1geheilight: gewijd, uitverkoren; om de kroon: om in den Hemel de hoogste engel te zijn, vgl. Lucifer, vs. 1468-69
3zwavelpoel: hel, vgl. vs. 744 en Openb. XIX, 20; opdondren: met geweld te voorschijn komen.
4ban en banpaal: afgesloten verblijf, gevangenis, de hel, vgl. Jud. 6. - gruwzaem en verwaten: wreed en trotsch, deze woorden behooren bij misschiep van vs. 6.
6d'Erfvyant: de eeuwige vijand van Lucifer, God; vgl. misschiep: in duivelgedaante veranderde, vgl. Lucifer, vs. 1944-61. vs. 558.
8Op grond van Eph. VI, 12 geeft Petavius in zijn tractaat De Angelis, Lib. III, cap. IV (ed. 1868, IV, bl. 186-vlg.) een aantal teksten van oude chr. schrijvers over het verblijf van de duivelen in de lucht, op de aarde en in de zee.
9grootvorst van de weerelt: princeps hujus mundi, Joan. XVI, 11; vgl. vs. 545-46.
18klatergout en boomen: het klatergoud der boomen, de vergulde boomen; klatergoud heeft hier zijn oorspronkelijke, niet-ongunstige beteekenis; volgens Kiliaen is het een dun blaadje goud (folium auri); hiermee vergelijkt Vondel de door de zon vergulde boombladeren, die verderop (vs. 177) van zilver schijnen, maar ook in Lucifer (vs. 29) van goud zijn.
19-20In het midden van het Paradijs rees een heuvel, waaraan vier stroomen ontsprongen: de Phison, Gehon, Tiger en Eufraet (vs. 22), die den hof besproeiden, vgl. Gen. II, 10-14 en zie naast dit treurspel, vs. 171-74, ook Lucifer, vs. 53-55.
22Oostersch Eden: het Paradijs, ook Eden, d.i. lusthof genoemd lag volgens de Statenbijbel Gen. II, 8 geplant ‘tegen het Oosten’.
24most: moest, zou ik kunnen; schiltwacht: gevolg.
25lustprieel: tuintent, vgl. lustbosch van vs. 14; myrtegalerye: mirtelaan, een laan van heesters met bloemen; de mirtebloesem dient voor bruidsversiering, vgl. vs. 115;
28veraert van 't goet: de duivel is niet alleen van alle moreele goed vervreemd en afkeerig, maar ook verhard in het kwaad, obstinatus in malo, zooals St. Thomas Aq. leert in de S. Theol. I, Q. LXIV, art. 1; dien vloeck der vloecken: God; over den haat van den duivel tegen God als oorzaak van zijn begeerte naar 't verderf van den mensch spreekt de H. Ignatius van Loyola in zijn Exercitia, Dies VI, med. I, punct. I (ed. 1835, bl. 266).
48Daer leght zijn maght te laegh: daartoe schiet Gods macht te kort; ook in het vorig treurspel (vs. 1437-38) had Lucifer deze drogrede uitgesproken; S. Thomas leert in de S. Theol. I, Q. L, a. 5, ad 3, dat al zijn de engelen (dus ook de duivelen) per se onontbindbaar (incorruptibiles), zij in hun voortbestaan toch van Gods causaliteit afhangen.
49Loeft men aen: als ik aanloef; de loef is de windzij of hooge zij van het zeilschip; aanloeven is den steven van het schip naar den wind keeren.
50Vgl. vs. 1411 en Lucifer, vs. 437; hoeck: klip, moeilijkheid, vgl. Salmoneus, vs. 152.
51ruimschoots: zeeterm in oorspr. beteekenis: met ruimen schoot, met volle zeilen.
48-52Vondels schilderachtige inheemsche beeldspraak is aan de zeevaart ontleend; laegh leggen (liggen) en in ly leggen beteekenen: buiten den wind liggen, dus niets kunnen uitrichten.
105-06van d'englewacht ... Te groeten: die door de engelenwacht begroet zullen worden.
106-07witte zijde Van erfrechtvaerdigheit: het bruiloftskleed van Adam en Eva, dat het geestelijk gewaad van hun oorspronkelijke rechtvaardigheid en onschuld symboliseert; vgl. Berecht, r. 100 en noot; en vs. 480-vlg.
108zoo fijn van draet: vgl. Jos. in Dothan, vs. 809.
115hy en zy: Adam en Eva, hebben den klemtoon; een myrt: het heesterblad, dat de huwelijksliefde verzinnebeeldt, door Adam geplukt in de myrtengalery van vs. 25; een roos: het symbool van schoonheid en liefde, door Eva meegebracht uit het rozendal van vs. 90.
147toen onze oogen zagen: zoodra wij oogen hadden om te zien.
148-50Vondel bedoelt, dat de zon de weerschijn van God is, zooals het spiegelbeeld van den mensch in een bron den mensch gelijkt; bron der dagen: God, der zonnen zon, zooals Lucifer vs. 291 zegt.
152uit het roode klay bootseerde: uit den roodbruinen klei boetseerde of vormde. Oude uitleggers hebben langs de gemeenschappelijke beteekenis van rood en aarde in het Hebr. woord Eden verband gezocht tusschen Eden, Edem, Edom, Adam, maar Petavius (l.c. bl. 329) is het daarmee niet eens.
154Die glans, door God den mensch meegedeeld, bestaat in zijn hoogere eigenschappen, in vs. 157-58 nader genoemd.
157-58De drie gaven, door God den mensch meegedeeld als weerspiegelingen van zijn eigen volmaaktheid, waren onbewolkt verstand, onbelemmerde vrije wil en lichamelijke onsterflijkheid. Adam spreekt voòr den zondeval, toen de twee eerste gaven nog niet verzwakt waren (noit bewolckt noch duister, vs. 158) en de laatstgenoemde hem nog niet ontnomen was; vgl. vs. 166.
161Versta: gij gelijkt op de engelen, die als geesten de edelste natuur van alle schepselen hebben.
162En tegelijk is de mensch door zijn stoffelijk lichaam aan de aarde verwant, vgl. I, Cor. XV, 47; vgl. vs. 532-33.
163ongelijken: ongelijke, elkaar weerstrevende elementen, vgl. vs. 533-34.
166Vóór den zondeval had de mensch het voorrecht der onsterflijkheid (vs. 157, 370), de band van ziel en lichaam zou niet verbroken worden; door de zonde kwam de dood, vgl. Rom. V, 12.
207Gevolghzaemheit: volgzaamheid, vgl. vs. 1279; bescheit: Volgens Kiliaen beteekent dit woord, naast redeneering en antwoord, ook discretio, bescheidenheid.
223-24De Bijbel (Gen. I, 4-5) zegt onmiddellijk na de schepping van het licht, dat het licht van de duisternis werd gescheiden; dag en nacht, avond en morgen ontstonden.
278streeck: dit hoort bij visch, vocht en vinne, beteekent dus zwemslag; vlught: hoorend bij vogel, lucht en vlogel beteekent vliegbeweging.
279Daer: in 't water. weemlen: wentelen zich; walvisch, en dolfijnen: Vondel noemt alleen de groote zeedieren, vgl. Harpz. CIII, vs. 95; dolfijn ook verder in dit drama, vs. 1064, 1069.
280adlers: adelaars; ook alleen de koning der vogels als representant.
285Op den zesden scheppingsdag worden de dieren in 't leven geroepen; dieren: blijkens de twee volgende vss. bedoelt Vondel zoowel de redelijke als de redelooze levende wezens (animalia).