terug  begin  verder
[p. 177]

Op d'afkomste van den weledelen heere Lambertus Reinst, Burgermeester en Raet van Amsterdam;
en mevrouwe Alida Bikkers van Swieten.aant.*

Door Joan Lievensz geschildert.

ECCL. XI.

 

In filiis suis agnoscitur vir.

 
Wie d'eedle telgen, uit een' hooftstuk van de Reinsten1
 
En Bikkeren wil zien, de grootsten en de kleinsten,
 
Aenschou dit vyfgetal van beiderley geslacht,3
 
Door Lievens schildergeest op eenen doek gebragt.4
5
Zoo kan men d'ouders aen haer kroost en beelden kennen.5
 
Dry zoonen wijken geen Troiaensche jeught in 't rennen6
 
En paerderijden. Elk schijnt zonderling begaeft.7
 
Het zy de ridder springt, of keert, of langzaem draeft,8
 
Of weghspoet met een vlucht, of in den ringh wil rijden;9
10
Hy toont zich afgerecht, en weet gevaer te mijden,10
 
Kort op te houden, en te steigeren met kunst,11
 
Te zwaeien rechts en slinx, en doorgaens met een gunst12
 
Zich zoo te maetigen, en op de maet te passen,13
 
Dat hy natuurlijk uit den zadel schijnt gewassen.14
15
  Aldus plagh Chiron op te passen en de jeught15
[p. 178]
 
Geduurigh t'oefenen in ridderlijke deught.
 
Zoo plaghten Kastor en ook Pollux op te zitten.17
 
Men ziet den klepper zich in 't oefenperk verhitten,
 
En hoort hem brieschen. O doorluchtigh tijtverdrijf!19
20
  Den allerjongste springt het strijtbaer hart in 't lijf,
 
Als hy zijn' broederen een kans heeft afgekeeken.21
 
Het oorlogh is zijn lust. Dees borst, op alle streeken22
 
In 't vechtperk afgerecht, kan slagh en steek voorzien,23
 
En zou het wilde zwijn de tanden durven biên,24
25
Indien het in een bosch schuimbekkende aen quam streven.25
 
Maer om de dochters af te beelden naer het leven,
 
Gelijk Apelles hant haer schilderde in 't saizoen
 
Van 's levens lente, waer hier geest en kunst van doen.28
 
De schoone Elizabeth zou prijs op Ida winnen29
30
Voor Paris vierschaer, of by negen zanggodinnen
 
Den ganschen zangbergh met haer keele en cymbelsnaer31
 
Ten reie aenvoeren. Zet dees schoonheit op 't altaer,
 
Zy zal het kerkgewelf van Venus rijk stoffeeren,33
 
De minnaer haer met myrte en roozekranssen eeren.34
35
  De zuster weet haer' galm te volgen, of zij maelt
 
Gebloemt tapijtwerk, als een Pallas, met de naelt,36
 
En toont wat kunst vermagh, en leerzaeme gewente37
 
Wanneerze bloemen tart, en verwen van de lente.38
 
Gelukkigh is de hant die zulk een puikbloem plukt,
40
  Waer voor de keurighste zich neight en nederbukt.40
 
Doch best gezwegen dan haer glanssen te verminderen.41
 
Zoo kent men vader en de moeder in hun kinderen.
*Van of na 1664. Volgens de tekst in Poëzy 1682 II, blz. 340.
Opschrift: Dit schilderij van Jan Lievens kennen wij alleen door dit gedicht (zie H. Schneider, Jan Lievens, blz. 150, nr. 255), waaruit blijkt dat de afkomste (het kroost) van het echtpaar Reinst-Bikkers van Swieten, bestond uit vijf kinderen (zie vs. 3). Elias, De Vroedschap I, blz. 452, noemt er slechts drie: Elisabeth (1648-1712), die in 1672 trouwde met Mr. Abraham Alewijn; Arnoldina (1652-1701), die in 1682 Jan Wijncoop, handelaar in noten en stokvis, trouwde; en Hendrik, (1650-1684), schout van Niedorp en Winkel, in 1675 getrouwd met Amarantha Ripperse. Moes Iconographia Batava, deelt onder nr. 1601 en 6405 ook de namen der beide andere zonen mee: Cornelis, die in 1673 stierf, en Gerard (zonder jaren), baljuw van ter Schelling. Gezien de leeftijd van deze kinderen zal dit schilderij niet vóór 1664 en mogelik iets later zijn vervaardigd.
Het motto, ontleend aan Ecclesiasticus of het boek van Jezus Sirach XI, 30, betekent: Aan zijn kinderen kent men de man, zie het slotvers.
In het opschrift: d'afkomste: de nakomelingen, kinderen.
1een hooftstuk: voortreffelike vertegenwoordigers. Zowel de betekenis: pronkstuk, als ‘voornaam persoon’ was vroeger bekend (Ned. Wdb. VI, 995).
3vyfgetal: vijftal.
4schildergeest: schildertalent; eenen doek: in Vondel's taal mnl.
5kroost en beelden: gelijkenis van hun kinderen.
6wijken geen: doen niet onder voor.
7schijnt zonderling: blijkt biezonder.
8ridder: ruiter.
9ringh: kring.
10afgerecht: volleerd (vgl. vs. 23).
11Kort op te houden: nl. de teugel (Ned. Wdb. XI, 858) om het paard te beteugelen.
12slinx: links; doorgaens: voortdurend; met een gunst: met gratie, met bevalligheid (Ned. Wdb. V, 1293).
13passen op: acht geven op.
14natuurlijk: als van nature.
15Chiron: de Kentaur, die Eskulapius en Achilles opvoedde; op te passen: zorg te dragen.
17Kastor en Pollux: tweelingbroeders, zonen van Zeus; als ruiters bij uitnemendheid werden ze meestal te paard afgebeeld; op te zitten: te paard te zitten.
19doorluchtigh: voornaam, edel.
21een kans heeft afgekeeken: door waakzame oplettendheid een kans heeft afgewonnen (Ned. Wdb. I, 2002, VII, 1296).
22oorlogh: in Vondel's taal ook onz.
23voorzien: zien aankomen.
24de tanden biën: (fig.): weerstaan.
25aenstreven: aanstormen.
28geest en kunst: een geniale kunst; van doen: nodig.
29Ida: een gebergte in Phrygië, waar Paris uitspraak moest doen, welke der drie godinnen de schoonste was.
31zangbergh: de Helicon of de Parnassus, beide aan de Muzen gewijd.
33kerkgewelf: de tempel; stoffeeren: sieren.
34myrte en roos waren aan Venus gewijd.
36Pallas Athene muntte ook in alle vrouwelike handwerken uit.
37leerzaeme gewente: gewoonte, voortkomend uit de neiging om te leren.
38tart: trotseert, nl. door in kleurenweelde (verwen van de lente) er mee te wedijveren.
40keurighste: kieskeurigste, fijnst keurende.
41best gezwegen dan: beter (is het) te zwijgen en: ‘het is beter te zwijgen dan door tekort te schieten haar glorie te verminderen’. Vgl. een dergelijk voorbeeld, uit M. de Swaen, in Ned. Wdb. II, 2095.
terug  begin  verder