473Vgl. vs. 352-53, 615;
Rei: Wat Vondel over de oorspronkelijke onschuld (justitia originalis) van het eerste menschenpaar in zijn Berecht kort en zakelijk dogmatisch heeft uiteengezet, laat hij de Wachtengelen poëtisch bespiegelen. Nadat de voorrechten van natuurlijke orde door Adam en Eva zelf bezongen zijn (vs. 119-210), waarbij de
overnatuurlijcke schenkaedje, in navolging van de Kerkvaders het
gewaet der Erfrechtvaerdigheit genoemd, slechts terloops is aangeduid in den onbelemmerden vrijen wil, de lichaamsonsterflijkheid en de onbewolkte reden (vs. 156-58): beschouwen de Engelen die
schenkage en
gave (
Berecht), dat
kleed (
Berecht en vs. 479, 483, 485), dat
handvest (
Berecht en vs. 537) nu opzettelijk. En zij zeggen daarvan: 1
o dat dit voorrecht niet spruit uit de menschelijke natuur (vs. 481-82), omdat het meer geeft dan de natuur vraagt of geven kan (483-84): vandaar
over-natuurlijke ofwel
buiten-natuurlijke schenkage (donum superadditum, donum praeternaturale); 2
o dat het een gave is van Gods liefde (487), genade (495) en mildheid (496); 3
o dat het bestaat in de volledige onderworpenheid van de ziel aan God, van de lagere vermogens aan de hoogere en van het lichaam aan de ziel (505-11). Dit voorrecht nu van oorspronkelijke rechtvaardigheid (dat de heiligmakende genade niet is, maar als oorzaak insluit), noemt Vondel
erf rechtvaardigheit, omdat het, aan de menschelijke
natuur gegeven, op alle menschen zou overgaan, wanneer althans de heiligmakende genade door geen zonde zou worden verstoord. De mogelijkheid van dit laatste laten de Engelen telkens doorschemeren.