4Mulciber: de smeder, bijnaam van de smid-god Vulkaan.
11Paktool: de bekende goud-rivier Pactólus in Lydië, die goudzand meevoerde; de Ganges in Indië die diamant en paarlen schenkt (zie vs. 699); alle eilanden: blijkbaar zijn de eilanden van Indonesië bedoeld.
13-vlgg.De natuur delft haar rijkste schatten uit het diepste van de aarde.
97De laurier of lauwer was aan Febus (Apolloon) gewijd.
100Hier tart ...: hier trotseert, overtreft 'n niet te schatten kunst de rijkdom van de stoffen (waaruit de kunstwerken zijn gemaakt) Ovidius: Materiam superabat opus (vs. 5). Deze beschrijving is naar de uitbeelding van Ovidius (begin 2e Boek).
136stroomjofferen: waternymfen of Najaden, halfgodinnen.
139Faëtúse, Lampete en Febe, zie Inhoudt r. 5; naer heur orde: op hun plaats (in goede orde).
144beneden my: vlak bij mij (of bedoelt zij: aan mijn linker zij, omdat ge toch onder mij zijt in waardigheid - om zijn hovaardij te breken?).
152De hemelsche Uuren: de godinnen van weer en jaargetijden die om Febus' troon staan geschaard, (zie Treurspeelders blz. 37); ten hemelrey: tot 'n hemelrei, tot 'n hemelse reizang.
164van al zijn deught: van al zijn vermogen, van heel zijn kracht.
179enckele stem en pluim: enkel zang en veren; Tesselschade's: ‘een zingend vedertje, en een gewieckt geluid’; (enckele als bijv. naamw., zoals: gene vader en moeder).
181In 't byzonder: hij alleen (in de vroege morgen, vóór zonsopgang).