De werken van Vondel. Deel 9. 1660-1663


auteur: Joost van den Vondel


editeur: Leo Simons, C.R. de Klerk, J. Prinsen J.Lzn, H.W.E. Moller, B.H. Molkenboer, J.F.M. Sterck, L.C. Michels, C.G.N. de Vooys, C.C. van de Graft, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius


bron: J.F.M. Sterck, H.W.E. Moller, C.G.N. de Vooys, C.R. de Klerk, B.H. Molkenboer, J. Prinsen J.Lzn., L. Simons, C.C. van de Graft, L.C. Michels, J.D. Meerwaldt en A.A. Verdenius (eds), De werken van Vondel. Negende deel 1660-1663. De Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1936  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 652]

Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst
Naschrift

De inleidende notitie van bl. 406 valt aan te vullen met de bemerking, dat de auteurs, die Vondel vermeldt en ook benut heeft, een vrij groote lijst vormen. Voor het overzicht laten wij ze hier allen volgen. Behalve de bijbelsche schrijvers, voornamelijk van het Vde Boek, zijn het:

Lucretius: I, 855; III, 27, 1176; IV, 61, 461; V, 1789.

Leucippus: I, 699.

De Sibillen: I, 1306; II, 523; III, 1154; IV, 375.

Aristoteles: II, 39; III, 1160, 1260, 1291; IV, 869; V, 107.

Hermes Trismegistus: II, 511, 735; III, 1137, 1169; IV, 1094, 1129; V, 1455.

Plato: II, 723; III, 1159, 1181, 1259, 1291; IV, 1059; V, 941.

Vesalius: III, 182.

Ferecides: III, 1157.

Thomas Aquinas: III, 1162.

Epictetus: III, 1317.

Lucianus: III, 1319.

Cebes: III, 1375.

Plutarchus: IV, 1036; V, 337,356.

Justinus Martyr: V, 212.

Irenaeus: V, 212.

Clemens van Alexandrie: V, 212.

Tertullianus: V, 213.

Origenes: V, 215.

Tacitus: V, 294, 785.

Phlegon: V, 309, 322.

Chalcidius: V, 309.

Dionysius Areopagita: V, 319.

De Talmud: V, 335, 918, 924.

Juvenalis: V, 340.:

Tullius Cicero: V, 343.

Strabon: V, 345.

Celsus: V, 368.

J. Gerson: V, 755.

Flavius Josephus: V, 760.

Suetonius: V, 785.

Machiavelli: V, 1966.

Hierbij komen de auteurs, die in het Onderwys van het Geloofshooftpunt der H. Dryeenigheit (dl. VIII, bl. 734) worden vernoemd, nl.:

[p. 653]

Socinus: vs. 9 (Besp. V, 833).

Philo Judaeus: 25 (V, 899).

Maimonides: 26 (V, 900).

J. Albo: 28 (V, 902).

Nogmaals De Talmud: 44, 50 (V, 918, 924).

Fernelius: 67 (V, 941).

Athanasius: 317 (V, 1191).

Het meerendeel van wat Vondel uit deze schrijvers aanhaalt kende hij uit citaten van naderbij staande auteurs, waarvan Lactantius, Petavius, Vossius, Kircher en Baronius de voornaamste zijn. Ook Plinius, Bellarminus en Dodonaeus behooren tot 's dichters bronnen. Merkwaardig is evenwel, dat Vondel geen van deze onmiddellijke hulpbronnen ooit vernoemt, zelfs zijn vereerden Gerard Vossius niet, wiens folio De Theologia Gentili sive de Origine Idololatriae (in 9 Boeken, in 1668 bij J. Blaeu te Amsterdam verschenen, nadat de eerste vier Boeken, die Vondel heeft geraadpleegd, in 1641 gepubliceerd waren) hem toch zooveel diensten heeft bewezen, gelijk wij passim aantoonden, ja waarvan hij gedeelten letterlijk heeft vertaald, zooals in de noot op III, 1057-1104 te zien is. Wij hebben van Vossius' werk de ed. van 1668 gebruikt, die door zijn zoon Isaäc verzorgd werd.

B.H.M.