1421ingehult: ingehuldigd. Het patronaat der oostersche bruiloften, door Lucifer hier aan Asmodé verleend, steunt op het verhaal van 't boek Tobias (III, 8) dat Asmodé achtereenvolgens de zeven mannen van Sara, Raguëls dochter, in den eersten bruiloftsnacht doodde.
1427steeckt: schuilt; dees jonge bruit: Eva; haeren nieuwen heere: Adam, met wie zij pas gehuwd is.
1428achter: naar achteren, achter de struiken; gepraemt: gedrongen.
1429in een hol: ergens in een hoek, vgl. vs. 1486.
1430-31uit hunne oogen, Of andere oogen: weer spot van Asmodé met de sinistere vervulling van Belials voorspelling, vgl. vs. 1164-65.
1434-38Zooals de witte zijde van hunne eerste (oorspronkelijke) onnozelheit, hoewel om tooneelredenen werkelijk aanwezig (vgl. vs. 106-07), zinnebeeldig bedoeld is, is ook dit sleuren door braamstruiken en doornhagen een zinnebeeld van de zonde van Adam en Eva, die hun onschuld hebben verloren. Vondel zinspeelt blijkbaar op Christus' gelijkenis van den man, die door moordenaars van alles beroofd werd (Luc. I, 30), waarop hij zich ook in het Berecht beriep.
1450Versta: ik wilde voor God niet onderdoen; dat Adam door hoogmoed viel, geeft Vondel met een scheepsbeeld weer; in top gezet: boven in den mast geheschen, strijcken: neerlaten.
1451-52Volgens vs. 1344-47 is Adam eerder uit toegevendheid tegenover Eva bezweken dan uit hoogmoed. Eva zelf viel uit snoeplust (vs. 1191-95). Maar het lokmiddel van den duivel was de voorspiegeling van hooger begrip en godgelijkheid (vs. 1162-81); de begeerte hiernaar gaf den doorslag, zooals Adam zelf erkent; vgl. vs. 1564.
1452bedorven en bekoort: gedemoralizeerd en verleid.
1453Het spoock des afgronts: de duivel; klampt enz.: overmant mij, vgl. vs. 1708.
1462inbreuck van erflasteren: doorbraak van erfelijke schade en schande, de erfzonde.
1463-64Versta: wij maken ons geen zorg meer over Gods verweermiddelen tegen ons; hinderdam: dam, die het opdringend water moet tegenhouden; beeren: waterkeeringen.
1465Natuur leght onder: de menschelijke natuur is overwonnen.
1466mijn: mijn eigendom; errefeigen: van geslacht op geslacht in mijn bezit.
1469Lucifer zal den afgodendienst verbreiden, vgl. Ps. XCV, 5;
1470De menschenoffers van den heidenschen afgodendienst.
1471't afgronts godtheit: de duivel, Lucifer-zelf.
1472Uit schrick voor straffe: uit angst voor demonische invloeden; glimpelyck: bedriegelijk.
1473op 's vyants hals: op Gods verantwoordelijkheid. Niet ik, bedoelt Lucifer, zal de oorzaak van het kwaad heeten, maar God zelf, zooals o.a. de Manicheën leerden, en misschien denkt Vondel ook aan de leer van Calvijn, zooals hij die in den tijd der hekeldichten begreep.
1475sestigh eeuwen: 6000 jaar, dat is, volgens de berekening van Vondels tijd, ongeveer de leeftijd der wereld: 4000 j.v. Chr. en 1600 (tot 2000 afgerond) nà Chr. berght hy pas: redt God nauwelijks; een hantvol: zeer weinig. De meening, dat er maar zeer weinig menschen zullen zalig worden (o.a. door Massillon op 't eind der XVIIde eeuw in zijn bekende preek Sur le petit nombre des élus verkondigd) wordt door Vondel hier dramatisch benut, niet toegestemd.
1476De kwade invloed van Lucifer als duivel is grooter dan zijn goede als engel zou geweest zijn.
1479den grooten ommezwaei: de groote omkeer, staatverandering, wat Vondel in het BerechtOvergangk of naar Aristoteles de peripatie noemde, vgl. vs. 1493; 't eeuwigh treurspel: het altijd en in elken mensch zich herhalend drama, nl. zijn val van onschuld en geluk in zonde en ongeluk door eigen schuld en duivelsche verleiding, waarvan Adams val de oorzaak en het prototype was, waarom Adam in Ballingschap in den ondertitel Aller treurspelen treurspel heet.
1480Nu loopt de treurrol af: nu is de rol van Adam in dit werkelijke treurspel, in dit levensdrama, ten einde.
1481tot kennis: tot de erkentenis of, volgens het Berecht, Herkentenis de agnitio, die mede in een klassiek drama vereischt werd, de erkenning nl. van zijn dwaling en zonde (Vgl. vs. 1498), met een ironische gedachte aan den kennisboom.
1484De beeldevormer: honende naam voor God, die Adam uit klei vormde, vgl. vs. 152; 't wanschepsel: mismaakt schepsel; Lucifer heeft immers Adams gelijkenis met God verminkt, zooals hij beoogd had, vgl. vs. 30.
1486spelonck: het hol, waarin Adam en Eva waren gevlucht, vs. 1429, 1629; docht: meende, hoopte; naerheit: duisternis.
1487smet: zonde. Adam en Eva zijn beroofd van hun kleed der erfrechtvaardigheid; het symbool vervalt hier dus en ze zijn naakt, alleen door vijgeblaren gedekt, vgl. vs. 1433, 1618.
1582de dootschult: de zonde, die den dood naar ziel en lichaam meebracht.
1585suf: peins en aarzel; sta uw woort: blijf uw woord gestand; volbreng wat ge zeide te willen doen, nl. zelfmoord.
1587-88ploffen - plompen: Ook. in Joseph in Dothan vs. 626 neemt Vondel het onderscheid tusschen vallen op iets droogs (ploffen) en vallen in water (plompen) nauwkeurig in acht.
1607Het blixemt blick op blick: deze natuurnabootsende uitdrukking gebruikt Vondel bijna zoo vaak hij den bliksem beschrijft; blick op blick: straal op straal.
1608donderklooten: donderkeilen, wellicht met bijgedachte aan den Germaanschen onweersgod Donar of Thor.
1639die 's menschen plicht betaemen: die tot 's menschen plicht hooren.
1640dees naecktheit, al te naeckt: de toevoeging kan behooren bij openbaerde en geeft dan dezen zin: Wie openbaarde u zóo schrikbarend duidelijk uw naaktheid? (vgl. naeckt ontdecken van vs. 1397). Maar dieper van beteekenis wordt Uriëls vraag, wanneer al te naeckt bij naecktheit wordt getrokken; de zin is dan immers: Wie openbaarde u deze naaktheid, niet van 't lichaam alleen, maar ook van de ziel, die het kleed der erfrechtvaardigheid verloor.
1661't vrouwezaet: het zaad der vrouw, de zoon der vrouw, nl. Jezus, de zoon van Maria.
1662Dat u het hooft verplet: Volgens de christelijke opvatting wordt met deze bijna letterlijke weergave van Gen. III, 15 de toekomstige Verlosser voorspeld. Vondel leest echter met de Vulgaat niet: ipsa conteret, maar naar het Hebreeuwsch ipsum, vgl. Lucifer, vs. 2138 (en noot Dl. V, bl. 694) 2176-78. bits in 't wrijten: fel in uw verzet.
1663in de hielen bijten: belagen. De door Christus overwonnen duivel zal zich, door zijn aanvallen op den mensch, toch tegen God blijven verzetten.