terug  begin  verder
[p. 171]

[Gedichten]

Ter gedachtenisse van den weledelen en gestrengen Heere, Cornelis de Graeff,
Vryheere van Zuydpolsbroeck, Burgermeester en Raed t'Amsterdam &c.aant.*

Grafschrift.

Nunc servat honos sedem tuus.

 
Het doopkoor, eerst genoemt de vont,1
 
Die kinders Christende en herbaerde,2
 
Beschaduwt Polsbroeks gulden mont3
 
Met zijnen grafzerck onder d'aerde.
5
  Nu zwijgen burgermeesterdom,
 
De vryheerschap, en zoo veel gaven.5-6
 
Alle ampten staen nu stil en stom.7
 
De staeteer scheen met Graef begraven,8
 
Bestulpte 't graf gebeente en naem:9
 
Nu zweeft dees staetwijze op zijn faem.10
 
 
 
J.V. Vondel.
*Van 1664. - Volgens de tekst van de afzonderlike uitgave in plano (Unger no. 674). Het motto, ontleend aan Aeneïs VII, 3, werd door Vondel vertaald: ‘Uwe grafstê behoudt noch haar waerdye’. Zie voor Cornelis de Graeff deel 6, blz. 85 en deel 9, blz. 294. Hij werd 9 Mei 1664 in een grafkapel van de Oude Kerk te Amsterdam begraven, op de plaats van het vroegere doopkoor.
1Dit koor werd dus eerst genoemd naar de doopvont.
2Christende: tot Christen maakte (vgl. kerstenen) (Ned. Wdb. III, 2026); herbaerde: ziet op de geestelike wedergeboorte waarvan sprake is o.a. in Joh. III, 3-7. (Ned. Wdb. VI, 588).
3gulden mont: herinnering aan zijn welsprekendheid.
5-6Nu kan hij zijn gaven als burgemeester, zijn waardigheid als vrijheer (zie het opschrift) niet meer tonen.
7In alle functies die hij bekleedde, blijkt zijn stem onmisbaar.
8staeteer: de eer van de regeringscolleges, die hij ophield.
9Bestulpte: overdekte.
10staetwijze: ervaren staatsman.
terug  begin  verder