terug  begin  verder

Op het Klokmusyk t'Amsterdam.aant.*

NEC MORTALE SONANS.

 
Laet al d'oude Grieken zwijgen,
 
Stoffende, zoo trots en fier,
 
Van Amfions goude lier,2-3
 
Op wiens klank de vesten stijgen,
[p. 402]
5
  Bacchus zijn geboortestadt5
 
Van den hemel zagh bescheenen,6
 
Daer zoo veel verstroide steenen
 
Zich verhieven uit het plat,8
 
Op de maet van snaer en zanger.
10
Wy verwondren ons niet langer.
 
 
 
Droom en kluchten gaven stof11
 
Aen de lichtgelovende ouden,12
 
Die gedroomde steden bouden.13
 
Dat verzieren ging te grof.14
15
Griecken, dertel in zijn vonden,15
 
Zocht uit duisternisse licht,
 
Diende zich van ydel dicht,17
 
Aen geen schijn van reên gebonden,
 
Toen het geestigh logens goot,19
20
  En zijn verf niet eens verschoot.20
 
 
 
Wy, verlicht door rijper klaerheit,
 
Mogen spreeken, rijk van roem,
 
Zonder dat men 't werk verbloem,23
 
In der daedt, en in der waerheit:
25
  Gijsbrechts stadt wort rontom heen,
 
Op muzijk van torenklokken,
 
Met een' steenen muur omtrokken,25-27
 
Wort geklonken hecht aen een,
 
Als VERBEEK met voet en vingren29
30
Klanken weet door een te slingren.
 
 
 
Hy verdooft met klokgeluit31
 
d'Allereêlste kerkkooraelen,32
[p. 403]
 
Speelt met klokken, als cymbaelen.33
 
's Hemels kooren kijken uit.
35
Op de heele en halleve uuren,
 
En de vierendeelen me,35-36
 
Steekt de Koningin der zee
 
'tHooft nu trotser uit haer muuren,
 
Gort haer' vruchtbren schepetuin39
40
  Met een' gordel van arduin.
 
 
 
Ik verhef mijn' toon in 't zingen
 
Aen den Aemstel en het Y,
 
Op den geest van HEMONY,
 
d'Eeuwige eer van Loteringen,
45
  Die 't gehoor verlekkren kon
 
Op zijn klokspijs, en zijn nooten,46
 
Ons zoo kunstrijk toegegoten,
 
't Lust ons op de klokketon,48
 
Om doorluchte torentranssen,49
50
Eenen klokkedans te danssen.
 
 
 
Cybele behaelt geen' prijs51
 
Door geschal van keteltrommen,52
 
Nu de torentranssen brommen,53
 
Met een liefelijker wijs
55
Dan haer dolle Korybanten.55
 
Geen of een alleen vermagh56
 
Om te voeren nacht en dagh57
 
Eenen rey van musikanten.58
 
Voert dien klokhelt op 't altaer
60
  Eens gezien in duizent jaer.60
 
 
 
MDCLXI.

*Van 1661. - Volgens de tekst in Vondels Poëzy 1682 I, blz. 431. Het motto, ontleend aan Aeneïs VI 50, betekent: ‘niet klinkende als een geluid van sterfeliken’ d.w.z. hemelse muziek.
2-3Stoffende van: zich beroemende op; Amfion: zie deel 5, blz. 906.
5Het op de klank der lier verrijzende Thebe was de geboorteplaats van Bacchus.
6Van: door.
8het plat: de vlakte.
11Droom en kluchten: bespottelike fantasie.
12lichtgelovende ouden: lichtgelovige Grieken.
13gedroomde steden bouden: droomden van een fabelachtige stedebouw.
14Die verbeelding ging de perken te buiten.
15Griecken: Griekenland; dertel in zijn vonden: buitensporig in zijn bedenksels.
17ydel dicht: zinloze verdichting.
19geestigh: vernuftig, kunstig; goot: verspreidde.
20verf: kleur, dus: zonder blikken of blozen.
23verbloem: kunstig, door verdichting, opsiert.
25-27Juist was men bezig met de vierde uitlegging van Amsterdam waartoe in 1657 besloten was; de stad werd omgeven door veertien nieuwe bolwerken, met steen bemuurd en door hoge wallen verbonden. Vondel had, toen hij dit gedicht schreef, binnen tien jaren niet minder dan vier klokkenspelen te Amsterdam zien verrijzen (Munttoren 1651, Zuiderkerk 1656, Westerkerk en Oudekerk 1658), alle geleverd door François Hemony uit Lotharingen; zie P.T.A. Swillens, Vondel en de Amsterdamsche ‘Klokmusyck’ in De Beiaard, 11de jaarboek v.d. Ned. klokkenspel-vereeniging (1934), blz. 2 en 3.
29Verbeek: Salomon Verbeek (1632-1685), de toenmalige beiaardier van de Oudekerkstoren. Zie Swillens, a.w., blz. 3; met voet en vingeren: de basklavieren werden met de voet getreden; de houten klavieren, die met de klepels verbonden waren, werden met de gehele hand bewogen.
31verdooft: overtreft in klank (oorspr. maakt dof).
32kerkkooraelen: gezongen kerkmuziek.
33cymbaelen: koperen muziekinstrument, bestaande uit twee halve bollen (Ned. Wdb. III, 2039).
35-36Op het uur, het halve uur en het kwartier bracht de klokketon (vlg. vs. 48) het carillon in beweging.
39Gort: omringt; schepetuin: de afgesloten ruimte met ligplaats voor de schepen.
46klokspijs: woordspeling van de techniese term, het metaalmengsel waarmee de klok gegoten wordt, en de geestelike spijs, het genot dat de klokmuziek verschaft. De soortgelijke woordspeling die Van Lennep in nooten zoekt, lijkt mij zeer twijfelachtig.
48klokketon: zie bij vs. 35.
49doorluchte: waar de lucht doorheen speelt.
51Cybele: Phrygiese natuurgodin, met luidruchtig feestgetier en wilde muziek geëerd.
52keteltrommen: pauken.
53brommen: gonzend weerklinken.
55Korybanten: priesters van Cybele.
56Geen of een alleen: niemand, of alleen Hemony.
57om te voeren: rond te voeren, aan te voeren.
58Eenen rey van musikanten: de klanken van het klokkespel, die als 't ware een stoet van muzikanten vertegenwoordigen.
60Zoals men er maar één in duizend jaar aantreft.
terug  begin  verder