*Van 1661. - Volgens de tekst in Vondels Poëzy 1682 I, blz. 431. Het motto, ontleend aan Aeneïs VI 50, betekent: ‘niet klinkende als een geluid van sterfeliken’ d.w.z. hemelse muziek.
2-3Stoffende van: zich beroemende op; Amfion: zie deel 5, blz. 906.
5Het op de klank der lier verrijzende Thebe was de geboorteplaats van Bacchus.
25-27Juist was men bezig met de vierde uitlegging van Amsterdam waartoe in 1657 besloten was; de stad werd omgeven door veertien nieuwe bolwerken, met steen bemuurd en door hoge wallen verbonden. Vondel had, toen hij dit gedicht schreef, binnen tien jaren niet minder dan vier klokkenspelen te Amsterdam zien verrijzen (Munttoren 1651, Zuiderkerk 1656, Westerkerk en Oudekerk 1658), alle geleverd door François Hemony uit Lotharingen; zie P.T.A. Swillens, Vondel en de Amsterdamsche ‘Klokmusyck’ in De Beiaard, 11de jaarboek v.d. Ned. klokkenspel-vereeniging (1934), blz. 2 en 3.
29Verbeek: Salomon Verbeek (1632-1685), de toenmalige beiaardier van de Oudekerkstoren. Zie Swillens, a.w., blz. 3; met voet en vingeren: de basklavieren werden met de voet getreden; de houten klavieren, die met de klepels verbonden waren, werden met de gehele hand bewogen.
31verdooft: overtreft in klank (oorspr. maakt dof).
33cymbaelen: koperen muziekinstrument, bestaande uit twee halve bollen (Ned. Wdb. III, 2039).
35-36Op het uur, het halve uur en het kwartier bracht de klokketon (vlg. vs. 48) het carillon in beweging.
39Gort: omringt; schepetuin: de afgesloten ruimte met ligplaats voor de schepen.
46klokspijs: woordspeling van de techniese term, het metaalmengsel waarmee de klok gegoten wordt, en de geestelike spijs, het genot dat de klokmuziek verschaft. De soortgelijke woordspeling die Van Lennep in nooten zoekt, lijkt mij zeer twijfelachtig.