De dans heeft zijn beslagh: nu weêr ten disch gelegen,930
Daer Gabriël u noot op 's hemels verschen zegen.
545Deze betiteling van Lucifer is vrijwel gelijk aan Dante's benaming: Lo imperador del doloroso regno, Inf. XXXIV, 28.
546En 't rijck der weerelt: vgl. vs. 9; wy: Asmodé met eenige lagere duivels; stampen: stampvoeten, vgl. vs. 694. Ook in Peter en Pauwels vs. 128 worden de booze geesten door stampvoeten opgeroepen.
548de kennis: de kennis van goed en kwaad. De Engelen zijn met Adam en Eva samengekomen onder den boom des levens (vs. 395); de duivels vergaderen onder den boom der kennis van goed en kwaad, Gen. II, 9.
557Ons eeuwigh toegestaen: ook dit stelt Lucifer partijdig en verkeerd voor; de Engelen waren nog in hun proeftijd en dus nog niet in 't geluk bevestigd; bandyten: uitgebannenen, vgl. vs. 591, 592, 1683.
558dien erfvyant: God, vgl. vs. 6, 1461; wrijten: ons verzetten.
564Het allerreetste: het meest voor de hand liggend; vgl. vs. 642; men: wij; hem: God; bestorm': aanvalle.
565zijn volschapen beelt: zijn heerlijke gelijkenis, de mensch.
566zweemt: gelijkt op; verdonckert: verduistert, hem zijn glans (vs. 565) ontneemt.
566-67Practisch en listig, bovendien theologisch juist, zegt Asmodé, dat God zich van den mensch, die zijn beeld is, zal afkeeren, zoodra die gelijkenis door de zonde geschonden wordt.
567ongelyckenis: verminkte, bedorven gelijkenis, vgl. onwegh van vs. 595, onmensch, ondier.
568dit ooft: van den kennisboom, vs. 548; scherp: streng.
572-73Versta: dat zou een herhaling van onzen opstand zijn, maar nu op aarde.
574Met reden: ja juist!; van beeldeschenderye: met de schending van Gods beeld. Van Lennep teekent aan, dat Vondel hiermee een veeg geeft aan de beeldstormers van 1566; 't is mogelijk maar niet duidelijk.
576Te zeker zit: onschendbaar is, vgl. vs. 29; dus: aldus; de parel van zijn kroon: de in Gods genade levende mensch is de voltooiing van de schepping.
588waert: gaat rond; der hofwacht: hier niet van de hemelsche legerscharen, die, zooals in Lucifer is uitgebeeld, Gods oorlog voerde (vs. 1397), maar van de paradijswacht, vgl. vs. 391.
614voor d'ondergoden: over de menschen, sarcastische uitdrukking van Asmodé.
615stadthouder: stedehouder, Adam, vgl. vs. 432; vorst enz.: vgl. vs. 352-53, 472; in zijn kloeckheit: lees: in hun kloekheid, vernuft.
618Dan: als; een geschubde draeck: In den Bijbel is spraak van een slang als verleider van Eva (Gen. III, 1, 4), maar de overlevering wil, dat het ons bekende kruipdier vòor de verleiding van de menschen vlerken had. In de chr. iconographie werd de Paradijsverleider vaak als een gevleugelde slang of fabelachtige draak voorgesteld. Vondel gebruikt dikwijls de woorden slang en draak voor 't zelfde dier; vgl. vs. 618, 779; zie verder Sabbe: Dierkennis en Diersage bij Vondel (1917), bl. 36-vlg.
620te volgen: na te volgen, na te doen; gebootseert: gevormd.
621zou geestigh weifelen: kan geestig, listig er omheen praten.
622-23Aan de valkenjacht ontleende beeldspraak: de van de vuist losgelaten, afgerichte valk moest duiven grijpen in hun vlucht. Asmodé bedoelt: zoo'n draak zou mij hier te pas komen; onnozelen: Adam en Eva, die geen kwaad vermoedden, vgl. de duiven.
625ontdecke: verrade; zy: Adam en Eva, of de Wachtengelen.
628dunckt: met klemtoon; Asmodé wil doorgaan op het denkbeeld van de slang; schalck en koen: listig en dapper; niet onaerdigh uitgekoren: zeer doeltreffend gekozen.
630schalckheit: listigheid; natuurlyck: van natuur.
677Men: ik; oppressen: dwingen te komen, oproepen; stede: plaatse.
678De schalcke Belial: de sluwe Belial, éen der hoofdpersonen uit Lucifer, maar hier tot een schiltknaep, dus een mindere van Asmodé, gedegradeerd; reede: gereed.
689Maer dit's een poos te vroegh: Dit is de tweede maal dat Lucifer zijn voorbarige snorkerij zoo onderbreekt, vgl. vs. 72; hofstorm: aanval op het Paradijs.
690van 't hooft: bij den man; laet doorstaen: zet door.