1415-16Dit grafschrift luidt bij Ovidius Metam 2, 327, 328: Hic situs est Phaëton, currus auriga paterni; Quem si non tenuit, magnis tamen excidit ausis. Hier ligt Phaëton, stuurman van zijn vaders wagen; Al kon hij die niet houden, in grootse durf is hij bezweken. Vondel's vertaling (Dl. 7, blz. 456 vs. 441, 442: Hier sluimert Faëton, die 's vaders wagen mende, En schoon hij storte, stout voorbij de stoutsten rende.
1463ongesteurt: ongestoord, ongeschokt, met vast gemoed.
1464genoeght .... aen: tevreden is, genoegen neemt met.
1472dit ongelaet: deze misdraging, onpassende houding (gelaet nog in de ruimere betekenis van houding, gedraging).
1479kunt tot geenen troost verstaen: kunt, wilt geen troost hooren, van geen troost weten; verstaen tot iets: zich verstaan in iets, luisteren naar iets; tot in de oudere betekenis van te, in.
1483Gij neemt de smart te fel op; gij moet zo felle rouw niet dragen (letterlik: gij zijt te fel voor de smart).
1531de vierde hemel: Vondel noemt hier de vierde hemel, omdat in het sterrekundig stelsel van de negen hemelbogen of om elkaar wentelende kringen der Ouden, de zon van de aarde uit in de vierde hemelhoog stond, de middelste van de zeven bogen van de bewegelike hemellichamen; de bogen zelf wentelen om hun middelpunt (zie Lucifer vs. 45, 46).