240Iö Pean: Griekse jubelkreet, iô Paian, vooral ter ere van Phoibos (Febus): hoezee, heil en zegen.
241Apollo = Febus had de monsterdraak Puthoon gedood, die bij Delphoi (in Griekenland) huisde, en vele mensen verdierf, zo werd Delphoi (Delphi) zijn heiligdom (Ovidius Metam. Dl. 7 blz. 423, vs. 527-vlgg.).
243Aziaensch: niet juist; de Python huisde in Griekenland (zie 241); kost: kon (oude bijvorm).
260Mijn vleugels: Apollo of Febus werd meermalen voorgesteld zetelend op een gevleugelde drievoet, ook wordt hij afgebeeld op de zwanenwagen, waarop hij na de winter als zomergod terugkeerde (de drievoet, het bekende voetstuk, waarop de Pythia zetelde, de priesteres die in Delphi Apollo's orakels verkondigde).
272te verplichten: aan zich te verbinden; gunstig te stemmen.
273het Pythisch feest, de Pythise feesten of spelen waren wedspelen ter ere van Apollo in Delphi; Pythisch werden ze genoemd naar Pytho (Putho) d'oude naam van Delphi; de naam van de slang Python hangt ook samen met Pytho.
275zich laet behagen: behagen schept in; zich behagen: behagen scheppen, is oudtijds gewoon, maar laet is hier vreemd, wel onder invloed van zich laten welgevallen; te handlen: te hanteren.
278lauwerhoedt: lauwerkrans: de laurier was bizonder Apollo toegewijd, (vs. 293, 1339).
280eerwe scheiden n.l. van de kimmen, uit ons paleis; eer de zon opgaat.
291ons perruick: ons stralenhaar (Ovidius 40 At genitor circum caput omne micantes Deposuit radios: en zijn vader legde af de stralen die heel zijn hoofd omlichtten).
318Zie om ....: zie naar uw eigen afkomst; Epafus was zoon van Io (of Isis zie Inhoudt r. 1) en Jupiter (Zeus); Juno (Hera) afgunstig op Io veranderde deze in 'n koe, en liet haar door Argus (met zijn vele ogen) bewaken.
319hiet: heette. (In Ovidius' Metam. 1e Boek, vlak vóor de geschiedenis van Faëton, Dl. 7 blz. 430, vs. 686-vlgg.).
321Isis was de Egiptise Nijlgodin; de koe was haar toegewijd; ook werd ze afgebeeld met koehorens en soms met de koekop als hoofd.
333By Plutoos jammerpoel: bij de onderwereld (Hades), dit was de sterkste eed door de goden gezworen; deze moest vervuld worden.
405geef reden: geef verklaring, maak het duidelik.
410den starrelichten boogh: de hemelboog, het hemelgewelf door sterren verlicht (in de voórmorgen).
411weigeren het spoor te houden ...: met moeite het spoor houden, en ter nauwer nood steigeren ze er tegen op. Ovidius, vs. 63: Ardua prima via est et qua vix mane recentes Enitantur equi: Steil om hoog is 't begin van de baan, en de paarden vers in de vroege morgen steigeren ter nauwer nood er tegen op; bezwijcken: bezwijmen, het begeven, duizelen.
418een gemaetightheit, volleert op 't onbekende spoor: 'n ‘gematigdheid’ die volkomen bekend is op die voor u onbekende baan; aldus voor Ovidius' (vs. 67) eget moderamine certo: die eist 'n onwrikbare stuurkunst (moderamen: het sturen, door Vondel onjuist opgevat als ‘gematigdheid).
419Tethys: de wereldzee (waarin de zon ondergaat, de zonnewagen wegzinkt); Thetys is de opperste zeegodin gemalin van Okéanos.
425de kloot des hemels: de hemelbol; Vondel stelt zich het hele hemelgewelf voor als om elkaar draaiende kringen, die samen de hemelbol vormen (vrgl. Lucifer, vs. 45).
461Te kusse en keure: te kust en te keur; (te kusse: onjuiste vorm, Vondel heeft die ook in Adonias vs. 224: ten kusse en keure); Dit eenigh bidde ick af: Dit alleen vraag ik niet te doen (Ovidius vs. 98. Deprecor hoc unum).
470jaeght de starren voor: jaagt de sterren weg voor zich uit.
476't vaderlijck vermaenen ten minste: ten minste deze mijn vermaningen.
480met arbeit: met inspanning; Ovidius: labor est inhibere volentes (of volantes): 't is 'n werk ze in 't rennen in te tomen.
481-vlgg.Niet rijden op de weg, die rechthoekig de vijf gordels snijdt van pool tot pool.
482vijf starriemen: vijf hemelgordels, in vs. 484 hemelriemen genoemd, vertaling van Ovidius' vs. 129: quinque per arcus: door vijf hemelkringen, en vs. 131: Zonarumque trium contentus fine: gespannen binnen het perk van drie gordels. Hier worden bedoeld de vijf gordels, waarin de Ouden de hemel verdeeld dachten, en daarmee in verband ook de aarde: de hete gordel tussen evenaar en keerkringen, de twee gematigde tussen keerkringen en poolkringen, en de twee koude tussen de poolkringen en de polen: zie Herscheppinge 1e Boeck vs. 55-65 (Dl. 7 blz. 404-vlg.).
483Naerdien mijn heirbaen breet en dwers valt ...: Daar mijn zonnebaan wijd en schuin loopt, maar toch binnen de drie gordels blijft, d.i. binnen de hete en de twee gematigde; Ovidius' vs. 130: Sectus in obliquum est lato curvamine limes: schuin gesneden is de baan met wijde boog; in obliquum: schuin, geeft Vondel weer met dwers, evenals in Herscheppinge vs. 170 dwars (Dl. 7, blz. 446).
485Vermij de Zuidpool en de Grote en de Kleine Beer (de Noordpool).
492Weer dezelfde waarschuwing als in 485: de Slang: het sterrebeeld de Draak tussen Grote en Kleine Beer aan d'ene zij, en 't Altaer, sterrebeeld bij de Schorpioen in 't Zuidelik Halfrond aan d'andere zij van de zonnebaan.
494Het overige moet ik overlaten aan het hachelik geluk, de hachelike Fortuin; Ovidius: vs. 140: Fortunae cetera mando: Aan 't geval laat ik het overige.
476-96Zie voor deze verzen Vondel's vertaling in Herscheppinge Dl. 7, blz. 446, vs. 164-185.
512Daar trekt mijn blij gemoed mij altijd heen; hier tegelijk in sombere woordspeling voorduiding van de rampzalige ondergang (zie vs. 583 vlgg.).
514dat's u veur: ik trek heen (voor u weg); Vondel vervangt hier het gewone voor door veur om de onaangename klankophoping: voor door deze poort, te vermijden.
515-516kinderliefde: liefde tot het kind; oudersliefde: liefde tot ouders.
546En zich alle gevaren getroosten: de Charybdis de draaikolk aan de kust van Sicilië tegenover de rotsen Scylla van Italië; beide in de oude sagenleer gedacht als monsters, die de scheplingen verdelgden.