terug  begin  verder
[p. 381]

Tooneelschilt
of Pleitrede voor het tooneelrecht.

CEDO NVLLI.*

 

t'AMSTERDAM,
Voor de weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam, M. DC. LXI.



illustratie

[p. 382]

Tooneelschilt
of Pleitreede voor het tooneelrecht.

1 De naemhaftige en rustige Hollander, die van wijsheit en lette-1 2 ren t'zamenhing, eenen stapel uitgeleerde boecken naliet, en wien2 3 endelijck het metaelen pronckbeelt van Rotterdam, zijne geboor-3 4 testadt, toegekeurt wert, zeide, dat men naulijx iet moght uitgeven, 5 of hoefde het met de schiltwacht van eene voorrede te beschutten.5 6 Het gemeene spreeckwoort zeght: wie by den wegh timmert,6 7 lijdt veel aenstoots. Zoo gaet het oock met den schouburgh, en7 8 tooneel en tooneelspelen, die oordeelooze gezellen te bijster in8 9 het licht staen, om dat hunne tedere harssens niet kunnen begrijpen9 10 de waerdy van eene overoude kunste, ons door zoo veele wijzen 11 en treffelijcke verstanden aengeprezen. Wy bekennen ront uit 12 noch niet te konnen begrijpen waerom de kerckuil een schildknaep12 13 van de Wijsheit en Pallas vogel is: want een kerckuil bemint de 14 duisternis, en haet het licht. Hy zuight den olijfoli uit de gewijde 15 koorlampen, en vangt by nacht het lichtschuwe ongedierte, als15 16 een lecker wiltbraet; eigenschappen die luttel gemeenschap met16 17 de wijsheit schijnen te hebben: doch zulcke natuurgeheimenissen, 18 den uitgeleerden Griecken t'Athene, het hoogh altaer der wijs- 19 heit, grondigh bekent, moghten ons klaer blijcken, hadden wy 20 van kintsbeen af by den hoogh verlichten Trismegist, en de natuur-20 21 kundige Egyptenaers, zijne wackere scholieren, in Zonnestadt21 22 ter schoole gelegen, en onze onbeslepe zinnen op hun heylighdom,22

[p. 383]

23 het uitgesneden beeldewerck, op grafnaelden ter eeuwige gedach-23 24 tenisse uitgehouwen, gescherpt. Ondertusschen willen wy ons lie- 25 ver over dit zinnebeelt verwonderen, dan, met gevaer van den25 26 hals te breecken, steil opklauteren naer een geheimteken, met26 27 ons onverstant noch niet te bereicken. Tegenwoordigh was het27 28 voorneemen voor het wettige tooneelrecht noch een weinigh ten 29 overvloet te pleiten, hoewel het voorheene al met genoeghzaeme29 30 reden en bewijs verdaedigt is: verzoeckende dat de toehoorders,30 31 die het gigagen en d'aenklaghten der tooneelschenderen aenhoor-31 32 den, zich gewaerdigen oneenzijdigh hun oordeel een luttel op te32 33 schorten, om de heerlijcke spreuck Hoor Party, eertijts met goude33 34 letteren, boven den ingangk van het oude stadthuis, geschreven, 35 met der daet te voltrecken, en niet zonder grondige kennis van 36 zaecken te neemen, een ontijdigh vonnis, ten laste van schou-36-37 37 burghoofden en tooneelieren, te vellen. Wy willen dan, op deze hoop37-38 38 getroost, voortvaeren, en terstont van de bepaelinge des tooneels 39 aenheffen.39

40 Het tooneel is een verheven plat, toegestelt naer den eisch der40 41 rolle van de personaedjen, die elck volgens heuren staet ingekleet,41 42 en gelijck vermomt, door stemmen en gebaer uitbeelden eene42 43 historie, of waerschijnende verzieringe, of klucht, waerdigh tot43 44 stichtigh vermaeck, in het openbaer, gehoort en gezien te wor-44 45 den. Uit deze eenvouwige bepaelinge kan de verstandige oordee-45 46 len of tooneelkunst zoo strafwaerdigh zy, als vernuftelozen, onder 47 schijn van hun bezwaert geweten t'ontlasten, haer uitroocken.47 48 Deze bepaelinge heeft mede eenige gemeinschap met den stoel des48 49 redenaers, die in hooge schoolen zijne wijsheit en geleertheit 50 den schoolieren en braven vernuften, oock door heilige en wee-50 51 reltsche historien, naer het ongestadigh beloop der weerelt, ont- 52 vout. Zy deelt mede in de tafereelen der historischilderkunste, be-52

[p. 384]

53 staende uit welgeschickte vertooningen, die, op haeren rechten53-54 54 dagh bespiegelt, naer d'afgemaelde stof, stichten of ontstichten: 55 en de historischilderkunst verdiende by d'ouden den naem van 56 stomme poëzye, gelijck de poëzy den titel van spreeckende schil-56-57 57 derye bereickte, dat eigentlijcker op tooneelpoëzy slaet, die haere 58 spreeckende personadien regelrecht, terwijl een redenaer perso-58 59 neerende, die niet regelrecht invoert. Het onderscheit, tusschen 60 redenaer en tooneelier, bestaet oock ten deele hierin, dat de rede- 61 naer doorgaens alleen spreeckt, en, naer den stijl der rederijck-61 62 kunste, by wijlen personeert, en uit den naeme van eenen anderen 63 spreeckt; het zy uit den mont van Godt, of eenen engel, of koningk, 64 of amptenaer, of vryen staet, of andersins, gepast op de leest der64 65 stoffe, om het hart des toehoorders te roeren, en lieflijck, buiten 66 zijn weten, tot des spreeckers ooghmerck aen te leiden. Het66 67 ooghmerck der treurspelen is, zoo wy voorheene zeiden, den ver- 68 wilderden aert in te toomen, en zeden in te scherpen, gelijck de 69 grijze en wijze Pythagoras dit oock door de muzijck beooghde.69 70 Het blyspel verlicht zwaermoedige geesten, en geneest de harte- 71 wonden der staetheeren en amptenaeren, door geduurige bekom-71 72 meringen en beslommeringen, tot heil der gemeente, afgeslaeft.72 73 Is nu het ooghmerck des redenaers, en der schilderkunste goet; 74 hoe kan het zuivere wit der tooneelkunste zwart en quaet zijn?74 75 nimmermeer kan eene zaeck, uit haere natuure goetaerdigh, quaet75 76 genoemt worden, ten zy een uitgedrukt verbodt van Gode, of Godts76 77 stedehouderen, over het heilige en weereltsche, en verstandige 78 ouderen, die pit achter d'ooren hebben, tusschen beide inkome:78 79 dan kan zelf de schoone paradijsappel, uit zijne natuure goet en79 80 goet blijvende, en alleen ten opzichte van het verbodt quaet, 81 ziel en lichaem vergiftigen, en eenen endeloozen staert van be-81-82 82 derf naer zich sleepen. Most men altijt, om der dingen misbruick, 83 het recht gebruick verworpen; wat zou 'er ter weerelt onomge-83 84 wroet en in zijn geheel blijven? Dat waer, gelijck Plutarchus in een84-86

[p. 385]

85 voorbeelt bybrengt, alle wijnstocken, om het misbruick des wijns, 86 met wortel met al uitroien: en wy hooren het onfaelbaere orakel86 87 der wijsheit bevestigen, dat de wijn Godt en mensch verheught. 88 De schouburghhoofden kunnen dan met geene reden vatten, dat88-vlgg. 89 men het tooneel zoo schendigh over de hekel behoorde te haelen,89 90 en betuigen dat de schouburgh t'onrecht van afgoderye, en hoere-90 91 rye, hun in der waerheit onbekent, eerloos en schaemteloos ge- 92 schantvleckt wort. Zy zien met lust dat kerckglazen, orgeldeuren, 93 en het nieuwe Kapitool, een achtste wonderwerck, met uitgehouwe93 94 beelden, en heilige en weereltsche schilderyen praelen, en rekenen 95 het den kunstigen predickstoel geensins tot afgoderije, dat de werc-95 96 ken van bermhertigheit den leergierigen door uitgesneden beelde- 97 werck aengeprezen worden: want beelden, gelijck men van outs 98 zeght, zijn der leken boecken. Slaet den bybel op, van het boeck 99 der scheppinge tot Sint Jans openbaringe toe; gy ziet 'er doorgaens99 100 hoe Godt, voor en onder en na de wet, den aertsvaderen, koningen,100 101 profeeten, en kruisgezanten, op velerhande wijze in droomen en101 102 gezichten, als door levendige vertooningen, verscheen, en hun102 103 zijne genade, liefde en gerechtigheit, en majesteit en heerlijckheit 104 en wil openbaerde. Noah, d'eerste wijngaertplanter, zagh den eer-104 105 sten regenboogh aen de lucht geschildert, hem verzekerende, dat 106 Godt het menschdom niet meer door het element des waters zoude 107 verdelgen. Aertsvader Jacob zagh te Bethel in den droom eene107 108 ladder, die van d'aerde aen den hemel reickte, daer Godt boven 109 op stont, en engelen op en afklommen. Josefs droomen van koren-109 110 schooven, zonne, en mane, en elf starren, die hem aenbaden, 111 spelden zijne toekomende verheffinge; de droomen des schenckers 112 en korenmeesters, in den kercker, de verheffinge van den eenen, 113 en het bederf van den anderen; Faroos droomen van vette en113 114 magere koeien, en volle en doove koorenaeren de vruchtbaere 115 en onvruchtbaere tijden. Moses hoorde Godts of des aertsengels115 116 stem uit het doornebosch, dat in brant scheen te staen. Godt ver-

[p. 386]

117 scheen Salomon 's nachts in den droom, na het brantofferen te117 118 Gabaon. Ezechiël zagh, onder veele andere vertooningen, Godts118 119 heerlijckheit en majesteit, van geen schilders penseel, noch dich- 120 ters vernuft t'achterhaelen. Nebukadnezers droom van het ge-120 121 weldige beelt, met een gouden hooft, zilvere borst, koperen buick, 122 en yzere en leeme voeten, was, naer Daniels uitlegginge, eene 123 vertooninge van vier hooftheerschappyen der weerelt. De ver- 124 tooninge op den bergh Thabor, daer Christus hooft en aenschijn124 125 [korts hier na op den dootshooftbergh, met de doornekroone ge-125 126 kroont] gelijck de zon straelde, en Moses en Elyas met hem in ge- 127 spreck verscheenen, ontvoude het voorspel van de glori, waerin 128 de gekruiste boven alle hemelen zoude verheerlijckt worden. 129 Godts onfaelbaer stedehouder, wien d'almaghtige de sleutels129 130 des hemels toebetroude, zagh de vertooninge van een vat, vol die- 131 ren en vogelen, uit den ontsloten hemel nederdaelen, gelijck eenen 132 grooten lijnen doeck, aen vier hoecken gebonden: en de Heilige132 133 Geest schuift, voor den Euangelist Sint Jan, de gordijnen van 134 zoo veele vertooningen open, vol geheimenissen en gebloemde134-35 135 wijsheit, te zijner tijt te kennen, ondertusschen by wijlen jam- 136 merlijck van neuswijzen misduit en verdraeit. Maer wy behoor-136 137 den den gelovigen helt Samson, op den triomfwagen der Heiligen137 138 omgevoert, niet voorby te gaen, die, naer de getuighenis der138 139 Godtgeleerden, in Dagons kerck speelde, en al danssende en zin- 140 gende en springende Gode zijnen geest opofferde. Al de weerelt140 141 gewaeght van de geschicktheit, en bequaemheit der Societeit, in141-vlgg. 142 het manieren regelen en zedevormen der leergierige jongkheit,142 143 het welk zy mede uitwerckt door Godtvruchtige en stichtelijcke 144 tooneelspelen, en tooneeldanssen, wijt afgescheiden van licht-144 145 vaerdigheit, en bederf van goede zeden, by haer ten hooghste145 146 gehaet. De Spartaensche maeghden plaghten, in Lykurgus ge- 147 strenge en gemanierde eeuwe, den harnasdans te danssen, hoe-147

[p. 387]

148 danigh Julius Scaliger, voor Keizer

[p. 388]

176 om schuim van gout, en onkruit van tarwe te onderscheiden. 177 Indien men nu hier aen hechte de bewijsredenen, tot voorstant177 178 der tooneelpoëzye, by verscheide treurspelen voorheene gevoeght, 179 zoo zal een opmerckende oordeel den lossen grontslagh onzer179 180 wederpartye vatten, en de reden en billijckheit gaerne plaets gun- 181 nen, schoon eene onbeschaemde tronie haere verwe niet eens181-82 182 verschiet, en de kaep der logentaele en lasteringe al stout voorby 183 gezeilt is. Maer waerom bepleiten wy het behantyeste en gewet-183 184 tigde tooneelrecht, naerdien domme onwetenheit geene ooren 185 heeft om te hooren. Het schijnt een behantvest aenklaeger magh 186 teffens rijp en groen, en al wat hem lust, straffeloos uitbraecken op186 187 d'oefeninge eener vrye kunste, by weledele burgermeesters en wet-187 188 houders, nu al over zoo veele jaeren ingewillight. Eenen geme-188-89 189 lijcken aert, zwanger om te bedillen wat juist zijne smaeckeloze 190 tonge niet smaeckt, ontbreeckt het nimmermeer aen lasterstof, 191 en ongerust, uit zijnen donkeren pruilhoeck, met donkere en 192 norsse winckbraeuwen grimmende, rekent den vrolijcken hemel- 193 dans der Goden zelf bedorven, zoo Venus gekurckte pantoffel193 194 eens kraeckt. De heilige Kruisgezant Thaddeus tekende al vroegh194 195 sommige pylaerbijters en domme dwaelgeesten, lasterende het195 196 geenze niet verstonden. De hemelsche Waerheit, in den vleesche196 197 verscheenen, wert doorgaens van schijnheilige Farizeeuen en schrift-197 198 geleerden belaeght en geplaeght. Zy taisterdeze oock doorgaens198 199 met den titel van tooneelspeelders, door het Griexe woort ὑπο- 200 κριτὰ eigentlijck uitgedruckt, doch met den naem van geveinsde200 201 in den Leitschen bybel oneigentlijck vertaelt: want hoewel men,201 202 niet sonder reden, zeght dat al de weerelt eene tooneelrol speelt, 203 nochtans paste het schijnheiligh kamerspel der schriftgeleerden203 204 eigentlijck op de leest van quade geveinstheit en mommerye, die, 205 om in schaduwe te schuilen, een momaenzicht en andere perso-205-206 206 nadie aentrecken: want wie zijnen schijn gelijck is, kan by geenen

[p. 389]

207 kamerspeeler geleken worden. De waerheit noemde de schijn-207-208 208 deughden muggenzifters, kameelverslinders, en splinterkijckers, 209 die menscheneer hooger dan Godts eer schatten, onder schijn 210 van ootmoedighheit, hoogh in hun wapen, zich zelfs boven aen210 211 zetten, en op merckten, in lange kleederen aenstappende, zich211-213 212 kittelden, wanneerze Rabbi gegroet werden. Zy gelijcktze by ge- 213 witte graven, uitwendigh schoon en heerlijck opgepronckt, in- 214 wendigh vol stanck en verrotte beenders en beckeneelen. Zom- 215 mige tooneelisten, hun eigen vlecken kennende, waerdeeren zich215 216 niet boven de waerdy, en hierom deelenze niet zoo diep in schijn-216 217 heiligheit, als voorheene eenige stookebranden en blaesbalgen.217 218 De waerheit zelf bevestight dat openbaere zondaers by wylen de 219 boetvaerdigheit en den hemel nader zijn dan schijndeughden, 220 daer de hartekenner van walght. Een Farizeeusche Lynceus waen-220 221 de, met den verrekijcker van zijne benevelde oogen, door het dack 222 des schouwburghs heene te zien, en daer een hoerenouter t'ont- 223 decken: maer het miste den opsnijder, en de schouburgh, Co-223-24 224 moedia Vetus opslaende, las 'er, dat de kerck een dicht dack is, 225 daer eertijts de duivel onder gescholen hadde, gelijck meester225-26 226 Peter, de groote kercktooneelier in groot Britanje, noch onlangs 227 getuighde: want het zijn terstont alle geene engelen, die veren- 228 gelde menschen schijnen, naerdien de geest der duisternisse zich 229 in eenen engel des lichts kan vermommen. Is het nu waerachtigh,229 230 dat Lacedemoniers de tooneeliers, zich kantende tegens de wijze230-vlgg. 231 wet van den wijzen wetgever Lykurgus, uitbanden; hun geschiede231-33 232 recht: gelijck oock oproerkraeiers, met toghtschuit en wagen uit- 233 gevoert, niet verongelijckt werden. De goddelijcke Plato getuight 234 dit van de dichteren, die toch nimmermeer eenen aenhang maecken,

[p. 390]

235 en waer onder oock de tooneeldichters wel mogen gerekent wor- 236 den: Poëtae nunquam turbârunt rempublicam, sed oratores non semel.236 237 Dat is: Noit holpen poëten eenen vryen staet op hollen, doch redenaers237 238 klaerden dit meer dan eens. Maer het wort tijt dat wy sluiten,238 239 en een kostelijck borstjuweel aen de keten van deze pleitrede239 240 hangen.

241 De schouburghhoofden vonden onlangs by geval eenige letters,241 242 in het perck van de halve mane des schouburghs, gestroit, en,242 243 gelijck hemelval, uit de lucht, door het dack gevallen. Zy met 244 Yver de t'zamengevoeghde letters by lettergrepen duidelijck spellen-244 245 de, spelden'er deze twee wonderspreucken uit: SCHRYFSPEELEN,245-vlgg. 246 MAER SPEEL NIET: LUCIFER GAET TEN TOONEELREIE. 247 Hier over stondenze alle gelijck voor het hooft geslagen, en hadden247 248 noit gedroomt dat hun een orakel, zo onverwacht en vervaerlijck, 249 zoude voor de scheenen springen. Indien nu d'Amfiktyonische249 250 raet der vrye Nederlanden hierop besloot deze wonderspreucken, 251 op het poortael of voorhooft van Apolloos Nederduitsche kercke,251 252 uit te houwen; het moght nabedencken geven of men tooneelspel 253 en tooneeldans, door een algemeen raetsbesluit, over al zoude op- 254 schorten, en den schouburgh met een diamanten grendelslot, by 255 Vulkaen, der goden wapensmit, gesmeet, eeuwigh toesluiten, en 256 bezegelen: doch echter betroudenze dat doorluchtige en hoogh- 257 wijze staetheeren verder zagen, en, onder andere loflijcke kunsten, 258 de tooneelkunst van Klio en Thalye, zoo veele eeuwen achtereen 259 en tot noch toe, in alle keizerdommen, koningkrijcken, vorsten- 260 dommen en vrye staeten, ten hove gewelkomt, zouden hanthaven, 261 zoo lang die, ter eere van onze wijtbefaemde koopstadt, de pylaer 262 der goude vryheit, tot eerlijcke stichtinge van inheemschen en uit- 263 heemschen, gebruickt en niet misbruickt, en met hantgeklap van 264 brave heeren, helden, en jongelingen, en schoone jofferen toege- 265 juicht wort.

 

UIT.

*Titelblad: 't motto betekent: Ik wijk voor niemand.
1De naemhaftige en rustige Hollander: de beroemde en krachtige Hollander, nl. Erasmus. De bedoelde uitspraak is niet te vinden in de bekendste werken (Laus stultitiae, Colloquia, Enchiridion militis christiani) van deze auteur.
2uitgeleerde: door en door geleerde (vgl. r. 18): uitgeleerden Griecken.
3endelijck: nl. in 1622 (zie deel 2, blz. 418); pronckbeelt: standbeeld; toegekeurt: toebedeeld, met de bijgedachte: waardig geacht.
5of hoefde: of men zag zich genoodzaakt.
6gemeene: algemeen bekende.
7lijdt veel aenstoots: staat bloot aan veel kritiek.
8te bijster: in hoge mate.
9tedere: zwakke.
12kerckuil: de uil van Pallas Athene wordt, met zinspeling op de kerkelike bestrijders, aldus genoemd.
15het lichtschuwe ongedierte: de vleermuizen.
16wiltbraet: eigenlik gebraden vlees; hier: jachtbuit.
20Trismegist: Hermes Trismegistus (zie deel 5, blz. 563); natuurkundige: de natuur doorgrondende.
21Zonnestadt: Heliopolis.
22onbeslepe: onbeschaafde, onontwikkelde.
23beeldewerck: de hiëroglyfen; grafnaelden: obelisken (zie deel 5, blz. 562).
25dit zinnebeelt: nl. de uil.
26steil opklauteren: nl. om te trachten het te ontraadselen; geheimteken: geheimzinnig symbool.
27Tegenwoordigh: nu, bij deze gelegenheid.
29voorheene: reeds in de voorrede van zijn Pascha, en sedert in andere Berechten.
30verdaedigt: oude vorm naast verdedigd.
31gigagen: klanknabootsend woord voor het balken van de ezel (vgl. Roskam, vs. 137); tooneelschenderen: tegenstanders die schimpen op het toneel.
32zich gewaerdigen: gelieven (Ned. Wdb. IV, 1999); oneenzijdigh: zonder nog partij te kiezen.
33Hoor Party: luister ook naar de tegenpartij (Audi et alteram partem). Deze spreuk stond op het oude, in 1648 gesloopte, stadhuis te Amsterdam (Amsterdam in de 17de eeuw, 's-Gravenhage 1901-1904, blz. 48), maar ook elders, b.v. te Gouda.
36-37schouburghhoofden: de regenten van de schouwburg; tooneelieren: toneelspelers; vgl. verderop: tooneelist en kamerspeler.
37-38op deze hoop getroost: bouwende op deze verwachting; bepaelinge: definitie.
39aenheffen van: een begin maken met.
40verheven plat: hoge stellage; toegestelt: ingericht.
41staet: stand, positie; ingekleet: gekostumeerd.
42gelijck: als het ware.
43verzieringe: fictie.
44stichtigh: vormend, veredelend.
45eenvouwige: eenvoudige, duidelike.
47uitroocken: waarschijnlik ontleend aan het opjagen van wild uit hun holen, door middel van rook, dus: met laster trachten te vernietigen.
48heeft eenige gemeinschap: vertoont enige verwantschap; stoel: katheder.
50braven: voortreffelike.
52deelt mede in: staat ook in verband met.
53-54welgeschickte: goed gecomponeerde; op haeren rechten dagh bespiegelt: onder de juiste belichting beschouwd.
56-57den titel bereickte: aanspraak kreeg op de naam van; dat eigentlycker: wat met meer recht.
58personeerende: een andere persoon als sprekend invoerende (Ned. Wdb. XII, 1313); vgl. personeert in r. 62.
61doorgaens: voortdurend.
64gepast op de leest der stoffe: in overeenstemming gebracht met de aard van de stof.
66aen te leiden: te brengen, over te halen; in te scherpen: in te prenten.
69Pythagoras: Grieks wijsgeer uit de 6de eeuw v. Chr. Hij trad op als profeet die de verborgen krachten der natuur kende en macht bezat over de zielen der mensen. Door rhythme, liederen en formules trachtte hij geestelike en lichamelike ziekten te genezen, zie Porphyrius, Vita Pythagorae, § 30.
71staetheeren: regeerders; amptenaeren: waardigheidbekleders.
72afgeslaeft: door inspanning dodelik vermoeid.
74wit: doel; woordspeling met het volgende zwart.
75goetaerdigh: in wezen goed.
76uitgedrukt: uitdrukkelik.
78ouderen: meer ervarenen; die pit achter d'ooren hebben: die schrander zijn; tusschen beide inkome: in andere zin beslisse.
79zelf: zelfs.
81-82bederf: verderf, ramp; naer: na.
83verworpen: verwerpen.
84-86Dit citaat is bij Plutarchus niet te vinden, mogelik citeerde Vondel oit het hoofd.
86het onfaelbaere orakel: de bijbel, nl. in Psalm CIV, 15.
88-vlgg.Gematigd protest tegen aantijgingen van ds. W. als de volgende: 1o Schouwtooneelen zijn ‘Schoolen des Satans’ (II, 1168); 2o over het repertoire van de Amsterdamse Schouwburg: ‘Ende soo wy eens ghenootsaeckt souden werden, om den dreck van die bladeren om te roeren; de welcke sulcke bly, ende treur-spelen in sich begrijpen, die de ghemeene [= gewone] stoffe van ons Schouw-burgh zijn; de selve soude soo grouwelicken stanck van haer geven, dat wy ons versekeren (in wat achtinge die ook by de kinderen deses Werelts mogen zijn) dat alle vroome herten daer van souden walgen’ (II, 1175); 3o ‘sulcke plaetsen’, waar ook het kwade ten toonele wordt uitgebeeld, zijn ‘veel erger ende slimmer, als de openbare Boordeelen’ (II, 1178); met geene reden: op geen redelike grond.
89schendigh: schandelik.
90betuigen: bewijzen onweerlegbaar (Ned. Wdb. II, 2258); van: door.
93het nieuwe Kapitool: het Stadhuis.
95den kunstigen predickstoel: de kunstig met beeldwerk versierde kansel, uit de Protestantse kerken niet geweerd.
99doorgaens: voortdurend.
100de wet: ‘oude wet’, het tijdperk van de Joodse leer en godsdienst (Mnl. Wdb. IX, 2365).
101kruisgezanten: apostelen (Ned. Wdb. IV, 2167).
102levendige vertooningen: openbaringen in persoon.
104Noah: zie Gen. 9, 8-20.
107Jacob: zie Gen. 28, 10-13.
109Josef: zie Gen. 37, 7-9; 40, 8-22; 41, 15-30.
113bederf: verderf.
115Moses: zie Exodus 3, 1-4.
117Salomon: zie 2 Kron. 17, 12.
118Ezechiël: beschreven in De profeet Ezechiël (Vulgaat), hst. I.
120't achterhaelen van: te benaderen door; Nebukadnezer: zie Daniël 2, 26-45.
124op den bergh Thabor: zie Matth. 17, 1-3.
125dootshooftbergh: Golgotha.
129onfaelbaer: onfeilbaar. Zie Handel. der Apostelen 10, 11-12.
132lijnen: linnen.
134-35gebloemde wijsheit: (als onder bloemen) verborgen wijsheid.
136van neuswijzen misduit: door eigenwijzen verkeerd uitgelegd.
137Samson: zie dit deel, blz. 173 en dl. 1, blz. 350.
138omgevoert: rondgevoerd.
140zijnen geest opofferde: zich ten dode wijdde.
141-vlgg.Laconiesse terugslag op een hatelik gezegde van ds. W.: ‘Dat eenige Paepsche Meesters (die sulcks in de Scholen der Jesuyten, maer gheleert hebben) soo veel wercks daer van [van 't schooldrama, gelijk dr. v.d. Ende dat bij de S.J. geleerd had!] maecken, ende soo veel op de goede vruchten van dien, konnen stoffen; is meer eenen ydelen waen ...’ (II. 1191); geschicktheit: aanleg; Societeit: de Societas Jesu, de orde der Jezuïeten.
142manieren: intomen, (Ned. Wdb. IX, 204); regelen: besturen.
144wijt afgescheiden van: ver verwijderd van, niets gemeen hebbend met.
145by: door.
147gemanierde: door tucht bedwongen; Griekse krijgsdans, ook zonder wapenen tot oefening voor de strijd, en in den vervaltijd zelfs door vrouwen beoefend.
177voorstant: verdediging.
179opmerckende: nauwlettend.
181-82tronie: gezicht (hier reeds geringschattend); haere verwe verschiet: verbleekt; stout: brutael.
183behantveste: door privileges bevestigde.
186teffens: tegelijk.
187oefeninge: beoefening; by: door; wethouders: stadsbestuurders.
188-89over zoo veele jaeren: veel jaren geleden; gemelijcken aert: knorrig karakter; zwanger om te bedillen: steeds geneigd tot kritiseren.
193zoo Venus gekurckte pantoffel (= cothurn) eens kraeckt: Vondel denkt hier aan 't prentje van Momus en Venus in den Gulden Winckel (zie dl. I, blz. 302 en 303) dat dezelfde tekst van Judas heeft als rr. 195-6; zie de volgende noot.
194Kruisgezant: apostel; Thaddeus: Judas Thaddeüs, schrijver van de nieuw-testamentiese brief ‘De brief van Judas’; Vondel haalt daaruit aan vs. 10, dat luidt in de Vulgata: ‘Hi autem, quaecumque quidem ignorant, blasphemant’; in de Staten-vertaling: ‘Maar deze, 'tgeen zij niet weten, dat lasteren zij’.
195pylaerbijters: schijnheiligen.
196De hemelsche Waerheit: Christus.
197doorgaens van: steeds door.
198taisterdeze: brandmerkte ze(?). De oorspr. betekenis van teisteren is: rukken, schudden, ruw bearbeiden.
200eigentlijck: letterlik.
201den Leitschen bybel: de Statenbijbel, te Leiden gedrukt.
203kamerspel: toneelspel (oorspr. rederijkersspel), vgl. in r. 207 kamerspeeler; paste op de leest van: kwam overeen met.
205-206momaenzicht: mombakkes, masker; andere personadie aentrecken: zich in een andere rol verkleden; zijnen schijn gelijck is: inderdaad is zoals hu zich voordoet.
207-208De waerheit: Christus (vgl. r. 196); schijndeughden: de deugdzamen in schijn, de huichelaars (Ned. Wdb. XIV, 619); vgl. voor de volgende regels Matth. 23, 24; 7, 3; 23, 5-7 en 23, 27.
210hoogh in hun wapen: trots; zelfs: zeit.
211-213zich kittelden: zich gevleid voelden; gewitte: gepleisterde.
215vlecken: zonden.
216boven de waerdy: boven hun werkelike waarde.
217stoockebranden: twistzoekers, onruststokers; blaesbalgen: die het twistvuur aanblazen.
220Lynceus: Griekse held, beroemd wegens zijn scherp gezicht. Natuurlik doelt Vondel hier op de aanval van Ds. Wittewrongel.
223-24opsnijder: snoever; Comoedia Vetus of Het Bootmans praetgen is de titel van een heftig anti-Katholiek pamflet, met de aanhef: ‘Hoe den ghekapten Droes, al waer hy Godes Tolck, Sich leghert in de Kerck.’
225-26meester Peter, de groote kercktooneelier: zie over deze merkwaardige Puriteinse predikant Hugh Peter, die na een avontuurlik leven in 1660 aan de galg stierf, een uitvoerig artikel van Fr. A. Pompen O.F.M. in de Vondelkroniek van Jan. 1936. Op grond van geruchten in de pamflettenlitteratuur hield Vondel hem voor een potsenmaker op de preekstoel, van wie bovendien - ten onrechte - verteld werd dat hij vroeger aan het toneel verbonden was geweest. Vondel heeft de predikanten met hun zonderlinge geestverwant willen plagen. Zijn ‘getuigenis’, waarop Vondel doelt, heeft Fr. Pompen in de pamfletten niet aangetroffen.
229waerachtigh: overeenkomstig de waarheid.
230-vlgg.Dit is een ondeugende terugslag op Wittewrongel: ‘De Lacedemoniers sullen sulcke Christenen beschamen; die om geen andere redenen, de Schouw-spelen uyt haer gebiedt, ghebannen hebben; als om dat sy niet en willen lyden, dat hare wetten beschimpt, of tegen-gesproocken werden’ (II, 1176).
231-33hun geschiede recht: zij kregen hun verdiende loon; oproerkraiers: zinspeling op het gebeurde met Ds. Smout: zie deel 3, blz. 336; uitgevoert: weggevoerd, verbannen; niet verongelijckt werden: geen onrecht gedaan werd.
236Bij Plato niet te vinden, mogelik door Vondel uit het hoofd geciteerd.
237holpen op hollen: brachten in beroering; redenaers: in dit verband worden de predikanten bedoeld.
238klaerden: speelden dit klaar.
239kostelyck borstjuweel: kostbare hanger.
241bygeval: toevallig.
242het perck van de halve mane: het parterre.
244Yver was de zinspreuk van de Nederduitsche Academie.
245-vlgg.Spottende reactie op de Calvinistiese waardering van toneelpoëzie: wel schrijven en lezen, maar niet spelen en zien! ‘van het schryven tot het spelen te besluyten, dat gevolgh en deught niet.’ (Wittewrongel II, 1190).
247gelijck voor het hooft geslagen: als het ware verbijsterd.
249voor de scheenen springen: zich tegen hen keren; d'Amfiktyonische raet: de Amphiktyonen waren de om een heiligdom wonenden, verenigd tot een bondgenootschap, dat ook politieke betekenis kreeg.
251voorhooft: front; Apolloos Nederduitsche kercke: de Amsterdamse Schouwburg.
terug  begin  verder