:
Waer berge ick my van rouwe, ô stadt, ô hof, ô heuvel,
1465
Hoe deerlijck is het dat een zoon van David sneuvel!
1465
Wat dolheit dreef hem tot dit huwelijxverzoeck?
Och, is hier geen gehoor? Adonias wat hoeck,
Wat schaduw berght uw lijf, in 't uiterste verlegen?
1468
Nu zoeckt u Banajas met zijnen blooten degen.
1470
Bloetdorstigh zwaert, zoudt gy doorrijgen Davids borst,
U dompelen in 't bloet van zulck een' braven vorst?
1471
Hoe is de broeder op den broeder dus verbolgen?
Wat gaet Abizag aen? ick wil het voetspoor volgen
1473
Van Banajas: misschien wat mijn gekerm vermagh.
1474
1475
Ten minste dat hy ons onschuldig' voor den slagh,
1475
Een' al te strengen slagh, dien wy niet keeren kunnen.
Men kan een weduwe van David niet misgunnen
Een eerelijcke blijck van onschult, klaer en kort,
1478
Eer dien verwezen prins de mont gesloten wort.
1479
[p. 365]
1480
Het hof zal billijck noch den stervenden gelooven.
1480
De waerheit wort gedruckt, maer staet in 't ende boven.
1481
ABJATHAR. SALOMON
.
Abjathar
:
Hoe durf ick, het valt hardt, voor 't hof te rechte staen?
Dit stuck verdaedigen? daer komt de koning aen.
Genade, ô Salomon. ick smeecke u om genade,
1485
En ken mijn lasterstuck.
Salomon
:
dit naberou komt spade,
En al te langkzaem by. wat stof gaf Davids zoon
1485-86
U tweemael tegens Godt, en d'eer van deze kroon
Dus in te spannen, op verbeurte van uw staeten
1487-88
En leven, met de rot der bozen, die my haeten?
1489
1490
Wanneer een staetloos man zich schandelijck vertast,
1490
Dat baert eene ergernis, die geenen burger past:
Maer zoo een amptenaer met eenigh schelmstuck bloot leit,
1492
Dat baert eene ergernis naer maete van de grootheit
En achtbaerheit des mans: hoe groot eene ergernis
1495
Geeft dan d'aertspriester, wien zoo dier bevolen is
1495
Godtvruchtigheit en wat rechtmaetigh is te voeden!
1496
Hoe komt nu d'efod weêr dit ondier uit te broeden?
1497
Had uw stoelbroeder, die hier staet, u niet verbeên,
1498
Men groeve u billijck in een hagelbuy van steen,
1500
Zoo diep dat gy het hooft noit zoudt ten hemel heffen.
1499-1500
Abjathar
:
Belieft de koningk eens genadigh te beseffen
Mijn vaders lijden, en bloetstortinge, ondergaen
1502-vlg.
Te Nobe, om David, als een halsvrient, uitgestaen,
1503
En met der doot bezuurt, daer vijfentachtigh bleven
1504
1505
Gewentelt in hun bloet, en ick, Godt woud's, mijn leven
1505
Noch bergende, de maer aen uwen vader braght:
Ick zie uw gramschap, die rechtvaerdigh is, verzacht.
[p. 366]
'k Heb vijftigh jaeren, in den ring der hutgenooten,
1508
Gelijck aertspriester, noit vermoeit, maer onverdroten
1510
De wet bewaert; en, toen uw vader zat vertsaeght
1510
Voor 't heir des Filistijns, de godtheit raet gevraeght.
Ick droegh de godtskist, toen hy vlughte in ballingschappen
1512
Voor Absolon: en als de list hem wou betrappen,
Quam Jonathan, mijn zoon, den balling, op zijn' hals,
1514
1515
Opwecken. zoo veel drux, en zoo veel ongevals,
1515
In 's vaders dienst bezuurt, behoorden 't hart te roeren
1516
Om niet ten allerstrengste een vonnis uit te voeren,
Gelijck mijn schult verdient aen uw gewijde kroon.
1518
Godt hanthave op dien voet u op uw vaders troon.
1519
Salomon
:
1520
Gy hebt de godtskist trou voor vader heêngedraegen,
Achitofel ondeckt in zijn doortrapte laegen,
1521
En vaders rampen lang in zijnen dienst geproeft;
1522
Een zaeck, by elck bekent, en die geen blijcken hoeft.
1523
Ick wil uw dootschult met uw diensten noch vergoeden.
1524
1525
Vertreck naer Anathot: uw acker kan u voeden.
De vloeck aen Ely, en den struick van Ithamar,
1526
Gespelt te Silo, treft de kruin van Abjathar,
1527
En Eleazer blinckt in Sadock, nu herboren.
1528
Hem is 't aertspriesterdom in 's hemels raet beschoren.
JOAB. SADOCK
.
Joab
:
1530
Aertspriester Sadock, och wie berghtme in doots gevaer?
Ick vlughte, en grijpe uit noot de horens van 't altaer,
1531
Voorheen den vryburgh van Adonias, den droeven.
Hier wil ick sterven, en het uiterste beproeven,
En duicken in Godts hutte, en sterven op uw wacht.
1534
1535
'K was lang, als Abjathar, voorheene ontwijt, verdacht,
1535
[p. 367]
Oock eer Adonias, van angst des doots benepen,
De horens van 't altaer voorvlughtigh had gegrepen.
1537
Beschutme, eerwaertste, die nu 's konings hart bezit.
Sadock
:
O grijze veltheer, vlught gy herwaert? wat 's uw wit?
1539
1540
Ick kan uw leven noch uw misdaet niet verschoonen.
Dit's nu de tweede moort begaen aen 's konings zoonen,
Of eer de derde: want gy trapte op Absolon,
1542
Misleide Adonias, en dreighde Salomon.
Uw boosheit houdt geen maet in 't ende van uw jaeren.
Joab
:
1545
Eerwaerdighste, gy kunt alleen mijn leven spaeren.
Sadock
:
Dat is onmogelijck: uw vonnis leght te vlack.
1546
Joab
:
Verzoeck gena.
Sadock
:
zoo kreegh 't gewijt gezagh een' krack
Ten hove. niemant durf voor vloeckgenooten pleiten.
1548
Gy quetste meer dan eens des konings majesteiten.
1549
Joab
:
1550
Mijn tijt is kort: ick ga met eenen voet in 't graf.
Sadock
:
Geen ouderdom ontgaet de wel verdiende straf.
Joab
:
Magh Davids volle neef dan geen gena verwerven?
1552
Sadock
:
Noch min dan Davids zoon, die van uw hant most sterven,
1553
En 's konings broeder zelf wort nu genade ontzeght.
Joab
:
1555
De koning zit te streng in 't eerste halsgerecht.
1555
Sadock
:
Zoo raeckt men eens aen 't endt van alle vloeckverwanten,
1556
Die reis op reis te stout zich tegens 't kroonrecht kanten,
[p. 368]
En zellef tegens Godt, en zijn gewijde wet:
1558
Want Godt heeft Salomon op 's vaders troon gezet.
1560
Gy weet hoe David sprack: Godt gafme veele zoonen,
Maer wijde Salomon ten nazaet op mijn troonen,
1561
En nam hem tot een' zoon, gelijck een vader, aen,
Om trou, naer Moses stijl, de stammen voor te staen.
1563
Zoo wort gy door den mont des vaders zelf geoordeelt,
1565
Die gaf den erfgenaem des rijx een heerlijck voorbeelt
Van eene rijcke kerck, die hem te bouwen stont.
Hoe durftge, dan vervoert door mijn stoelbroeders mont,
1567
U innebeelden, dat gy met uwe eedtgenooten
Den recht gewettighden mooght schuiven en verstooten,
1569
1570
Adonias ten dienst? of achtge David slecht,
1570
Dat hy het outste van het jongst geboorterecht
Niet onderscheiden kon, of immers al te spade?
1572
Neen zeker, nacht en dagh ging hy met Godt te raede,
En 't hutorakel, sterck gedreven van Godts geest.
1574
1575
Gy draeght u recht als een die Godt noch menschen vreest.
1575
Zal Salomon, gelijck Godts mont belooft, regeeren,
Zoo moet gerechtigheit en 't kroonrecht triomfeeren.
Joab
:
My wort dan alle hoop van leven kort ontzeght?
1578
Sadock
:
Uw lasterstuck was niet verweerbaer in 't gerecht.
1579
Joab
:
1580
't Gewijde kleet plagh wel misdaedigen te bergen.
Sadock
:
Men wachte zich den leeu van Juda dus te tergen,
In 't sluimren: want komt hy t'ontwaecken al gesteurt,
1582
Dan wort alle ongediert, dat hem beschimpt, verscheurt.
1583
Daer hoort men al den bergh met een geschrey vervullen.
1585
Adonias is doot. de leeu vaert voort met brullen.
Helt Banajas genaeckt. berey u: het is tijt.
Hy sterft onheiligh, die het hoogh altaer ontwijt.
[p. 369]
BANAJAS. JOAB
.
Banajas
:
De prins Adonias most zijne dootschult boeten,
En knielde voor dit zwaert gewilligh aen mijn voeten.
1590
Gy ziet het noch van bloet gepurpert en bespat.
Heer Joab, al vergeefs gevloden, en gevat
De horens van 't altaer, geen' vryburgh voor uw leven.
Het vonnis leght gevelt: hier helpt geen wederstreven.
1593
Gy zijt oock out genoegh, om d'algemeene schult
1595
Te boeten. schep dan moedt, en neem dan voor 't jongst gedult.
1595
Ontschuldigh ons, dat wy, van hooger hant gedwongen,
1596
Een recht, dat duuren zal op aller eeuwen tongen,
1597
Uitvoeren, in den dienst des konings, uwen heer.
Joab
:
Gedoogh ten minste dat ick mijne zaeck verweer.
Banajas
:
1600
Vergeefs. gy kunt hier door geen troost by 't hof verwerven.
Joab
:
Welaen, 'k getroostme dan hier aen 't altaer te sterven.
'K verzoeck ten minste dat gy naer den koningk zendt.
Misschien bedocht hy zich. Een rechter kan in 't endt
1603
Van zin veranderen: dat 's meer dan eens gebleken.
Banajas
:
1605
Het recht is heiligh. durft gy 't vonnis noch bespreecken?
1605
Zie toe dat gy de straf door weêrspraeck niet bezwaert.
1606
Joab
:
Noit was mijn hart in 't velt voor 's doots grimmas vervaert:
1607
Dat tuight dit lichaem, dicht getaistert van quetsuuren,
1608
In 't vechten op een heide, in 't stormen op de muuren,
1609
1610
In 't waden door den stroom, en 't steigren op een rots.
1610
Banajas
:
Hoe toont de veltheer dan door 't vliên zich luttel trots,
In 't aenzicht van de doot? wie rustigh sterft, sterft heerlijck.
1612
[p. 370]
Joab
:
Wie voor Godts outer in het harnas sterft, sterft eerlijck:
Maer 't routme schandelijck te sterven op dien voet.
1614
Banajas
:
1615
Getroost u evenwel, naerdien gy sterven moet.
1615
Joab
:
Om Godt ontzeghme niet een' bode heen te zenden,
1616
En hoort naer 's konings last, dat zal het recht niet schenden,
Noch niet verzwacken. sta mijn bê zoo luttel toe.
1618
Banajas
:
Ick ben dit sammelen, dit ydel uitstel moe.
1619
1620
Trouwanten, gaet terstont den koning noch eens vraegen.
1620
Volhardt hy by zijn' last, zoo volge ick 't hoogh behaegen.
Men brengme flux bescheit
Van 's konings majesteit.
Joab
:
Hoe los en wanckel staen de staeten
1624
1625
Der weerelt! ay ziet Joab aen,
In dezen schijn, van elck verlaeten.
1626
Men ziet de wisselbaere maen
1627
Dan heel, dan half, dan nieu, dan onder,
1628
In 't ent berooft van al haer licht.
1630
Wat is een prins en veltheer, zonder
De zon van 's konings aengezicht?
Noch komt de maneschijn weêr boven:
1632
Maer zoo ick 't hooft nu onderhael,
1633
Een nacht zal al mijn' luister dooven
1635
Voor eeuwigh. stapelt altemael
Mijne oorloghsdaeden aen de wolcken;
1636
Zy worden nu niet eens gedacht.
1637
Wat baet het dempen van de volcken
1638
Der Idumeen, of van 't geslacht
1640
Uit koning Ammon, of Syrieren?
Wat baetme dat ick, zonder zorgh,
1641
Aenvoerde Judaes leeusbanieren,
[p. 371]
En d'eerste klom op Sions borgh?
1643
Wat baet het dat ick twintigh jaeren
1645
Bekleede 's rijx veltheerschappy,
En Davids hofraet holp bewaeren?
1646
Men treet al 's konings bloet voorby.
1647
Ick sta hier veegh, ter doot gedaghvaert.
1648
Wie keert den slagh van 't blinde slaghzwaert?
Banajas
:
1650
Daer komt mijn lijftrouwant. heer Joab, sta nu vast.
1650
Wat hoore ick, dat my druckt!
Joab
:
hoe luit de jongste last?
Banajas
:
Dat ick u daetelijck van 't outer af moet rucken,
En leveren uw lijf den koning in twee stucken.
1653
Joab
:
Welaen, 'k getroostme dan te sterven aen 't altaer.
1655
Maer gunme een luttel tijts: dat's buiten uw gevaer.
1655
Mejoffers, laet geen' rou uw harten overstulpen.
1656
'K heb overspeelers, op mijn' hals, in staet gehulpen,
1657
My aen Urias moort door hunnen last besmet,
1658
En wiesch de schantvlack af van dat geschantvleckt bedt.
1660
Waer Absolon verschoont, geen Bersaba zou leven:
1660
Veel min zat Salomon zoo diep in 't gout geheven.
1661
Nu sterckt dees bastert, dus moortdaedigh en verwoet,
1662
Zijn vaders testament met Joabs edel bloet.
Nu Banajas, vaer voort, aen 't plucken en aen 't rucken:
1665
Daer is mijn borst, mijn hals. hou Joab in twee stucken:
Maer Godt, die uit een wolcke aenschout dit ongelijck,
1666
Verscheure Salomons of na zijn nazaets rijck,
1667
Uit onverzoenbre wraecke, aen twee oneffe deelen,
Hier 't hooft en daer de romp, door bloedige erfkrackeelen.
1669
[p. 372]
Banajas
:
1670
Gy koningslasteraer, geen konings ongena
Geeft u dien slagh, ô neen, maer Abner, Amaza,
1671
Die twee rechtvaerdigen, van u al t'ongenadigh
1672
Mishandelt, zonder schult, zoo godtloos en moortdaedigh,
Verdaegen Godt om wraeck. het bloet drupt op uw hooft.
1674
1675
Wat staenwe langer, als van ons verstant berooft?
Trouwanten, vaert vry voort. de bloethont bast noch stouter.
Vaert voort, trouwanten, voort, en ruckt den schelm van 't outer,
Naer achter in de hutte. ick volge u op de hiel.
1678
Hy storte 't godtloos bloet daer uit met zijne ziel.
1679
REY VAN HOFJOFFEREN
.
Zangk
:
1680
Wat maer verbaest onze ooren!
1680
De prins, zoo hoogh geboren,
Adonias is heen.
Och, waer hy noch verbeen.
1683
Een prins, zoo schoon geschapen,
1685
Is al te vroegh ontslaepen.
O edelmoedige aert,
1686
Hoe leghtge door het zwaert
Gevelt op 't grazigh outer.
Zoo wort een bloem door 't kouter
1689
1690
Van haeren steel gesneên.
Die jonge frissche leên
Zal hy voortaen niet reppen,
1692
Noch lucht en adem scheppen.
Daer leght nu al de roem
1695
Van zulck een koningsbloem.
Och Hagits zoon, wat vleier,
1696
Wat booswicht, wat misleier
Beweeghde u, al te rijp