644Allen ook even bekwaam in de sterrekunde; starreschieten: sterren waarnemen, vooral: de hoogte, opnemen (om de plaats te bepalen waar men is).
645den rey des zangberghs: de rei der muzen van de Hélikon; deze Griekse berg was aan Apollo en de negen muzen of zanggodinnen gewijd (evenals de Parnásos aan wiens voet Delphi gelegen was).
646Melpómen: Melpómenê een der negen zanggodinnen, de muze van het treurspel; Ovidius in zijn Tristia (Klaagliederen (2, 381): omne genus scripti gravitate Tragoedia vincit: Boven elke dichtsoort munt het treurspel uit in waardigheid (zie Vondel's Lucifer opdracht).
648Prometheus: Vondel zinspeelt hier op het bekende treurspel Prométheus van de Griekse treurspeldichter Aíschulos. Prométheus, die het vuur uit de hemel op aarde had gebracht, om het door hem geboetseerde mensebeeld te bezielen (vs. 658-vlgg.) werd tot straf, op last van Zeus (Júpiter), door Vulkaan vastgeketend aan een rots.
649klinckt....: met 'n spijker van geslepen diamant is zijn keten vastgeklonken; baere: kale, barre.
720op hollen: op 't hollen, aan 't hollen, op hol (Vondel heeft meermalen op hollen in pl. v. op 't hollen: gelijck een wagen op hollen Grotius Testament (dl. 4 blz. 625, r. 26), en Wat helpt u 't hooft op hollen, Vergilius Herderszangen, (dl. 6, blz. 170, r. 30).
721't hooftpunt: 't toppunt, hoogste van de hemel (waarvoor Febus Faëton gewaarschuwd had, vs. 488); hier dus in andere betekenis dan vs. 602.
722En steeckt mijn lucht op 't hooft: en brandt fel op mijn lucht; (de lucht en het weer worden beheerst door Jupiter, en mede door zijn gemalin Juno).
731Tot het gevolg van Dionúsos (Bacchus) behoorden saters, dat zijn ruwe dronken bosdemonen met bokspoten (Boxvoet); Silenos (Sileen) was de opvoeder en metgezel van Dionúsos; hij werd geregeld als dronken voorgesteld.
732veel te hoogh bevolen: als 'n veel te dure plicht toevertrouwd.
741traegh op zijn verzoeck: op zijn verzoek met weerzin heb ik 't toegestaan.
781blijven: bezwijken (in 't Wilhelmus: Graaf Adolf is gebleven In Vriesland in den slag.).
786Tot nog toe horen we nog weinig klachten van beneden (van d'aarde); het gewagh: het stemgeluid.
788Juno is als gemalin van Jupiter de heerseres over de lucht en het weer (zie vs. 722).
790Iris: de godin van de regenboog en bode der goden.
792De Waterstorter: de Waterman (Aquarius) een der 12 tekens van de dierenriem.
795Ook de hemelheer, Jupiter, kan de grenzen door het Noodlot bepaald niet overschrijden.
798De noodt houdt streeck noch stijl: de noodtoestand stoort zich niet aan richting noch aan vastgestelde orde; nood breekt wet.
799Dat stont u toe: dat stond aan u, dat was uw plicht (op 't heilzaam eind te letten); hadt ge dat gedaan, dan zoudt ge dit niet op u genomen hebben (Faëton de zonnewagen toe te vertrouwen).
800Of ge hadt hem naast u gezet op de wagen, (zoudt zelf meegegaan zijn).
804Dan zoudt gij delen in die droefheid, maar niet de hele wereld.
806't geluck: het geval, de Fortuin ('t hachelijck geval vs. 494).
807daegen: oproepen (daegen: op bepaalde dag ontbieden).
809Merkuur: Mercurius, bode der goden; mijn lucht, zie op vs. 772 en 788.
817Dit uurwerck: de geregelde wisseling van dagen en jaargetijden.